Hosea 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Israël, verheug u maar niet, En jubel niet als de heidenen; Want ge hebt ontucht bedreven, ver van uw God, Op hoerenloon geaast op elke dorsvloer van koren.
1Israël, ne te livre pas à la joie, à l’allégresse, comme les peuples, De ce que tu t’es prostitué en abandonnant l’Éternel, De ce que tu as aimé un salaire impur dans toutes les aires à blé!
2Dorsvloer en perskuip willen niets van hen weten, De most zal hen verloochenen;
2L’aire et le pressoir ne les nourriront pas, Et le moût leur fera défaut.
3Ze zullen niet blijven in Jahweh’s land, Maar Efraïm moet terug naar Egypte.
3Ils ne resteront pas dans le pays de l’Éternel; Éphraïm retournera en Égypte, Et ils mangeront en Assyrie des aliments impurs.
4Ze zullen geen wijn voor Jahweh plengen, Hem geen welgevallige offers meer brengen; Hun brood zal het brood der treurenden zijn, Wie er van eet, wordt onrein. Want hun brood blijft alleen voor henzelf bestemd, Het huis van Jahweh komt het niet in!
4Ils ne feront pas à l’Éternel des libations de vin: Elles ne lui seraient point agréables. Leurs sacrifices seront pour eux comme un pain de deuil; Tous ceux qui en mangeront se rendront impurs; Car leur pain ne sera que pour eux, Il n’entrera point dans la maison de l’Éternel.
5Wat zult ge dan op een hoogtij beginnen, Op een feestdag van Jahweh?
5Que ferez-vous aux jours solennels, Aux jours des fêtes de l’Éternel?
6Waarachtig, als zij de verwoesting ontlopen, Zal Egypte hen verzamelen, Mof hen begraven; Distels zullen bezit van hun schatkamers nemen, Van hun tenten de doornen.
6Car voici, ils partent à cause de la dévastation; L’Égypte les recueillera, Moph leur donnera des sépulcres; Ce qu’ils ont de précieux, leur argent, sera la proie des ronces, Et les épines croîtront dans leurs tentes.
7Gekomen zijn de dagen van straf, Gekomen de dagen van vergelding! Israël roept: De profeet is een dwaas, De van geest vervoerde een gek! Bij uw grote schuld voegt ge nog de vervolging:
7Ils arrivent, les jours du châtiment, Ils arrivent, les jours de la rétribution: Israël va l’éprouver! Le prophète est fou, l’homme inspiré a le délire, A cause de la grandeur de tes iniquités et de tes rébellions.
8Efraïm loert aan de tent van den profeet, Spant een net op al zijn wegen, Vervolgt hem nog in het huis van zijn God.
8Éphraïm est une sentinelle contre mon Dieu; Le prophète… un filet d’oiseleur est sur toutes ses voies, Un ennemi dans la maison de son Dieu.
9Ze zijn grondig bedorven, Als in de dagen van Giba: Gedenken zal Hij hun schuld, Hun zonden bestraffen!
9Ils sont plongés dans la corruption, comme aux jours de Guibea; L’Éternel se souviendra de leur iniquité, Il punira leurs péchés.
10Als druiven in de woestijn Heb Ik Israël gevonden; Als naar de eerste vrucht van een vroege vijg Omgezien naar uw vaderen. Maar zij liepen over naar Báal-Peor, Wijdden zich toe aan den schandgod, En werden even verfoeilijk Als hun innig-geliefde!
10J’ai trouvé Israël comme des raisins dans le désert, J’ai vu vos pères comme les premiers fruits d’un figuier; Mais ils sont allés vers Baal-Peor, Ils se sont consacrés à l’infâme idole, Et ils sont devenus abominables comme l’objet de leur amour.
11De glorie van Efraïm Vliegt weg als een vogel: Geen geboorte, geen schoot, Geen zwangerschap meer!
11La gloire d’Éphraïm s’envolera comme un oiseau: Plus de naissance, plus de grossesse, plus de conception.
12Waarachtig, al brengen ze kinderen groot, Ik maak ze kinderloos, zonder bevolking. Maar wee ook hunzelf, Als Ik Mij van hen terugtrek!
12S’ils élèvent leurs enfants, Je les en priverai avant qu’ils soient des hommes; Et malheur à eux, quand je les abandonnerai!
13Zoals Ik herten haar jongen Tot jachtwild zie werpen, Zo zal Israël zijn zonen Ter slachting verwekken.
13Éphraïm, aussi loin que portent mes regards du côté de Tyr, Est planté dans un lieu agréable; Mais Éphraïm mènera ses enfants vers celui qui les tuera.
14Vergeld het hun, Jahweh! Wat zult Gij hun geven? Geef hun een onvruchtbare schoot, Verdroogde borsten.
14Donne-leur, ô Éternel!… Que leur donneras-tu?… Donne-leur un sein qui avorte et des mamelles desséchées!
15Al hun zonden liggen in Gilgal opgestapeld: Daar leerde Ik ze haten. Om de boosheid van hun werken verdrijf Ik ze uit mijn huis: Nooit meer heb Ik ze lief!
15Toute leur méchanceté se montre à Guilgal; C’est là que je les ai pris en aversion. A cause de la malice de leurs œuvres, Je les chasserai de ma maison. Je ne les aimerai plus; Tous leurs chefs sont des rebelles.
16Efraïm getroffen, zijn wortel verdroogd, Geen vrucht zal het dragen; En al zouden zij kinderen baren, Ik vermoord de kostelijke vrucht van hun schoot.
16Éphraïm est frappé, sa racine est devenue sèche; Ils ne porteront plus de fruit; Et s’ils ont des enfants, Je ferai périr les objets de leur tendresse.
17God zal ze verwerpen, Omdat zij niet naar Hem wilden horen; Onder de volken zullen zij zwerven Al hun vorsten zullen vergaan!
17Mon Dieu les rejettera, parce qu’ils ne l’ont pas écouté, Et ils seront errants parmi les nations.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.