Handelingen
Chapter 7
Petrus Canisius Bible, 1…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Old Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Berean Standard Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Berean Standard Bible
1De hogepriester vroeg, of het waar was.
1Then the high priest asked Stephen, “Are these charges true?”
2Toen nam hij het woord Mannen, broeders en vaders, luistert. De God van Majesteit verscheen aan onzen vader Abraham, toen hij nog in Mesopotámië woonde, en eer hij zich in Charán vestigde.
2And Stephen declared: “Brothers and fathers, listen to me! The God of glory appeared to our father Abraham while he was still in Mesopotamia, before he lived in Haran,
3En Hij sprak tot hem: Verlaat uw land en uw familie, en ga naar het land, dat Ik u zal tonen.
3and told him, ‘Leave your country and your kindred and go to the land I will show you.’
4Toen vertrok hij uit het land der Chaldeën, en vestigde zich te Charán. En van daar deed Hij hem, na de dood van zijn vader, naar dit land verhuizen, dat gij nu bewoont.
4So Abraham left the land of the Chaldeans and settled in Haran. After his father died, God brought him out of that place and into this land where you are now living.
5Wel gaf Hij hem geen enkel erfdeel, geen voetbreed zelfs; maar Hij beloofde, het in bezit te geven aan hem en aan zijn geslacht na hem, hoewel hij geen kind had.
5He gave him no inheritance here, not even a foot of ground. But God promised to give possession of the land to Abraham and his descendants, even though he did not yet have a child.
6Nog zeide hem God dat zijn kinderen als ballingen zouden wonen in een vreemd land, en dat men ze tot slaven zou maken en mishandelen, vierhonderd jaar lang.
6God told him that his descendants would be foreigners in a strange land, and that they would be enslaved and mistreated four hundred years.
7Maar het volk, wiens slaven ze zullen zijn, zal Ik oordelen, sprak God. Daarna zullen ze uittrekken, en Mij in deze plaats dienen.
7‘But I will punish the nation that enslaves them,’ God said, ‘and afterward they will come forth and worship Me in this place.’
8Ook gaf Hij hem het Verbond der besnijdenis. Toen kreeg hij Isaäk, en besneed hem op de achtste dag; en Isaäk kreeg Jakob, en Jakob de twaalf aartsvaders.
8Then God gave Abraham the covenant of circumcision, and Abraham became the father of Isaac and circumcised him on the eighth day. And Isaac became the father of Jacob, and Jacob of the twelve patriarchs.
9En de aartsvaders waren jaloers op Josef, en verkochten hem naar Egypte. Maar God was met hem,
9Because the patriarchs were jealous of Joseph, they sold him as a slave into Egypt. But God was with him
10en verloste hem uit al zijn ellende; Hij schonk hem gunst en wijsheid bij Fárao, den koning van Egypte, en deze stelde hem aan tot bestuurder van Egypte en van heel zijn huis.
10and rescued him from all his troubles. He granted Joseph favor and wisdom in the sight of Pharaoh king of Egypt, who appointed him ruler over Egypt and all his household.
11Toen kwam er hongersnood over heel Egypte en Kánaän, en grote ellende; en onze vaders vonden geen voedsel meer.
11Then famine and great suffering swept across Egypt and Canaan, and our fathers could not find food.
12Toen Jakob vernam, dat er graan was in Egypte, zond hij onze vaders er heen, een eerste maal.
12When Jacob heard that there was grain in Egypt, he sent our fathers on their first visit.
13En de tweede maal maakte Josef zich aan zijn broers bekend, en ook Fárao leerde Josefs afkomst kennen.
13On their second visit, Joseph revealed his identity to his brothers, and his family became known to Pharaoh.
14Nu liet Josef zijn vader Jakob ontbieden, met heel zijn familie. die uit vijf en zeventig mensen bestond.
14Then Joseph sent for his father Jacob and all his relatives, seventy-five in all.
15Jakob zakte af naar Egypte, en daar stierven hij en onze vaders.
15So Jacob went down to Egypt, where he and our fathers died.
16Ze werden naar Sikem overgebracht en bijgezet in het graf, dat Abraham voor geld had gekocht van de zonen van Hemor in Sikem.
16Their bones were carried back to Shechem and placed in the tomb that Abraham had bought from the sons of Hamor at Shechem for a price he paid in silver.
17Toen de tijd der belofte begon te naderen, die God aan Abraham had gedaan, nam het volk in aantal toe, en werd het talrijk in Egypte,
17As the time drew near for God to fulfill His promise to Abraham, our people in Egypt increased greatly in number.
18totdat er in Egypte een andere koning kwam, die Josef niet had gekend.
18Then another king, who knew nothing of Joseph, arose over Egypt.
19Deze, een arglistig belager van ons geslacht, mishandelde onze vaders, door ze te dwingen, hun kinderen weg te werpen, en uit te sterven.
19He exploited our people and oppressed our fathers, forcing them to abandon their infants so they would die.
20In die tijd werd Moses geboren, en hij was welgevallig aan God. Drie maanden lang werd hij in het huis van zijn vader verzorgd.
20At that time Moses was born, and he was beautiful in the sight of God. For three months he was nurtured in his father’s house.
21En toen men hem te vondeling legde, nam de dochter van Fárao hem aan, en voedde hem op als haar eigen zoon.
21When he was set outside, Pharaoh’s daughter took him and brought him up as her own son.
22Nu werd Moses onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en hij werd machtig in woorden en daden.
22So Moses was educated in all the wisdom of the Egyptians and was powerful in speech and action.
23Toen hij veertig jaar was geworden, kwam het op in zijn hart, zich het lot van zijn broeders, de zonen Israëls, aan te trekken.
23When Moses was forty years old, he decided to visit his brothers, the children of Israel.
24En toen hij zag, dat een van hen werd mishandeld nam hij zijn verdediging op, en wreekte den mishandelde, door den Egyptenaar neer te slaan.
24And when he saw one of them being mistreated, Moses went to his defense and avenged him by striking down the Egyptian who was oppressing him.
25Nu meende hij, dat de broeders zouden begrijpen, dat God hun redding bracht door zijn hand; maar ze begrepen het niet.
25He assumed his brothers would understand that God was using him to deliver them, but they did not.
26Want de volgende dag kwam hij bij een twist tussenbeide, trachtte de twistenden tot vrede te brengen, en sprak: “Mannen, gij zijt broeders: Waarom doet gij elkander onrecht?”
26The next day he came upon two Israelites who were fighting, and he tried to reconcile them, saying, ‘Men, you are brothers. Why are you mistreating each other?’
27Maar hij, die den ander onrecht deed, wees hem af, en zeide: “Wie heeft u tot hoofd en rechter over ons gesteld?
27But the man who was abusing his neighbor pushed Moses aside and said, ‘Who made you ruler and judge over us?
28Wilt ge ook mij doden, zoals ge gisteren den Egyptenaar hebt gedood?”
28Do you want to kill me as you killed the Egyptian yesterday?’
29Hierop nam Moses de vlucht, en woonde als balling in het land van Midjan, waar hij twee zonen kreeg.
29At this remark, Moses fled to the land of Midian, where he lived as a foreigner and had two sons.
30Veertig jaar later verscheen hem in de woestijn van de berg Sinaï een engel in de vlam van een brandend braambos
30After forty years had passed, an angel appeared to Moses in the flames of a burning bush in the desert near Mount Sinai.
31Bij het zien der verschijning stond Moses verbaasd; en toen hij nader trad, om scherper toe te zien, klonk hem de stem des Heren tegen:
31When Moses saw it, he marveled at the sight. As he approached to look more closely, the voice of the Lord came to him:
32“Ik ben de God uwer vaderen, de God van Abraham, van Isaäk en Jakob.” Sidderend van angst, durfde Moses niet langer toe te zien.
32‘I am the God of your fathers, the God of Abraham, Isaac, and Jacob.’ Moses trembled with fear and did not dare to look.
33En de Heer sprak tot hem: “Doe de schoenen van uw voeten; want de plaats, waar ge staat, is heilige grond.
33Then the Lord said to him, ‘Take off your sandals, for the place where you are standing is holy ground.
34Ik heb de mishandeling van mijn volk in Egypte gezien, en zijn zuchten gehoord; en Ik ben neergedaald, om hen te verlossen. Ik zend dus u naar Egypte.”
34I have indeed seen the oppression of My people in Egypt. I have heard their groaning and have come down to deliver them. Now come, I will send you back to Egypt.’
35Dezen Moses, dien zij verloochenden, toen ze zeiden: “Wie heeft u tot heer en rechter gesteld”, hem heeft Gòd als hoofd en verlosser gezonden door middel van een engel, die hem in het braambos verscheen.
35This Moses, whom they had rejected with the words, ‘Who made you ruler and judge?’ is the one whom God sent to be their ruler and redeemer through the angel who appeared to him in the bush.
36En hij heeft ze doen uittrekken, en wonderen en tekenen verricht in het land van Egypte, aan de Rode Zee en in de woestijn, veertig jaar lang.
36He led them out and performed wonders and signs in the land of Egypt, at the Red Sea, and for forty years in the wilderness.
37Deze Moses is het, die tot de kinderen Israëls gezegd heeft “God zal voor u uit uw broeders een Profeet doen opstaan, aan mij gelijk; luistert naar hem.”
37This is the same Moses who told the Israelites, ‘God will raise up for you a prophet like me from among your brothers.’
38Deze is het, die bij de gemeente in de woestijn de middelaar was tussen onze vaderen en den engel, die op de berg Sinaï tot hem sprak; hij is het, die de woorden des levens ontving, om ze u over te brengen.
38He was in the assembly in the wilderness with the angel who spoke to him on Mount Sinai, and with our fathers. And he received living words to pass on to us.
39Maar onze vaderen wilden hem niet gehoorzamen, doch ze wezen hem af, keerden hun hart naar Egypte,
39But our fathers refused to obey him. Instead, they rejected him and in their hearts turned back to Egypt.
40en zeiden tot Aäron “Maak ons goden, die voor ons uit zullen gaan; want die Moses, die ons uit het land van Egypte deed trekken: we weten niet, wat er met hem is gebeurd”.
40They said to Aaron, ‘Make us gods who will go before us! As for this Moses who led us out of the land of Egypt, we do not know what has happened to him.’
41En ze maakten een kalf in die dagen, brachten het afgodsbeeld een offer, en verlustigden zich in hun eigen maaksel.
41At that time they made a calf and offered a sacrifice to the idol, rejoicing in the works of their hands.
42Maar God keerde Zich van hen af, en gaf ze aan de eredienst prijs van het leger des hemels zoals geschreven staat in het boek der profeten “Hebt gij Mij soms slacht- en brandoffers gebracht In de woestijn, huis van Israël, veertig jaar lang?
42But God turned away from them and gave them over to the worship of the host of heaven, as it is written in the book of the prophets: ‘Did you bring Me sacrifices and offerings forty years in the wilderness, O house of Israel?
43Of hebt gij de tent van Molok gedragen, En het sterrebeeld van Romfa: De beelden, die gij gemaakt hebt, Om u daarvoor neer te werpen? Ik voer u weg verder nog dan Bábylon.”
43You have taken along the tabernacle of Molech and the star of your god Rephan, the idols you made to worship. Therefore I will send you into exile beyond Babylon.’
44Onze vaderen hadden in de woestijn de openbaringstent naar het voorschrift van Hem, die tot Moses gezegd had, ze naar het model te maken, dat hij gezien had.
44Our fathers had the tabernacle of the Testimony with them in the wilderness. It was constructed exactly as God had directed Moses, according to the pattern he had seen.
45Onze vaderen namen haar mee, en brachten haar onder Jósuë’s geleide in het erfdeel der heidenen, die God voor het aanschijn onzer vaderen verdreef, tot aan de dagen van David.
45And our fathers who received it brought it in with Joshua when they dispossessed the nations God drove out before them. It remained until the time of David,
46Deze vond genade in het oog van God, en bad, om een woonplaats te vinden voor Jakobs God.
46who found favor in the sight of God and asked to provide a dwelling place for the God of Jacob.
47En Sálomon bouwde Hem een woning
47But it was Solomon who built the house for Him.
48Maar de Allerhoogste woont niet in wat met handen gemaakt is, zoals de profeet heeft gezegd
48However, the Most High does not dwell in houses made by human hands. As the prophet says:
49“De hemel is mijn troon, En de aarde mijn voetbank! Wat wilt gij dan een huis voor Mij bouwen, zegt de Heer, En waar is de plaats van mijn rust?
49‘Heaven is My throne and the earth is My footstool. What kind of house will you build for Me, says the Lord, or where will My place of repose be?
50Heeft niet mijn eigen hand dat alles gemaakt?”
50Has not My hand made all these things?’
51Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en van oren: altijd weerstaat gij den Heiligen Geest; gij, juist als uw vaderen.
51You stiff-necked people with uncircumcised hearts and ears! You always resist the Holy Spirit, just as your fathers did.
52Wien der profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? Zij hebben de boden gedood van de komst van den Rechtvaardige, maar gij, gij zijt zijn verraders en moordenaars geworden;
52Which of the prophets did your fathers fail to persecute? They even killed those who foretold the coming of the Righteous One. And now you are His betrayers and murderers—
53gij, die de Wet door beschikking van engelen ontvingt, maar ze niet onderhoudt.
53you who received the law ordained by angels, yet have not kept it.”
54Toen ze dit hoorden, barstten ze in woede los, en knarsetandden tegen hem.
54On hearing this, the members of the Sanhedrin were enraged, and they gnashed their teeth at him.
55Maar hij, vervuld van den Heiligen Geest, blikte op naar de hemel, en zag de heerlijkheid Gods en Jesus staande aan de rechterhand Gods.
55But Stephen, full of the Holy Spirit, looked intently into heaven and saw the glory of God and Jesus standing at the right hand of God.
56En hij sprak: Zie, ik zie de hemelen open, en den Mensenzoon staan aan de rechterhand Gods.
56“Look,” he said, “I see heaven open and the Son of Man standing at the right hand of God.”
57Maar ze schreeuwden het uit, stopten hun oren, en stormden als één man op hem los.
57At this they covered their ears, cried out in a loud voice, and rushed together at him.
58Ze wierpen hem buiten de stad, en stenigden hem. En de getuigen legden hun mantels neer voor de voeten van een jongen man, Saul geheten.
58They dragged him out of the city and began to stone him. Meanwhile the witnesses laid their garments at the feet of a young man named Saul.
59En terwijl men Stéfanus stenigde, bad hij, en sprak: Heer Jesus, ontvang mijn geest.
59While they were stoning him, Stephen appealed, “Lord Jesus, receive my spirit.”
60Dan zonk hij op zijn knieën neer, en riep met luider stem: Heer, reken hun deze zonde niet toe. Na deze woorden ontsliep hij. Ook Saul stemde in met die moord.
60Falling on his knees, he cried out in a loud voice, “Lord, do not hold this sin against them.” And when he had said this, he fell asleep.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.