Jesaja 64
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Ach, scheur toch de hemel vaneen, en daal neer, Zodat de bergen voor uw aangezicht rillen;
1ὡς κηρὸς ἀπὸ προσώπου πυρὸς τήκεται, καὶ κατακαύσει πῦρ τοὺς ὑπεναντίους, καὶ φανερὸν ἔσται τὸ ὄνομά σου ἐν τοῖς ὑπεναντίοις· ἀπὸ προσώπου σου ἔθνη ταραχθήσονται,
2Als een vuur, dat brandhout doet vlammen, Een vuur, dat het water doet stomen: Om uw vijanden uw Naam te doen kennen, En volken voor U te doen beven,
2ὅταν ποιῇς τὰ ἔνδοξα· τρόμος λήψεται ἀπὸ σοῦ ὄρη.
3Als Gij de grootse dingen doet, waarop we niet durfden hopen,
3Ἀπὸ τοῦ αἰῶνος οὐκ ἠκούσαμεν, οὐδὲ οἱ ὀφθαλμοὶ ἡμῶν εἶδον Θεὸν πλήν σου, καὶ τὰ ἔργα σου, ἃ ποιήσεις τοῖς ὑπομένουσιν ἔλεον.
4En waarvan men nog nooit had gehoord! Neen, geen oor heeft gehoord, Geen oog ooit gezien: Een God, buiten U, Die helpt, die op U hopen;
4Συναντήσεται γὰρ τοῖς ποιοῦσι τὸ δίκαιον, καὶ τῶν ὁδῶν σου μνησθήσονται· ἰδοὺ σὺ ὠργίσθης, καὶ ἡμεῖς ἡμάρτομεν· διατοῦτο ἐπλανήθημεν,
5Die vreugde bereidt voor wie gerechtigheid doet, En uw wegen gedenkt! Maar nu zijt Gij toornig: wij hebben gezondigd; Zo lang al vergramd: wij waren afvallig.
5καὶ ἐγενήθημεν ὡς ἀκάθαρτοι πάντες ἡμεῖς, ὡς ῥάκος ἀποκαθημένης πᾶσα ἡ δικαιοσύνη ἡμῶν· καὶ ἐξεῤῥύημεν ὡς φύλλα διὰ τὰς ἀνομίας ἡμῶν· οὕτως ἄνεμος οἴσει ἡμᾶς.
6Allen zijn wij als onreinen geworden, Heel onze deugd als een doek, door stonden bezoedeld; Als bladeren vallen wij allemaal af, Onze zonden jagen ons voort als de wind.
6Καὶ οὐκ ἔστιν ὁ ἐπικαλούμενος τὸ ὄνομά σου, καὶ ὁ μνησθεὶς ἀντιλαβέσθαι σου· ὅτι ἀπέστρεψας τὸ πρόσωπόν σου ἀφʼ ἡμῶν, καὶ παρέδωκας ἡμᾶς διὰ τὰς ἁμαρτίας ἡμῶν.
7Er is niemand, die uw Naam nog aanroept, Of die op U nog durft steunen; Want Gij hebt voor ons uw aanschijn verborgen, Ons prijs gegeven aan onze schuld.
7Καὶ νῦν Κύριε, πατὴρ ἡμῶν σὺ, ἡμεῖς δὲ πηλός, ἔργα τῶν χειρῶν σου πάντες.
8Toch blijft Gij, Jahweh, onze Vader! Wij zijn het leem, Gij onze boetseerder; Wij allen het werk uwer handen!
8Μὴ ὀργίζου ἡμῖν σφόδρα, καὶ μὴ ἐν καιρῷ μνησθῇς ἁμαρτιῶν ἡμῶν· καὶ νῦν ἐπίβλεψον, ὅτι λαός σου πάντες ἡμεῖς.
9Ach, Jahweh, wees toch niet al te vergramd, Niet altijd onze misdaad indachtig. Ach, zie op ons neer: Wij blijven toch allen uw volk!
9Πόλις τοῦ ἁγίου σου ἐγενήθη ἔρημος, Σιὼν ὡς ἔρημος ἐγενήθη, Ἱερουσαλὴμ εἰς κατάραν.
10Uw heilige steden zijn een steppe geworden, Sion een wildernis, Jerusalem een woestijn.
10Ὁ οἶκος τὸ ἅγιον ἡμῶν, καὶ ἡ δόξα ἣν εὐλόγησαν οἱ πατέρες ἡμῶν, ἑγενήθη πυρίκαυστος, καὶ πάντα ἔνδοξα ἡμῶν συνέπεσε.
11Onze heilige en heerlijke tempel, Waarin onze vaderen U hebben geloofd, Is een prooi der vlammen geworden; Al wat ons dierbaar was, ligt in puin!
11Καὶ ἐπὶ πᾶσι τούτοις ἀνέσχου Κύριε, καὶ ἐσιώπησας, καὶ ἐταπείνωσας ἡμᾶς σφόδρα.
12Kunt Gij dit alles maar toezien, o Jahweh; Maar zwijgen, ten einde toe ons vernederen?
no verse 12 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.