Haggai
Chapter 2

Haggai

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1In de zevende maand, de een en twintigste dag van de maand, werd het woord van Jahweh door den profeet Aggeüs verkondigd!
1Dne dvadcátého čtvrtého, měsíce šestého, léta druhého Daria krále.
2Spreek tot Zorobabel, den zoon van Salatiël en landvoogd van Juda, tot Jehosjóea, den hogepriester en zoon van Jehosadak, en tot al het overige volk:
2Měsíce sedmého, dvadcátého prvního dne téhož měsíce, stalo se slovo Hospodinovo skrze Aggea proroka, řkoucí:
3Wie is er nog onder u, die dit huis in zijn vroegere glorie heeft aanschouwd; en hoe ziet ge het nu? Is het niet in vergelijking daarmee als niets in uw ogen?
3Mluv nyní k Zorobábelovi synu Salatielovu, knížeti Judskému, a Jozue synu Jozadakovu, knězi nejvyššímu, i k ostatkům lidu, řka:
4En toch, houd moed, Zorobabel, is de godsspraak van Jahweh; houd moed, Jehosjóea, hogepriester en zoon van Jehosadak; houdt moed, gij allen, volk van het land, is de godsspraak van Jahweh! Werkt voort, want Ik blijf met u, is de godsspraak van Jahweh der heirscharen!
4Kdo jest mezi vámi pozůstalý, ješto viděl dům ten v slávě jeho první? A jaký vy jej nyní vidíte? Zdaliž není proti onomu jako nic před očima vašima?
5Ik heb u beloofd bij uw uittocht uit Egypte: Mijn geest blijft in uw midden; ge behoeft niet te vrezen!
5A však nyní posilň se Zorobábeli, praví Hospodin, posilň se i Jozue synu Jozadakův, kněže nejvyšší, a posilň se všecken lide země této, praví Hospodin, a dodělejte; nebo já s vámi jsem, praví Hospodin zástupů,
6Want zo spreekt Jahweh der heirscharen: Nog eenmaal, binnen korte tijd, Zal Ik de hemel en aarde beroeren, De zee en het droge;
6Podlé slova, jímž jsem smlouvu učinil s vámi, když jste vycházeli z Egypta. Duch také můj stane u prostřed vás, nebojtež se.
7Ik zal alle volken beroeren, En de schatten van alle volken komen hierheen. Ik zal dit huis met glorie vervullen, Is de godsspraak van Jahweh der heirscharen.
7Nebo takto praví Hospodin zástupů: Po malém času, aj, já ještě jednou pohnu nebem i zemí, a mořem i suchostí.
8Van Mij is het zilver, Van Mij is het goud: Is de godsspraak van Jahweh der heirscharen!
8Pohnu, pravím, všemi národy, a přijdou k Žádoucímu všechněm národům, i naplním dům tento slávou, praví Hospodin zástupů.
9De glorie van dit tweede huis Zal groter zijn dan die van het eerste, Spreekt Jahweh der heirscharen: In deze plaats zal Ik vrede geven, Is de godsspraak van Jahweh der heirscharen!
9Méť jest stříbro a mé jest zlato, praví Hospodin zástupů.
10Op de vier en twintigste dag van de negende maand, in het tweede jaar van Darius, werd het woord van Jahweh door den profeet Aggeus verkondigd:
10Větší bude sláva domu tohoto posledního, než onoho prvního, praví Hospodin zástupů; nebo na tomto místě způsobím pokoj, praví Hospodin zástupů.
11Zo spreekt Jahweh der heirscharen! Vraag aan de priesters een uitspraak:
11Dvadcátého čtvrtého dne, devátého měsíce, léta druhého Daria, stalo se slovo Hospodinovo skrze Aggea proroka, řkoucí:
12Wanneer iemand heilig vlees in de slip van zijn mantel draagt, en met die slip brood, moes, wijn, olie of een andere spijs aanraakt: zal dit dan worden geheiligd? De priesters gaven ten antwoord: Neen!
12Takto praví Hospodin zástupů: Vzeptej se nyní kněží na zákon, řka:
13Aggeus vervolgde: Maar zo hij zich aan een lijk heeft verontreinigd, en een van die dingen aanraakt: is het dan onrein? De priesters antwoordden: Dan is het onrein!
13Ej, kdyby někdo nesl maso svaté v křídle sukně své, aneb dotkl by se křídlem svým chleba, neb vaření, neb vína, neb oleje, neb jakéžkoli krmě, zdali bude posvěcen? I odpověděli kněží a řekli: Nikoli.
14Toen hernam Aggeus: Zo is het ook met dit volk, zo is het ook met deze natie in hun verhouding tot Mij, is de godsspraak van Jahweh; al wat zij doen, zelfs wat zij offeren, is onrein!
14Tedy řekl Aggeus: Jestliže někdo jsa nečistý od těla mrtvého, dotkl by se něčeho z těch věcí, bude-li nečisté? I odpověděli kněží a řekli: Nečisté bude.
15Welnu, let dan eens op, wat er vóór deze dag is gebeurd, eer de ene steen op de andere gelegd werd in de tempel van Jahweh!
15Tedy odpovídaje Aggeus, řekl: Tak lid tento a tak národ tento před tváří mou, praví Hospodin, a tak všecko dílo rukou jejich, i cožkoli obětovali tam, nečisté bylo.
16Hoe ging het u toen? Dan kwam men bij een korenhoop van twintig maten, en men vond er slechts tien; en men ging naar de perskuip om er vijftig vaten uit te scheppen, en er waren er twintig.
16Nyní tedy přiložte medle srdce své od tohoto dne až do onoho, jakž přestal kladen býti kámen na kameni v domě Hospodinově,
17Ik heb u met brand en meeldauw geslagen, en al uw produkten met hagel; maar ge hebt u niet tot Mij bekeerd, is de godsspraak van Jahweh!
17Od toho času, když přišel někdo k hromadě dvadcíti, bylo jen deset; když přišel k kádi, aby nabral padesáte z presu, bylo jen dvadcet.
18Let toch eens op, wat er vóór deze dag is geschied: vóór de vier en twintigste dag van de negende maand, sinds de dag, waarop de grondslag van de tempel van Jahweh gelegd is!
18Bil jsem vás suchem a rzí, i krupobitím všecko dílo rukou vašich, však žádný z vás neobrátil se ke mně, praví Hospodin.
19En ziet nu eens toe: Is er nu nog zaad in de schuur? Beginnen de wijnstok en vijg, de granaat en olijf niet te dragen? Van deze dag af zegen Ik u!
19Přiložte již srdce své od tohoto dne až do onoho, ode dne dvadcátého čtvrtého, měsíce devátého, až do dne, v kterémž založen byl chrám Hospodinův, (přiložte srdce své).
20Het woord van Jahweh werd op de vier en twintigste dag van de maand een tweede maal tot Aggeus gericht:
20Zdali již jest semeno v obilnici? Anobrž ani vinný kmen, ani fík, ani strom jablek zrnatých, ani strom olivový nevydal ovoce. Od tohoto dne požehnám.
21Spreek tot Zorobabel, den landvoogd van Juda! Ik zal de hemel en aarde beroeren:
21Potom stalo se slovo Hospodinovo po druhé k Aggeovi, dvadcátého čtvrtého dne téhož měsíce, řkoucí:
22Koningstronen werp Ik omver, En verniel de kracht der heidense rijken. Ik werp de wagens omver, met die erop rijden; Paarden en ruiters storten neer, De een door het zwaard van den ander!
22Mluv k Zorobábelovi knížeti Judskému, řka: Já pohnu nebem i zemí,
23Op die dag, is de godsspraak van Jahweh der heirscharen, Neem Ik u, Zorobabel, zoon van Salatiël, Mijn dienaar, is de godsspraak van Jahweh, En draag u als een zegelring: Want u heb Ik uitverkoren, Is de godsspraak van Jahweh der heirscharen!
23A podvrátím stolici království, a zkazím sílu království pohanských; podvrátím, pravím, vůz i ty, kteříž na něm jezdí, a sejdou koni i jezdci jejich jeden každý od meče bratra svého.
no verse 24 in this text
24V ten den, praví Hospodin zástupů, vezmu tebe, Zorobábeli synu Salatielův, služebníče můj, praví Hospodin, a učiním tě jako pečetní prsten; nebo jsem tě vyvolil, praví Hospodin zástupů.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.