1 Korintiers 16
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Wat de collecte betreft ten bate der heiligen, zo moet ook gij doen, zoals ik het in de kerken van Galátië geregeld heb.
1A DUEN kijakij on jaraui kan, me komail pan ki pena, i men, komail en wiada, duen i kakaliki on momodijou en Kalejia kan.
2Op de eerste dag van iedere week moet ieder van u naar vermogen iets terzijde leggen en opsparen, opdat de collecten niet eerst beginnen, als ik kom.
2Ni at en ran en wik kan amen amen re omail en nikidala ekij, o ki pena duen wan a kak on pwe onop de wiaui, i lao pwara won.
3Bij mijn komst zal ik dan hen, die gij daarvoor geschikt acht, met brieven naar Jerusalem zenden, om uw liefdegave over te brengen.
3I lao pwara weilar, meakai, me komail pan kileledi, irail me i pan ilakewei, en walan Ierujalem omail kijakij ianiaki kijin likau.
4Is het de moeite waard, dat ik zelf ga, dan kunnen ze met me mee gaan.
4O ma a kon on, i en pil jailok wei; irail ap pan ian ia jailokala.
5Ik zal naar u toe komen, wanneer ik Macedónië door ben. Want Macedónië trek ik slechts door;
5A i pan pwara won komail ni ai dauli Majetonien, pwe i pan weid nan Majetonien.
6maar bij u zal ik, zo mogelijk, langer vertoeven, misschien wel de winter doorbrengen, zodat gij me kunt uitrusten, wanneer ik verder reis.
6Ele i pan mimieta re omail, anjaun kapau lao nikier, pwe komail en kalua ia la waja, me i pan jailokala ia.
7Want ik wil u ditmaal niet in het voorbijgaan bezoeken, maar ik hoop enige tijd bij u te blijven, zo de Heer het toelaat.
7Pwe anjau wet i jota pan jup re omail, pwe i kaporoporeki, me I pan mimieta re omail anjau kij, ma Kaun pan kotin mueid on ia.
8Tot Pinksteren zal ik te Éfese blijven;
8A i pan mimieta Epijuj lao pentikoj.
9want een grote en zware deur staat voor me open, en de tegenstanders zijn velen.
9Pwe wanim talap ritida mo i, me kareda wa toto; a imwintiti me toto.
10Wanneer Timóteus komt, zorgt dan, dat hij zonder vrees bij u kan zijn, want hij verricht ‘s Heren werk, evenals ikzelf.
10A Timoteuj lao pwara won komail, apwali i, pwen jondi mau re omail, pwe a kin ian ia wiawia dodok en Kaun o.
11Niemand schiete dus te kort in eerbied voor hem. Doet hem in vrede uitgeleide, opdat hij naar mij heen komt; want ik en de broeders wachten op hem.
11Jota amen en mamaleki i, a kalua i don ia popol, pwe nai o ri atail akan kin auiaui i.
12Wat broeder Apollo betreft, ik heb hem dringend verzocht, naar u heen te gaan tezamen met de broeders; maar hij heeft volstrekt geweigerd, om thans te vertrekken. Hij zal gaan, wanneer het hem gelegen komt.
12A duen ri atail Apoloj, nai me poeki re a pan pak toto, en ian ri atail akan pwara won komail, a a kan pwara wei anjau wet; a a pan pwara wei lao anjau mau.
13Weest waakzaam, staat vast in het geloof; blijft mannen, weest kloek.
13Komail majamajan o dadaurata ni pojon, komail wia duen ol melel, o komail en kelail.
14Alles geschiede bij u in liefde.
14Meakaroj en wiaui ni limpok
15Broeders, ik heb u nog iets te verzoeken. Gij weet, dat de familie van Stéfanas de eersteling van Achaja is, en dat ze zich ten dienste der heiligen hebben gesteld.
15I ari panaui komail, ri ai kan, pwe komail aja penainai en Jtepanaj, me ir tapida jaulan en Akaia, o me pein irail inon ion dodok on jaraui kan,
16Toont ook gij ontzag voor zulke personen, als aan allen, die met hen meewerken en zwoegen,
16Pwe komail en peiki on irail, o on irail karoj me ian ni ar wiawia o dodok.
17Ik verheug me over de aanwezigheid van Stéfanas, Fortunatus en Acháicus; want ze hebben me het gemis van u vergoed,
17I peren kida en Jtepanaj, o Portunatuj, o Akaiuj ar pwarador, pwe mekij, me komail jo ki on ia mepukat ki don ia.
18en mijn geest verkwikt evenals die van u. Waardeert dus zulke mensen.
18Irail kaperenda nen i o pil nen omail; komail ari wauneki me due met.
19De gemeenten van Azië groeten u. Aquila en Priska met heel de gemeente, die in hun huis vergadert, laten u bijzonder groeten in den Heer.
19En momotijou en Ajien akan ar ranamau won komail. A Akwila o Prijila kin ranamau won komail pan Kaun o momodijou nan im ara.
20Alle broeders groeten u. Groet elkander met een heilige kus.
20Ri atail ol akan karoj kin ranamau won komail. Komail ranamauki pena metik jaraui.
21De groet is van mijn eigen hand: Paulus.
21Nai Pauluj me intin kilan komail ai ranamau ki pein pa i.
22Zo iemand den Heer niet liefheeft, hij zij vervloekt. “Marán-Atá”.
22Ma amen jota kin pok on Kaun Iejuj Krijtuj, a pan anatema! Maranata! let wewe; A pan riala! Atail Kaun kotido.
23De genade van onzen Heer Jesus zij met u!
23Mak en Kaun Iejuj Krijtuj en mimieta re omail!
24Mijn liefde is met u allen in Christus Jesus.
24Ai limpok on komail pan Krijtuj Iejuj pan mimieta re omail! Amen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.