Genesis 25
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Abraham had nog een andere vrouw genomen, Ketoera geheten.
1ΠΡΟΣΘΕΜΕΝΟΣ δὲ Ἁβραὰμ ἔλαβε γυναῖκα, ἧ ὄνομα Χεττούρα.
2Zij baarde hem Zimran, Joksjan, Medan, Midjan, Jisjbak en Sjóeach.
2ἔτεκε δὲ αὐτῷ τὸν Ζομβρᾶν καὶ τὸν Ἰεζὰν καὶ τὸν Μαδὰλ καὶ τὸν Μαδιὰμ καὶ τὸν Ἰεσβὼκ καὶ τὸν Σωκέ.
3Joksjan verwekte Sjeba en Dedan. De zonen van Dedan waren de Assjoerieten, de Letoesjieten en de Leoemmieten.
3Ιεζὰν δὲ ἐγέννησε καὶ τὸν Θαιμὰν τὸν Σαβὰ καὶ τὸν Δεδάν· υἱοὶ δὲ Δεδὰν ἐγένοντο Ραγουὴλ καὶ Ναβδεὴλ καὶ Ἀσσουριεὶμ καὶ Λατουσιεὶμ καὶ Λαωμείμ.
4De zonen van Midjan waren Efa, Efer, Chanok, Abida en Eldaä. Dat waren allen nakomelingen van Ketoera.
4υἱοὶ δὲ Μαδιὰμ Γεφὰρ καὶ Ἀφεὶρ καὶ Ἐνὼχ καὶ Ἀβειρὰ καὶ Ἐλδαγά. πάντες οὗτοι ἦσαν υἱοὶ Χεττούρας.
5Abraham gaf alles, wat hij bezat aan Isaäk.
5Ἔδωκε δὲ Ἁβραὰμ πάντα τὰ ὑπάρχοντα αὐτοῦ Ἰσαὰκ τῷ υἱῷ αὐτοῦ,
6Aan de zonen van zijn bijvrouwen gaf Abraham geschenken, en zond ze nog tijdens zijn leven weg, uit de omgeving van zijn zoon Isaäk naar de overkant, het land van het oosten.
6καὶ τοῖς υἱοῖς τῶν παλλακῶν αὐτοῦ ἔδωκεν Ἁβραὰμ δόματα καὶ ἐξαπέστειλεν αὐτοὺς ἀπὸ Ἰσαὰκ τοῦ υἱοῦ αὐτοῦ, ἔτι ζῶντος αὐτοῦ, πρὸς ἀνατολὰς εἰς γῆν ἀνατολῶν.
7Dit is het getal van Abrahams levensjaren; honderd vijf en zeventig jaar.
7ταῦτα δὲ τὰ ἔτη ἡμερῶν τῆς ζωῆς Ἁβραὰμ ὅσα ἔζησεν, ἑκατὸν ἑβδομηκονταπέντε ἔτη.
8Op hoge leeftijd is Abraham ontslapen; oud en afgeleefd is hij gestorven, en werd hij bij zijn volk verzameld.
8καὶ ἐκλείπων ἀπέθανεν Ἁβραὰμ ἐν γήρᾳ καλῷ πρεσβύτης καὶ πλήρης ἡμερῶν καὶ προσετέθη πρὸς τὸν λαὸν αὐτοῦ.
9Zijn zonen Isaäk en Jisjmaël begroeven hem in de grot van Makpela, die ten oosten van Mamre ligt, op de akker van Efron, den zoon van Sóchar, den Chittiet.
9καὶ ἔθαψαν αὐτὸν Ἰσαὰκ καὶ Ἰσμαὴλ οἱ υἱοὶ αὐτοῦ εἰς τὸ σπήλαιον τὸ διπλοῦν, εἰς τὸν ἀγρὸν Ἐφρὼν τοῦ Σαὰρ τοῦ Χετταίου, ὅς ἐστιν ἀπέναντι Μαμβρῆ,
10Het was de akker, die Abraham van de Chittieten gekocht had. Daar liggen Abraham en zijn vrouw Sara begraven.
10τὸν ἀγρὸν καὶ τὸ σπήλαιον, ὃ ἐκτήσατο Ἁβραὰμ παρὰ τῶν υἱῶν τοῦ Χέτ, ἐκεῖ ἔθαψαν Ἁβραὰμ καὶ Σάρραν τὴν γυναῖκα αὐτοῦ.
11Toen Abraham gestorven was, zegende God zijn zoon Isaäk. Isaäk bleef wonen bij de bron van Lachai-Roï.
11ἐγένετο δὲ μετὰ τὸ ἀποθανεῖν Ἁβραάμ, εὐλόγησεν ὁ Θεὸς τὸν Ἰσαὰκ υἱὸν αὐτοῦ· καὶ κατῴκησεν Ἰσαὰκ παρὰ τὸ φρέαρ τῆς ὁράσεως.
12Dit is de geslachtslijst van Jisjmaël, den zoon van Abraham, dien Hagar, de egyptische slavin van Sara, Abraham gebaard heeft.
12Αὗται δέ αἱ γενέσεις Ἰσμαὴλ τοῦ υἱοῦ Ἁβραάμ, ὃν ἔτεκεν Ἄγαρ ἡ Αἰγυπτία ἡ παιδίσκη Σάρρας τῷ Ἁβραάμ.
13Dit zijn de namen van Jisjmaëls zonen volgens de naam van hun geslacht. De eerstgeborene van Jisjmaël was Nebajot; verder Kedar, Adbeël en Mibsam,
13καὶ ταῦτα τὰ ὀνόματα τῶν υἱῶν Ἰσμαὴλ κατ᾿ ὀνόματα τῶν γενεῶν αὐτοῦ· πρωτότοκος Ἰσμαὴλ Ναβαιώθ, καὶ Κηδὰρ καὶ Ναβδεὴλ καὶ Μασσὰμ
14Misjma, Doema en Massa,
14καὶ Μασμὰ καὶ Δουμὰ καὶ Μασσῆ
15Chadad, Tema, Jetoer, Nafisj en Kédma.
15καὶ Χοδδὰν καὶ Θαιμὰν καὶ Ἰετοὺρ καὶ Ναφὲς καὶ Κεδμά.
16Dit zijn de zonen van Jisjmaël, en dat zijn hun namen naar hun nederzettingen en kampementen: twaalf vorsten overeenkomstig het getal van hun stammen.
16οὗτοί εἰσιν οἱ υἱοὶ Ἰσμαὴλ καὶ ταῦτα τὰ ὀνόματα αὐτῶν ἐν ταῖς σκηναῖς αὐτῶν καὶ ἐν ταῖς ἐπαύλεσιν αὐτῶν· δώδεκα ἄρχοντες κατὰ ἔθνη αὐτῶν.
17De levensjaren van Jisjmaël bedroegen honderd zeven en dertig jaar. Toen ontsliep hij en stierf, en werd bij zijn volk verzameld.
17καὶ ταῦτα τὰ ἔτη τῆς ζωῆς Ἰσμαήλ· ἑκατὸν τριακονταεπτὰ ἔτη· καὶ ἐκλείπων ἀπέθανε καὶ προσετέθη πρὸς τὸ γένος αὐτοῦ.
18Hij woonde van Chawila tot Sjoer, dat tegenover Egypte ligt, en tot Assjoer toe, verwijderd van al zijn broeders.
18κατῴκησε δὲ ἀπὸ Εὐϊλὰτ ἕως Σούρ, ἥ ἐστι κατὰ πρόσωπον Αἰγύπτου, ἕως ἐλθεῖν πρὸς Ἀσσυρίους· κατὰ πρόσωπον πάντων τῶν ἀδελφῶν αὐτοῦ κατῴκησε.
19Dit is de geslachtslijst van Isaäk, den zoon van Abraham. Abraham verwekte Isaäk.
19Καὶ αὗται αἱ γενέσεις Ἰσαὰκ τοῦ υἱοῦ Ἁβραάμ·
20Toen Isaäk veertig jaar oud was, huwde hij Rebekka, de dochter van Betoeël, den Arameër van Paddan-Aram, en zuster van den Arameër Laban.
20Ἁβραὰμ ἐγέννησε τὸν Ἰσαάκ. ἦν δὲ Ἰσαὰκ ἐτῶν τεσσαράκοντα, ὅτε ἔλαβε τὴν Ρεβέκκαν θυγατέρα Βαθουὴλ τοῦ Σύρου ἐκ τῆς Μεσοποταμίας Συρίας, ἀδελφὴν Λάβαν τοῦ Σύρου, ἑαυτῷ εἰς γυναῖκα.
21Omdat zijn vrouw onvruchtbaar bleef, bad Isaäk tot Jahweh voor haar; en Jahweh verhoorde hem, zodat zijn vrouw Rebekka zwanger werd.
21ἐδέετο δὲ Ἰσαὰκ Κυρίου περὶ Ρεβέκκας τῆς γυναικὸς αὐτοῦ, ὅτι στεῖρα ἦν· ἐπήκουσε δὲ αὐτοῦ ὁ Θεός, καὶ συνέλαβεν ἐν γαστρὶ Ρεβέκκα ἡ γυνὴ αὐτοῦ.
22Maar toen de kinderen in haar schoot tegen elkaar opdrongen, zeide zij: Als dit zo moet gaan, waarom blijf ik dan in leven! Daarom ging zij Jahweh raadplegen.
22ἐσκίρτων δὲ τὰ παιδία ἐν αὐτῇ· εἶπε δέ, εἰ οὕτω μοι μέλλει γίνεσθαι, ἵνα τί μοι τοῦτο; ἐπορεύθη δὲ πυθέσθαι παρὰ Κυρίου.
23En Jahweh sprak tot haar: Twee volken draagt gij in uw schoot, Twee naties gaan uiteen van uw moederlijf af. De ene natie zal machtiger zijn dan de andere, De oudste zal de jongste dienen.
23καὶ εἶπε Κύριος αὐτῇ· δύο ἔθνη ἐν γαστρί σου εἰσί, καὶ δύο λαοὶ ἐκ τῆς κοιλίας σου διασταλήσονται· καὶ λαὸς λαοῦ ὑπερέξει, καὶ ὁ μείζων δουλεύσει τῷ ἐλάσσονι.
24Toen het ogenblik was aangebroken, waarop zij moest baren, was er inderdaad een tweeling in haar schoot.
24καὶ ἐπληρώθησαν αἱ ἡμέραι τοῦ τεκεῖν αὐτήν, καὶ τῇδε ἦν δίδυμα ἐν τῇ κοιλίᾳ αὐτῆς.
25De eerste, die te voorschijn kwam, was rossig en helemaal als in een pels gewikkeld; men noemde hem Esau.
25ἐξῆλθε δὲ ὁ πρωτότοκος πυρράκης, ὅλος ὡσεὶ δορὰ δασύς· ἐπωνόμασε δὲ τὸ ὄνομα αὐτοῦ Ἡσαῦ.
26Daarna kwam zijn broertje, die met zijn hand de hiel van Esau vasthield; daarom noemde men hem Jakob. Isaäk was zestig jaar oud, toen hij hen verwekte.
26καὶ μετὰ τοῦτο ἐξῆλθεν ὁ ἀδελφὸς αὐτοῦ, καὶ ἡ χεὶρ αὐτοῦ ἐπειλημμένη τῆς πτέρνης Ἡσαῦ· καὶ ἐκάλεσε τὸ ὄνομα αὐτοῦ Ἰακώβ. Ἰσαὰκ δὲ ἦν ἐτῶν ἑξήκοντα, ὅτε ἔτεκεν αὐτοὺς Ρεβέκκα.
27Toen de jongens groot waren geworden, werd Esau een behendig jager, een buitenmens; maar Jakob was een rustig man, die in tenten verbleef.
27Ηὐξήθησαν δὲ οἱ νεανίσκοι, καὶ ἦν Ἡσαῦ ἄνθρωπος εἰδὼς κυνηγεῖν, ἄγροικος, Ἰακὼβ δὲ ἄνθρωπος ἄπλαστος, οἰκῶν οἰκίαν.
28Isaäk hield van Esau, omdat zijn wild hem smaakte; maar Rebekka beminde Jakob.
28ἠγάπησε δὲ Ἰσαὰκ τὸν Ἡσαῦ, ὅτι ἡ θήρα αὐτοῦ βρῶσις αὐτῷ· Ρεβέκκα δὲ ἠγάπα τὸν Ἰακώβ.
29Eens was Jakob een gerecht aan het koken, toen Esau moe uit het veld thuiskwam.
29ἥψησε δὲ Ἰακὼβ ἕψημα· ἦλθε δὲ Ἡσαῦ ἐκ τοῦ πεδίου ἐκλείπων,
30En Esau zeide tot Jakob: Laat me eens gauw eten van dat rode kooksel daar; want ik ben uitgeput. Daarom werd hij ook Edom genoemd.
30καὶ εἶπεν Ἡσαῦ τῷ Ἰακώβ· γεῦσόν με ἀπὸ τοῦ ἑψήματος τοῦ πυρροῦ τούτου, ὅτι ἐκλείπω. διὰ τοῦτο ἐκλήθη τὸ ὄνομα αὐτοῦ Ἐδώμ.
31Jakob antwoordde: Verkoop me dan eerst uw eerstgeboorterecht.
31εἶπε δὲ Ἰακὼβ τῷ Ἡσαῦ· ἀπόδου μοι σήμερον τὰ πρωτοτόκιά σου ἐμοί.
32Esau hernam: Wel, ik ga toch dood; wat heb ik dan aan een eerstgeboorterecht.
32καὶ εἶπεν Ἡσαῦ· ἰδοὺ ἐγὼ πορεύομαι τελευτᾶν, καὶ ἵνα τί μοι ταῦτα τὰ πρωτοτόκια;
33Jakob sprak: Zweer het mij eerst! En hij zwoer het hem. Zo verkocht hij aan Jakob zijn eerstgeboorterecht.
33καὶ εἶπεν αὐτῷ Ἰακώβ· ὄμοσόν μοι σήμερον. καὶ ὤμοσεν αὐτῷ· ἀπέδοτο δὲ Ἡσαῦ τὰ πρωτοτόκια τῷ Ἰακώβ.
34Toen gaf Jakob aan Esau brood met het linzenmoes. Deze at en dronk, stond op en ging heen. Zo weinig telde Esau het eerstgeboorterecht.
34Ἰακὼβ δὲ ἔδωκε τῷ Ἡσαῦ ἄρτον καὶ ἕψημα φακοῦ, καὶ ἔφαγε καὶ ἔπιε καὶ ἀναστὰς ᾤχετο· καὶ ἐφαύλισεν Ἡσαῦ τὰ πρωτοτόκια.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.