1 Johannes 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Geliefden, gelooft niet iedere geest, maar onderzoekt, of de geesten uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan over de wereld.
1Nejmilejší, ne každému duchu věřte, ale zkušujte duchů, jsou-li z Boha; nebo mnozí falešní proroci vyšli na svět.
2Hieraan erkent ge de geest van God: Iedere geest die belijdt, dat Jesus Christus in het Vlees is gekomen, hij is uit God.
2Po tomto znejte Ducha Božího: Všeliký duch, kterýž vyznává Jezukrista v těle přišlého, z Boha jest.
3Maar iedere geest, die Jesus niet belijdt, is niet uit God; dat is er een van den Antichrist, die komt, zoals gij gehoord hebt, en die nu reeds in de wereld is.
3Ale všeliký duch, kterýž nevyznává Jezukrista v těle přišlého, není z Boha; nýbrž toť jest ten duch antikristův, o kterémž jste slýchali, že přijíti má, a jižť jest nyní na světě.
4Gij, kinderkens, gij zijt uit God, en hebt ze overwonnen; want Hij die in u woont, is machtiger dan hij die in de wereld is.
4Vy pak z Boha jste, synáčkové, a zvítězili jste nad nimi; nebo většíť jest ten, kterýž jest v vás, nežli ten, kterýž jest v světě.
5Zij zijn uit de wereld; daarom spreken ze naar de wereld, en de wereld luistert naar hen.
5Oni z světa jsou, a protož o světu mluví, a svět jich poslouchá.
6Wij zijn uit God: wie God kent, luistert naar ons; wie niet uit God is, luistert niet naar ons. -Hieraan erkennen we de geest der waarheid en de geest der dwaling.
6My z Boha jsme. Kdo zná Boha, posloucháť nás; kdož pak není z Boha, neposloucháť nás. A po tomť poznáváme ducha pravdy a ducha bludu.
7Geliefden, laat ons elkander beminnen. Want de liefde is uit God, en wie liefheeft, is uit God geboren en kent God;
7Nejmilejší, milujmež jedni druhé; nebo láska z Boha jest, a každý, kdož miluje, z Boha se narodil, a znáť Boha.
8wie niet liefheeft, kent God niet. Want God is liefde!
8Kdož nemiluje, nezná Boha; nebo Bůh láska jest.
9Hierdoor heeft Gods liefde zich aan ons geopenbaard, dat God zijn eniggeboren Zoon in de wereld heeft gezonden, opdat wij door Hem zouden leven.
9V tomť zjevena jest láska Boží k nám, že Syna svého toho jednorozeného poslal Bůh na svět, abychom živi byli skrze něho.
10Hierin bestaat de liefde: niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft bemind en zijn Zoon heeft gezonden tot verzoening voor onze zonden.
10V tomť jest láska, ne že bychom my Boha milovali, ale že on miloval nás, a poslal Syna svého obět slitování za hříchy naše.
11Geliefden, als God ons zó heeft liefgehad, dan moeten ook wij elkander beminnen.
11Nejmilejší, poněvadž tak miloval nás Bůh, i myť máme jedni druhé milovati.
12Nooit heeft iemand God aanschouwd; maar wanneer wij elkander beminnen, dan blijft God in ons, en is in ons de volmaakte liefde tot Hem.
12Boha žádný nikdy nespatřil, ale milujeme-liť jedni druhé, Bůh v nás přebývá, a láska jeho dokonalá jest v nás.
13Hieraan erkennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons: dat Hij ons van zijn Geest heeft meegedeeld.
13Po tomtoť poznáváme, že v něm přebýváme, a on v nás, že z Ducha svého dal nám.
14En we hebben aanschouwd en getuigen, dat de Vader den Zoon heeft gezonden als Verlosser der wereld;
14A myť jsme viděli, a svědčíme, že Otec poslal Syna svého spasitele světa.
15wie dus belijdt, dat Jesus de Zoon is van God, in hem blijft God, en hij blijft in God;
15Kdož by koli vyznával, že Ježíš jest Syn Boží, Bůh v něm přebývá, a on v Bohu.
16dan hebben we ook de liefde erkend en geloofd, die God voor ons heeft. God is liefde; en wie in de liefde blijft, blijft in God en God in hem.
16A myť jsme poznali, a uvěřili o lásce, kterouž Bůh má k nám. Bůh láska jest, a kdož v lásce přebývá, v Bohu přebývá, a Bůh v něm.
17Hiertoe juist is bij ons de liefde tot volmaaktheid gebracht, dat we vertrouwen mogen hebben op de dag van het Oordeel; want dan zijn we op de wereld, gelijk Hijzelf is.
17V tomtoť jest k dokonání svému přišla láska Boží s námi, abychom bezpečné doufání měli v den soudný, kdyžto, jakýž jest on, takovíž i my jsme na tomto světě.
18In de liefde bestaat er geen vrees, maar de volmaakte liefde bant de vrees; want de vrees onderstelt straf. Wie vreest, heeft dus de volmaakte liefde niet.
18Bázněť není v lásce, ale láska dokonalá ven vyhání bázeň; nebo bázeň trápení má, kdož se pak bojí, není dokonalý v lásce.
19Wij hebben lief, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad.
19My milujeme jej, nebo on prve miloval nás.
20Zo iemand zegt: “Ik heb God lief,” maar toch zijn broeder haat, hij is een leugenaar; wie immers zijn broeder, dien hij gezien heeft, niet bemint, kan God niet beminnen, dien hij niet heeft gezien.
20Řekl-li by kdo: Miluji Boha, a bratra svého nenáviděl by, lhář jest. Nebo kdož nemiluje bratra svého, kteréhož viděl, Boha, kteréhož neviděl, kterak může milovati?
21Want dit gebod hebben we van Hem ontvangen: wie God bemint, moet ook zijn broeder beminnen.
21A totoť přikázání máme od něho, aby ten, kdož miluje Boha, miloval i bratra svého.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.