Ezechiel
Chapter 42
Petrus Canisius Bible, 1…
vs JPS Tanakh (Jewish…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Vervolgens bracht hij mij naar buiten, naar de noordkant van de binnen-voorhof, en leidde mij naar de zalenbouw, die ten noorden van het plein en het bijgebouw lag.
1Then he brought me forth into the outer court, the way toward the north; and he brought me into the chamber that was over against the separate place, and which was over against the building, toward the north,
2De lengte ervan bedroeg aan de noordkant honderd el, en de breedte vijftig el;
2even to the front of the length of a hundred cubits, with the door on the north, and the breadth of fifty cubits,
3op de ene kant lag het aan het twintig el brede plein van de binnen-voorhof, en op de andere kant aan het plaveisel van de buiten-voorhof. Het had aan weerskanten een galerij van drie verdiepingen.
3over against the twenty cubits which belonged to the inner court, and over against the pavement which belonged to the outer court; with gallery against gallery in three stories.
4Aan de binnenkant liep een gang vóór de zalen, van tien el breedte en honderd el lengte. De deuren lagen op het noorden.
4And before the chambers was a walk of ten cubits breadth inward, a way of one cubit; and their doors were toward the north.
5De bovenste zalen waren smaller, omdat de galerijen daarvan meer ruimte afnamen dan van de benedenste en de middelste zalen van het gebouw.
5Now the upper chambers were shorter; for the galleries took away from these, more than from the lower and the middlemost, in the building.
6Want ze lagen in drie verdiepingen; en omdat ze geen zuilen hadden, zoals de zalen van de buiten-voorhof, waren de bovenste smaller dan de benedenste en de middelste van het gebouw.
6For they were in three stories, and they had not pillars as the pillars of the courts; therefore room was taken away from the lowest and the middlemost, in comparison with the ground.
7Buiten het gebouw, aan de voorkant van de zalenbouw, stond er een muur, die evenwijdig liep met de zalenbouw, in de richting van de buiten-voorhof. Hij was vijftig el lang.
7And the wall that was without by the side of the chambers, toward the outer court in front of the chambers, the length thereof was fifty cubits.
8Want de breedte van de zalenbouw, in de richting van de buiten-voorhof, bedroeg vijftig el, terwijl de zalenbouw tegenover de tempel honderd el lang was.
8For the length of the chambers that were toward the outer court was fifty cubits; and, lo, before the temple were a hundred cubits.
9Onder in de zalenbouw was aan de oostkant, tegenover de muur, een deur voor hen, die van de binnen-voorhof kwamen.
9And from under these chambers was the entry on the east side, as one goeth into them from the outer court.
10Daarna bracht hij mij naar de zuidkant van de tempel en ook daar zag ik een zalenbouw aan de overzijde van het plein, en tegenover het bijgebouw.
10In the breadth of the wall of the court toward the east, before the separate place, and before the building, there were chambers,
11Er liep een gang voor, en hij had dezelfde lengte en breedte, dezelfde uitgangen, inrichting en deuren.
11with a way before them; like the appearance of the chambers which were toward the north, as long as they, and as broad as they, with all their goings out, and according to their fashions; and as their doors,
12Ook onder in de zalenbouw, die zuidwaarts lag, was er bij het begin van de muur, die in de richting van de buiten-voorhof liep, een deur voor hen, die van het oosten kwamen.
12so were also the doors of the chambers that were toward the south, there was a door in the head of the way, even the way directly before the wall, toward the way from the east, as one entereth into them.
13Hij sprak tot mij: De noordelijke zalen en de zuidelijke zalen, die op het plein liggen, zijn de heilige zalen, waar de priesters, die tot Jahweh mogen naderen, het hoogheilige eten; daar moeten ze ook het hoogheilige, het dankoffer, het zonde-offer en het schuldoffer neerleggen, omdat die plaats heilig is.
13Then said he unto me: 'The north chambers and the south chambers, which are before the separate place, they are the holy chambers, where the priests that are near unto the LORD shall eat the most holy things; there shall they lay the most holy things, and the meal-offering, and the sin-offering, and the guilt-offering; for the place is holy.
14Komen de priesters daar, dan mogen ze niet uit het heilige naar de buiten-voorhof gaan, maar moeten ze daar hun dienstgewaden neerleggen, want die zijn heilig. Ze moeten andere gewaden aantrekken: dan eerst mogen ze op de plaats komen, die voor het volk is bestemd
14When the priests enter in, then shall they not go out of the holy place into the outer court, but there they shall lay their garments wherein they minister, for they are holy; and they shall put on other garments, and shall approach to that which pertaineth to the people.'
15Toen hij klaar was met het opmeten van de binnenbouw, bracht hij mij door de poort, die op het oosten ligt, naar buiten, en mat de ringmuur op.
15Now when he had made an end of measuring the inner house, he brought me forth by the way of the gate whose prospect is toward the east, and measured it round about.
16Hij mat met de duimstok de oostkant: vijf honderd roeden aan de duimstok. Toen wendde hij zich naar de noordkant,
16He measured the east side with the measuring reed, five hundred reeds, with the measuring reed round about.
17en mat die: vijf honderd roeden aan de duimstok. Vervolgens wendde hij zich om naar de zuidkant,
17He measured the north side, five hundred reeds, with the measuring reed round about.
18en mat die: vijfhonderd roeden aan de duimstok.
18He measured the south side, five hundred reeds, with the measuring reed.
19Tenslotte wendde hij zich naar de westkant en mat die: vijfhonderd roeden aan de duimstok.
19He turned about to the west side, and measured five hundred reeds with the measuring reed.
20Aan vier zijden mat hij hem op: de ringmuur, die het heilige van het profane scheidde, was vijfhonderd el lang en vijfhonderd el breed.
20He measured it by the four sides; it had a wall round about, the length five hundred, and the breadth five hundred, to make a separation between that which was holy and that which was common.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.