2 Kronieken 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Toen begon Salomon met de bouw van de tempel van Jahweh in Jerusalem, op de berg Moria, waar Jahweh aan zijn vader David verschenen was, en waar David de dorsvloer van Ornan, den Jeboesiet, daartoe in orde had gemaakt.
1Then Solomon began to build the house of the LORD at Jerusalem in mount Moriah, where the LORD appeared unto David his father; for which provision had been made in the Place of David, in the threshingfloor of Ornan the Jebusite.
2Hij begon met de bouw op de tweede dag van de tweede maand, in het vierde jaar van zijn regering.
2And he began to build in the second day of the second month, in the fourth year of his reign.
3De volgende afmetingen legde Salomon aan de bouw van het Godshuis ten grondslag: de lengte, berekend naar ellen van de oude afmeting, bedroeg zestig el, de breedte twintig, en de hoogte honderd twintig el.
3Now these are the foundations which Solomon laid for the building of the house of God. The length by cubits after the ancient measure was threescore cubits, and the breadth twenty cubits.
4De voorhal, voor het Heilige, was twintig el lang, dus even lang als de tempel breed was; hij bekleedde hem van binnen met zuiver goud.
4And the porch that was before the house, the length of it, according to the breadth of the house, was twenty cubits, and the height a hundred and twenty; and he overlaid it within with pure gold.
5De grote ruimte liet hij met cypressenhout beschieten, dat met zuiver goud was bekleed, waarop slingers waren aangebracht.
5And the greater house he covered with cypress-wood, which he overlaid with fine gold, and wrought thereon palm-trees and chains.
6Ook werd de grote ruimte met kostbare stenen versierd. Het goud was afkomstig van Párwaim.
6And he garnished the house with precious stones for beauty; and the gold was gold of Parvaim.
7Ook de balken, drempels, muren en deuren van dit gebouw liet hij met goud beleggen en op zijn wanden cherubs snijden.
7He overlaid also the house, the beams, the thresholds, and the walls thereof, and the doors thereof, with gold; and graved cherubim on the walls.
8Vervolgens liet hij de ruimte van het Allerheiligste inrichten. De lengte, langs de korte zijde van het gebouw, bedroeg twintig el, en de diepte eveneens twintig el. Het werd met zuiver goud overtrokken tot een gewicht van zeshonderd talenten.
8And he made the most holy place; the length thereof, according to the breadth of the house, was twenty cubits, and the breadth thereof twenty cubits; and he overlaid it with fine gold, amounting to six hundred talents.
9Alleen al voor de nagels gebruikte hij vijftig sikkels goud; want de koppen werden met goud overtrokken.
9And the weight of the nails was fifty shekels of gold. And he overlaid the upper chambers with gold.
10In de ruimte van het Allerheiligste werden twee cherubs geplaatst van olijfhout, dat met goud overtrokken was.
10And in the most holy place he made two cherubim of image work; and they overlaid them with gold.
11De vleugels der cherubs hadden een gezamenlijke lengte van twintig el. De ene, vijf el lange vleugel van den enen cherub raakte de wand van het gebouw; de andere, vijf el lange vleugel raakte de vleugel van den anderen cherub.
11And the wings of the cherubim were twenty cubits long: the wing of the one cherub was five cubits, reaching to the wall of the house; and the other wing was likewise five cubits, reaching to the wing of the other cherub.
12De ene, vijf el lange vleugel van den anderen cherub raakte eveneens de wand van het gebouw; de andere, vijf el lange vleugel raakte de vleugel van den eersten cherub.
12And the wing of the other cherub was five cubits, reaching to the wall of the house; and the other wing was five cubits also, joining to the wing of the other cherub.
13De vleugels van die cherubs hadden dus een vlucht van twintig el. De cherubs stonden recht overeind, met hun gelaat naar het Heilige gekeerd.
13The wings of these cherubim spread themselves forth twenty cubits; and they stood on their feet, and their faces were inward.
14Ook liet hij een voorhangsel vervaardigen van purper en violet, karmozijn en byssus, waarin cherubs waren geweven.
14And he made the veil of blue, and purple, and crimson, and fine linen, and wrought cherubim thereon.
15Vóór het gebouw liet hij twee zuilen plaatsen van vijf en dertig el hoogte, met een kapiteel van vijf el op de top.
15Also he made before the house two pillars of thirty and five cubits high, and the capital that was on the top of each of them was five cubits.
16Hij liet er slingers als kransen voor maken, die op de top der zuilen werden aangebracht, en honderd granaatappels, die aan de slingers werden opgehangen.
16And he made chains in the Sanctuary, and put them on the tops of the pillars; and he made a hundred pomegranates, and put them on the chains.
17De zuilen liet hij aan de voorkant van het Heilige opstellen: een aan de rechter- en een aan de linkerkant. De ene noemde hij Jakin, de andere Bóaz.
17And he set up the pillars before the temple, one on the right hand, and the other on the left; and called the name of that on the right hand Jachin, and the name of that on the left Boaz.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.