1 Koningen
Chapter 3
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Chinese Union Vers…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chinese Union Version, punctuated (Simplified)
1verbond hij zich door een huwelijk met Farao, den koning van Egypte. Hij huwde Farao’s dochter en bracht haar naar de Davidstad, totdat hij de bouw van zijn paleis, van de tempel van Jahweh en de muren om Jerusalem zou hebben voltooid.
1所罗门 与 埃及 王法老结亲,娶了法老的女儿为妻,接她进入 大卫城 ,直等到造完了自己的宫和耶和华的殿,并 耶路撒冷 周围的城墙。
2Nog offerde het volk op de offerhoogten; want er was toen nog geen tempel voor de Naam van Jahweh gebouwd.
2当那些日子,百姓仍在邱坛献祭,因为还没有为耶和华的名建殿。
3En ofschoon Salomon Jahweh liefhad en zich daarom aan de voorschriften van zijn vader David hield, offerde ook hij en brandde hij reukwerk op de hoogten.
3所罗门 爱耶和华,遵行他父亲 大卫 的律例,只是还在邱坛献祭烧香。
4Zo ging de koning dan naar Gibon, om daar te offeren; want dat was de voornaamste offerhoogte. Nadat Salomon duizend brandoffers op het altaar te Gibon had opgedragen,
4所罗门 王上 基遍 去献祭;因为在那里有极大的邱坛,他在那坛上献一千牺牲作燔祭。
5verscheen Jahweh hem s nachts in een droom, en God sprak: Doe een verzoek; wat zal Ik u geven?
5在 基遍 ,夜间梦中,耶和华向 所罗门 显现,对他说:「你愿我赐你什么?你可以求。」
6Salomon antwoordde: Gij zijt mijn vader, uw dienaar David, zeer goedgunstig geweest, omdat hij trouw en rechtschapen en met een oprecht hart voor U heeft geleefd. En Gij hebt hem ook deze grote gunst bewezen, dat Gij hem een zoon hebt geschonken, die nu zetelt op zijn troon.
6所罗门 说:「你仆人—我父亲 大卫 用诚实、公义、正直的心行在你面前,你就向他大施恩典,又为他存留大恩,赐他一个儿子坐在他的位上,正如今日一样。
7Maar nu hebt Gij, Jahweh mijn God, uw dienaar in de plaats van mijn vader David tot koning gemaakt, ofschoon ik toch maar een jeugdige knaap ben, die nog niet weet, hoe hij handelen moet.
7耶和华—我的 神啊,如今你使仆人接续我父亲 大卫 作王;但我是幼童,不知道应当怎样出入。
8Zo staat uw dienaar te midden van uw volk, dat Gij hebt uitverkoren: een talrijk volk, dat om zijn grootte niet is te tellen, niet is te schatten.
8仆人住在你所拣选的民中,这民多得不可胜数。
9Geef dus uw dienaar een opmerkzaam hart, om uw volk te kunnen oordelen, en onderscheid te maken tussen goed en kwaad; want wie is anders in staat, dit machtig volk van U te besturen?
9所以求你赐我智慧,可以判断你的民,能辨别是非。不然,谁能判断这众多的民呢?」
10Dit verzoek van Salomon behaagde den Heer.
10所罗门 因为求这事,就蒙主喜悦。
11En God sprak tot hem: Omdat gij Mij dit verzoek hebt gedaan, en Mij niet een lang leven of rijkdom, noch de dood uwer vijanden gevraagd hebt, maar inzicht, om het recht te verstaan:
11神对他说:「你既然求这事,不为自己求寿、求富,也不求灭绝你仇敌的性命,单求智慧可以听讼,
12daarom voldoe Ik aan uw verlangen, en geef Ik u een wijs en verstandig hart, zodat uws gelijke voor u niet geleefd heeft en na u niet meer zal opstaan.
12我就应允你所求的,赐你聪明智慧,甚至在你以前没有像你的,在你以后也没有像你的。
13Maar ook wat ge niet gevraagd hebt, zal Ik u geven: rijkdom en roem, zodat geen koning aan u gelijk zal zijn, zolang gij leeft.
13你所没有求的,我也赐给你,就是富足、尊荣,使你在世的日子,列王中没有一个能比你的。
14En wanneer ge mijn wegen bewandelt, en mijn verordeningen en geboden onderhoudt, zoals uw vader David gedaan heeft, dan zal Ik u ook nog een lang leven schenken.
14你若效法你父亲 大卫 ,遵行我的道,谨守我的律例、诫命,我必使你长寿。」
15Toen ontwaakte Salomon en bemerkte, dat het een droom was. Hij begaf zich naar Jerusalem, ging voor de verbondsark van den Heer staan, droeg brandoffers en vredeoffers op, en richtte een feestmaal aan voor heel zijn hof.
15所罗门 醒了,不料是个梦。他就回到 耶路撒冷 ,站在耶和华的约柜前,献燔祭和平安祭,又为他众臣仆设摆筵席。
16Eens kwamen er twee lichte vrouwen bij den koning, om voor hem te verschijnen.
16一日,有两个妓女来,站在王面前。
17De ene vrouw zei: Met uw verlof, mijn heer! Ik en deze vrouw wonen in één huis. Nu kreeg ik bij haar in huis een kind,
17一个说:「我主啊,我和这妇人同住一房;她在房中的时候,我生了一个男孩。
18en drie dagen na mij kreeg ook deze vrouw een kind. Wij waren samen in huis, en er was niemand bij ons; alleen wij tweeën waren in huis.
18我生孩子后第三日,这妇人也生了孩子。我们是同住的,除了我们二人之外,房中再没有别人。
19Nu stierf ‘s nachts de zoon van deze vrouw; want ze was op hem gaan liggen.
19夜间,这妇人睡着的时候,压死了她的孩子。
20Maar midden in de nacht stond ze op, en terwijl uw dienstmaagd sliep, nam ze mijn zoon bij mij weg en legde hem in haar arm, doch haar doden zoon legde ze mij in de arm.
20她半夜起来,趁我睡着,从我旁边把我的孩子抱去,放在她怀里,将她的死孩子放在我怀里。
21Toen ik nu ‘s morgens opstond, om mijn zoon te voeden, vond ik hem dood; maar toen ik hem bij het licht goed bekeek, zag ik, dat het mijn zoon niet was, dien ik ter wereld had gebracht.
21天要亮的时候,我起来要给我的孩子吃奶,不料,孩子死了;及至天亮,我细细地察看,不是我所生的孩子。」
22Maar de andere vrouw verzekerde: Niet waar; de levende is mijn zoon, en de dode is van u. De eerste echter hield vol: Neen, de dode is van u, en de levende is mijn zoon. En zo bleven ze voor den koning kijven.
22那妇人说:「不然,活孩子是我的,死孩子是你的。」这妇人说:「不然,死孩子是你的,活孩子是我的。」她们在王面前如此争论。
23Toen sprak de koning: De een zegt: Deze, die leeft, is mijn zoon, en de dode is van u; en de andere zegt: Neen, de dode is uw zoon, en de levende is van mij.
23王说:「这妇人说『活孩子是我的,死孩子是你的』,那妇人说『不然,死孩子是你的,活孩子是我的』」,
24En de koning ging voort: Haal mij een zwaard. En men bracht den koning een zwaard.
24就吩咐说:「拿刀来!」人就拿刀来。
25Nu sprak hij: Hakt het levende kind in tweeën, en geeft ieder de helft.
25王说:「将活孩子劈成两半,一半给那妇人,一半给这妇人。」
26Maar de vrouw, van wie het levende kind was en wier hart ineenkromp om haar zoon, riep tot den koning: Ach mijn heer; geef haar het levende kind dan maar, en dood het niet. Maar de andere sprak: Noch ik noch zij moet het dan maar hebben; hakt het maar door!
26活孩子的母亲为自己的孩子心里急痛,就说:「求我主将活孩子给那妇人吧,万不可杀他!」那妇人说:「这孩子也不归我,也不归你,把他劈了吧!」
27Toen zei de koning: Geeft haar het levende kind, en doodt het niet; zij is de moeder.
27王说:「将活孩子给这妇人,万不可杀他;这妇人实在是他的母亲。」
28Heel Israël hoorde het vonnis, dat de koning geveld had, en had ontzag voor den koning; want men begreep, dat hij goddelijke wijsheid bezat, om recht te spreken.
28以色列 众人听见王这样判断,就都敬畏他;因为见他心里有 神的智慧,能以断案。

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.