Jesaja 21
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Godsspraak over de woestijn aan de zee. Als een orkaan, in het zuiden ontketend, Komt het uit de woestijn, het oord van verschrikking!
1Ὡς καταιγὶς διʼ ἐρήμου διέλθοι, ἐξ ἐρήμου ἐρχομένη ἐκ γῆς φοβερὸν
2Een vreselijk schouwspel wordt mij getoond: De woesteling woedt, de vernieler vernielt; Elam rukt uit, Medië dringt op, Geen meelijden meer!
2τὸ ὅραμα, καὶ σκληρὸν ἀνηγγέλη μοι· ὁ ἀθετῶν ἀθετεῖ, ὁ ἀνομῶν ἀνομεῖ· ἐπʼ ἐμοὶ οἱ Ἐλαμῖται, καὶ οἱ πρέσβεις τῶν Περσῶν ἐπʼ ἐμὲ ἔρχονται· νῦν στενάξω καὶ παρακαλέσω ἐμαυτόν.
3Mijn lenden zijn er vol krampen van, Weeën grijpen mij aan als een barende vrouw; Ik krimp ineen van het horen, ben ontdaan van het zien,
3Διατοῦτο ἐνεπλήσθη ἡ ὀσφύς μου ἐκλύσεως, καὶ ὠδῖνες ἔλαβόν με ὡς τὴν τίκτουσαν· ἠδίκησα τοῦ μὴ ἀκοῦσαι, ἐσπούδασα τοῦ μὴ βλέπειν.
4Mijn hart bonst, en de angst overmant mij; De nacht, waarnaar ik verlangde, Vervult mij met schrik.
4Ἡ καρδία μου πλανᾶται, καὶ ἡ ἀνομία με βαπτίζει, ἡ ψυχή μου ἐφέστηκεν εἰς φόβον.
5Nog tafels dekken, tapijten spreiden, Eten en drinken? Op vorsten: de schilden gesmeerd!
5Ἑτοίμασον τὴν τράπεζαν, φάγετε, πίετε· ἀναστάντες οἱ ἄρχοντες, ἑτοιμάσατε θυρεοὺς,
6Waarachtig, dit heeft de Heer mij gezegd: Zet een wachter uit, die meldt wat hij spiedt.
6ὅτι οὕτως εἶπε πρὸς μὲ Κύριος, Βαδίσας σεαυτῷ στῆσον σκοπὸν, καὶ ὃ ἂν ἴδῃς ἀνάγγειλον.
7Ziet hij ruiters te paard, twee aan twee, Ruiters op ezels, ruiters op kemels: Zo gauw hij ze maar even merkt,
7Καὶ εἶδον ἀναβάτας ἱππεῖς δύο, καὶ ἀναβάτη ὄνου, καὶ ἀναβάτην καμήλου· ἀκρόασαι ἀκρόασιν πολλήν,
8Moet hij roepen: Ik zie ze! Zo houd ik de wacht van mijn Heer, heel de dag, Sta op mijn post iedere nacht.
8καὶ κάλεσον Οὐρίαν εἰς τὴν σκοπιάν· Κύριος εἶπεν, ἔστην διαπαντὸς ἡμέρας, καὶ ἐπὶ τῆς παρεμβολῆς ἐγὼ ἔστην ὅλην τὴν νύκτα,
9Zie, daar komen de ruiters te paard, twee aan twee, Ruiters op ezels, ruiters op kemels; Ze schreeuwen: Gevallen, gevallen is Babel, Al zijn afgodsbeelden liggen verbrijzeld tegen de grond!
9καὶ ἰδοὺ αὐτὸς ἔρχεται ἀναβάτης ξυνωρίδος· καὶ ἀποκριθεὶς εἶπε, πέπτωκε πέπτωκε Βαβυλὼν, καὶ πάντα τὰ ἀγάλματα αὐτῆς, καὶ τὰ χειροποίητα αὐτῆς συνετρίβησαν εἰς τὴν γῆν.
10Mijn volk, gebeukt en op de dorsvloer geslagen: Wat ik van Jahweh der heirscharen hoorde, Van Israëls God, dat verkondig ik u!
10Ἀκούσατε οἱ καταλελειμμένοι, καὶ οἱ ὀδυνώμενοι ἀκούσατε ἃ ἤκουσα παρὰ Κυρίου σαβαὼθ, ὁ Θεὸς τοῦ Ἰσραὴλ ἀνήγγειλεν ἡμῖν. ΤΟ ὍΡΑΜΑ ΤΗΣ ἸΔΟΥΜΑΙΑΣ.
11Godsspraak over Edom. Men roept mij uit Seïr: Wachter, hoe ver is de nacht; Wachter, hoe ver is de nacht?
11Πρὸς ἐμὲ κάλει παρὰ τοῦ Σηεὶρ, φυλάσσετε ἐπάλξεις.
12De wachter zegt: de morgen komt, maar dan weer de nacht! En als ge nog verder wilt vragen, Komt dan een andermaal terug!
12Φυλάσσω τοπρωῒ καὶ τὴν νύκτα· ἐὰν ζητῇς ζήτει, καὶ παρʼ ἐμοὶ οἴκει,
13Verstopt u tussen de struiken der steppe, Karavanen van Dedan!
13ἐν τῷ δρυμῷ ἑσπέρας κοιμηθῇς, ἢ ἐν τῇ ὁδῷ Δαιδάν.
14Bewoners van Tema, brengt den dorstige water, Geeft den vluchteling brood;
14Εἰς συνάντησιν διψῶντι ὕδωρ φέρετε οἱ ἐνοικοῦντες ἐν χώρᾳ Θαιμὰν, ἄρτοις συναντᾶτε τοῖς φεύγουσι
15Want ze vluchten voor het zwaard, het dreigende zwaard, Voor de boog, al gespannen, voor de oorlogsverschrikking!
15διὰ τὸ πλῆθος τῶν πεφονευμένων, καὶ διὰ τὸ πλῆθος τῶν πλανωμένων, καὶ διὰ τὸ πλῆθος τῆς μαχαίρας, καὶ διὰ τὸ πλῆθος τῶν τοξευμάτων τῶν διατεταμένων, καὶ διὰ τὸ πλῆθος τῶν πεπτωκότων ἐν τῷ πολέμῳ.
16Want dit heeft de Heer mij gezegd: Binnen een jaar, de diensttijd van een soldaat, Zal heel de glorie van Kedar verdwijnen;
16Διότι οὕτως εἶπέ μοι Κύριος, ἔτι ἐνιαυτὸς ὡς ἐνιαυτὸς μισθωτοῦ, ἐκλείψει ἡ δόξα τῶν υἱῶν Κηδὰρ,
17En van de dappere schutters der zonen van Kedar Blijft maar een klein restje over! Waarachtig, Jahweh, Israëls God heeft gesproken!
17καὶ τὸ κατάλοιπον τῶν τοξευμάτων τῶν ἰσχυρῶν υἱῶν Κηδὰρ ἔσται ὀλίγον, ὅτι Κύριος ὁ Θεὸς Ἰσραὴλ ἐλάλησε. ΤΟ ῬΗΜΑ ΤΗΣ ΦΑΡΑΓΓΟΣ ΣΙΩΝ.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.