2 Koningen 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1In het tweede jaar der regering van Joasj, den zoon van Joachaz, over Israël, werd Amas-ja, de zoon van Joasj, koning van Juda.
1In the second year of Joash son of Joahaz king of Israel began Amaziah the son of Joash king of Judah to reign.
2Hij was vijf en twintig jaar, toen hij koning werd, en regeerde negen en twintig jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Jehoaddin en was afkomstig uit Jerusalem.
2He was twenty and five years old when he began to reign; and he reigned twenty and nine years in Jerusalem; and his mother's name was Jehoaddan of Jerusalem.
3Hij deed wat recht was in de ogen van Jahweh, maar niet zoals zijn vader David. In alles volgde hij zijn vader Joasj na.
3And he did that which was right in the eyes of the LORD, yet not like David his father; he did according to all that Joash his father had done.
4Ook schafte hij de offerhoogten niet af, zodat het volk nog altijd op de hoogten bleef offeren en wierook branden.
4Howbeit the high places were not taken away; the people still sacrificed and offered in the high places.
5Zodra hij de koninklijke macht stevig in handen had, doodde hij zijn hovelingen, die zijn vader hadden vermoord.
5And it came to pass, as soon as the kingdom was established in his hand, that he slew his servants who had slain the king his father;
6Maar de kinderen van de moordenaars doodde hij niet, volgens het voorschrift in het wetboek van Moses, waarin Jahweh geboden heeft: Vaders mogen niet gedood worden om de schuld van hun kinderen, en kinderen niet om die van hun vaders; maar iedereen zal voor zijn eigen zonde worden gedood.
6but the children of the murderers he put not to death; according to that which is written in the book of the law of Moses, as the LORD commanded saying: 'The fathers shall not be put to death for the children, nor the children be put to death for the fathers; but every man shall be put to death for his own sin.'
7Hij versloeg de Edomieten, die tienduizend man sterk waren, in het Zoutdal. Ook veroverde hij Séla gewapenderhand; hij noemde het Jokteël, zoals het nu nog heet.
7He slew of Edom in the Valley of Salt ten thousand, and took Sela by war, and called the name of it Joktheel, unto this day.
8Daarna zond Amas-ja gezanten naar Joasj, den zoon van Joachaz, zoon van Jehoe, den koning van Israël, en liet hem zeggen: Kom, laat ons elkaar in de ogen zien.
8Then Amaziah sent messengers to Jehoash, the son of Jehoahaz son of Jehu, king of Israel, saying: 'Come, let us look one another in the face.'
9Maar Joasj, de koning van Israël, zond aan Amas-ja, den koning van Juda, dit antwoord: Een distel op de Libanon zond aan een ceder op de Libanon deze boodschap: “Geef uw dochter aan mijn zoon tot vrouw.” Intussen liep het wild gedierte van de Libanon over de distel heen, en vertrapte ze.
9And Jehoash the king of Israel sent to Amaziah king of Judah, saying: 'The thistle that was in Lebanon sent to the cedar that was in Lebanon, saying: Give thy daughter to my son to wife; and there passed by the wild beasts that were in Lebanon, and trod down the thistle.
10Nu gij de Edomieten verslagen hebt, zijt ge overmoedig geworden; geniet van uw roem en blijf thuis. Waarom zoudt ge uw ongeluk tegemoet lopen, en uzelf met Juda ten val brengen?
10Thou hast indeed smitten Edom, and will thy heart lift thee up? glory therein, and remain at home; for why shouldest thou meddle with evil, that thou shouldest fall, even thou, and Judah with thee?
11Maar Amas-ja wilde niet luisteren. Toen rukte Joasj, de koning van Israël, uit, en bij Bet-Sjémesj in Juda zagen hij en koning Amas-ja van Juda elkaar in de ogen;
11But Amaziah would not hear. So Jehoash king of Israel went up; and he and Amaziah king of Judah looked one another in the face at Beth-shemesh, which belongeth to Judah.
12de Judeërs leden de nederlaag tegen Israël, en vluchtten naar huis.
12And Judah was put to the worse before Israel; and they fled every man to his tent.
13Koning Joasj van Israël, nam koning Amas-ja van Juda, den zoon van Joasj, zoon van Achaz-ja, bij Bet-Sjémesj gevangen. Daarna trok hij Jerusalem binnen, en brak een stuk van vierhonderd el uit de muur, van de Efraïmpoort af tot aan de Hoekpoort.
13And Jehoash king of Israel took Amaziah king of Judah, the son of Jehoash the son of Ahaziah, at Beth-shemesh, and came to Jerusalem, and broke down the wall of Jerusalem from the gate of Ephraim unto the corner gate, four hundred cubits.
14Bovendien nam hij al het goud en zilver en het vaatwerk, dat in de tempel van Jahweh en in de schatkamers van het koninklijk paleis lag opgeborgen, en keerde met gijzelaars naar Samaria terug.
14And he took all the gold and silver, and all the vessels that were found in the house of the LORD, and in the treasures of the king's house, the hostages also, and returned to Samaria.
15De verdere geschiedenis van Joasj, met al zijn daden en krijgsverrichtingen en met de oorlog, die hij tegen koning Amas-ja van Juda gevoerd heeft, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël.
15Now the rest of the acts of Jehoash which he did, and his might, and how he fought with Amaziah king of Judah, are they not written in the book of the chronicles of the kings of Israel?
16Joasj ging bij zijn vaderen te ruste, en werd te Samaria bij de koningen van Israël begraven. Zijn zoon Jeroboam volgde hem op.
16And Jehoash slept with his fathers, and was buried in Samaria with the kings of Israel; and Jeroboam his son reigned in his stead.
17Na de dood van Joasj, den zoon van Joachaz, den koning van Israël, leefde Amas-ja, de zoon van Joasj en koning van Juda, nog vijftien jaar.
17And Amaziah the son of Joash king of Judah lived after the death of Jehoash son of Jehoahaz king of Israel fifteen years.
18De verdere geschiedenis van Amas-ja is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda.
18Now the rest of the acts of Amaziah, are they not written in the book of the chronicles of the kings of Judah?
19Toen er te Jerusalem een samenzwering tegen hem werd gesmeed, vluchtte hij naar Lakisj; maar men zond hem mannen achterna, die hem te Lakisj doodden.
19And they made a conspiracy against him in Jerusalem; and he fled to Lachish; but they sent after him to Lachish, and slew him there.
20Vandaar werd hij op paarden naar Jerusalem vervoerd, en bij zijn vaderen in de Davidstad begraven.
20And they brought him upon horses; and he was buried at Jerusalem with his fathers in the city of David.
21Hierop koos heel het volk van Juda den zestienjarigen Azarja, en riep hem in de plaats van zijn vader Amas-ja tot koning uit.
21And all the people of Judah took Azariah, who was sixteen years old, and made him king in the room of his father Amaziah.
22Nadat de koning bij zijn vaderen te ruste was gegaan, heeft Azarja Elat versterkt en het weer bij Juda in gelijfd.
22He built Elath, and restored it to Judah, after that the king slept with his fathers.
23In het vijftiende jaar der regering van Amas-ja, den zoon van Joasj over Juda, werd Jeroboam, de zoon van Joasj, koning van Israël. Hij regeerde een en veertig jaar te Samaria.
23In the fifteenth year of Amaziah the son of Joash king of Judah Jeroboam the son of Joash king of Israel began to reign in Samaria, and reigned forty and one years.
24Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, en brak niet met de zonden, waartoe Jeroboam, de zoon van Nebat, Israël had verleid.
24And he did that which was evil in the sight of the LORD; he departed not from all the sins of Jeroboam the son of Nebat, wherewith he made Israel to sin.
25Hij heroverde het gebied van Israël van de weg naar Chamat af tot aan de zee der laagvlakte, zoals Jahweh, Israëls God, het door zijn dienaar, den profeet Jonas, den zoon van Amittai uit Gat-Hachéfer, had voorspeld.
25He restored the border of Israel from the entrance of Hamath unto the sea of the Arabah, according to the word of the LORD, the God of Israel, which He spoke by the hand of His servant Jonah the son of Amittai, the prophet, who was of Gath-hepher.
26Want Jahweh had gezien, hoe bitter de ellende van Israël was, hoe slaaf en vrije wegkwijnde, en dat er geen redder kwam.
26For the LORD saw the affliction of Israel, that it was very bitter; for there was none shut up nor left at large, neither was there any helper for Israel.
27En omdat Jahweh nog niet besloten had, de naam van Israël onder de hemel te verdelgen, bracht Hij redding door Jeroboam, den zoon van Joasj.
27And the LORD said not that He would blot out the name of Israel from under heaven; but He saved them by the hand of Jeroboam the son of Joash.
28De verdere geschiedenis van Jeroboam, met al zijn daden en krijgsverrichtingen, hoe hij oorlog voerde tegen Damascus en Jahweh’s toorn van Israël afwendde, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël.
28Now the rest of the acts of Jeroboam, and all that he did, and his might, how he warred, and how he recovered Damascus, and Hamath, for Judah in Israel, are they not written in the book of the chronicles of the kings of Israel?
29Jeroboam ging bij zijn vaderen te ruste, en werd te Samaria bij de koningen van Israël begraven. Zijn zoon Zekarja volgde hem op.
29And Jeroboam slept with his fathers, even with the kings of Israel; and Zechariah his son reigned in his stead.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.