1 Kronieken
Chapter 19
Petrus Canisius Bible, 1…
vs JPS Tanakh (Jewish…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Toen enige tijd later Nachasj, de koning der Ammonieten, te overlijden kwam, en door zijn zoon werd opgevolgd,
1And it came to pass after this, that Nahash the king of the children of Ammon died, and his son reigned in his stead.
2dacht David: Laat mij vriendschappelijke betrekkingen aanknopen met Chanoen, den zoon van Nachasj, zoals zijn vader dat met mij heeft gedaan. Daarom liet David hem door enige afgevaardigden zijn deelneming betuigen met zijn vader. Maar toen de afgevaardigden van David in het land der Ammonieten waren aangekomen, om Chanoen hun deelneming te betuigen,
2And David said: 'l will show kindness unto Hanun the son of Nahash, because his father showed kindness to me.' So David sent messengers to comfort him concerning his father. And David's servants came into the land of the children of Ammon to Hanun, to comfort him.
3zeiden de hooggeplaatste Ammonieten tot Chanoen: Denkt gij, dat David uw vader wil eren, omdat hij u zijn deelneming laat betuigen? Neen, zijn mensen zijn alleen maar bij u gekomen, om het land te verspieden, zijn geheimen te achterhalen, en het later te kunnen veroveren.
3But the princes of the children of Ammon said to Hanun: 'Thinkest thou that David doth honour thy father, that he hath sent comforters unto thee? are not his servants come unto thee to search, and to overthrow, and to spy out the land?'
4Daarop liet Chanoen de afgevaardigden van David gevangen nemen en scheren, hun kleding halverwege, tot aan de dijen, afknippen, en stuurde ze zo weg.
4So Hanun took David's servants, and shaved them, and cut off their garments in the middle, even to their hips, and sent them away.
5Toen dat aan David bekend werd, zond hij die zwaar beledigde mannen boden tegemoet, en liet hun zeggen: Blijft in Jericho, tot uw baard weer is aangegroeid, en komt dan terug.
5Then there went certain persons, and told David how the men were served. And he sent to meet them; for the men were greatly ashamed. And the king said: 'Tarry at Jericho until your beards be grown, and then return.'
6Daar de Ammonieten wel begrepen, dat zij het bij David verbruid hadden, besteedden Chanoen en de Ammonieten duizend talenten zilver, om strijdwagens en ruiters te huren van Aram Naharáim, Aram Maäka en Soba,
6And when the children of Ammon saw that they had made themselves odious to David, Hanun and the children of Ammon sent a thousand talents of silver to hire them chariots and horsemen out of Aram-naharaim, and out of Aram-maacah, and out of Zobah.
7en kregen de beschikking over twee en dertigduizend strijdwagens en over den koning van Soba met zijn leger. Dezen rukten uit en sloegen hun kamp op voor Medeba, terwijl ook de Ammonieten hun woonplaatsen verlieten, en gezamenlijk ten strijde trokken.
7So they hired them thirty and two thousand chariots, and the king of Maacah and his people; who came and encamped before Medeba. And the children of Ammon gathered themselves together from their cities, and came to battle.
8Toen David dat vernam, zond hij Joab met heel zijn leger en het keurkorps er op uit.
8And when David heard of it, he sent Joab, and all the host of the mighty men.
9Ook de Ammonieten rukten uit, en stelden zich op voor de poort van hun stad, terwijl de koningen, die te hulp gekomen waren, een afzonderlijke groep vormden in het open veld.
9And the children of Ammon came out and put the battle in array at the gate of the city; and the kings that were come were by themselves in the field.
10Daar Joab bemerkte, dat hem zowel van voren als van achteren een aanval dreigde, koos hij een deel van Israëls krijgers uit, en stelde die op tegen de Arameën,
10Now when Joab saw that the battle was set against him before and behind, he chose of all the choice men of Israel, and put them in array against the Arameans.
11terwijl hij de rest van het krijgsvolk aan zijn broer Absjai toevertrouwde. Dezen stelden zich op tegen de Ammonieten.
11And the rest of the people he committed into the hand of Abishai his brother, and they put themselves in array against the children of Ammon.
12Hij zeide: Als de Arameën mij te sterk worden, moet gij mij helpen; worden de Ammonieten u te sterk, dan zal ik u te hulp komen.
12And he said: 'If the Arameans be too strong for me, then thou shalt help me; but if the children of Ammon be too strong for thee, then I will help thee.
13Wees flink, en laat ons dapper zijn voor ons volk en onzen God, en Jahweh zal doen wat Hem goeddunkt.
13Be of good courage, and let us prove strong for our people, and for the cities of our God; and the LORD do that which seemeth Him good.'
14Daarop bond Joab met zijn manschappen de strijd aan met de Arameën, en dezen sloegen voor hen op de vlucht.
14So Joab and the people that were with him drew nigh unto the battle to meet the Arameans; and they fled before him.
15En toen de Ammonieten bemerkten, dat de Arameën gevlucht waren, sloegen ook zij op de vlucht voor Joabs broer Absjai, en trokken zich terug in de stad. Toen keerde Joab naar Jerusalem terug.
15And when the children of Ammon saw that the Arameans were fled, they likewise fled before Abishai his brother, and entered into the city. Then Joab came to Jerusalem.
16Toen de Arameën zagen, dat zij door Israël waren verslagen, lieten zij zelfs de Arameën van de overzijde van de Rivier uitrukken onder aanvoering van Sjofak, den legeroverste van Hadadézer.
16And when the Arameans saw that they were put to the worse before Israel, they sent messengers, and brought out the Arameans that were beyond the River, with Shophach the captain of the host of Hadarezer at their head.
17Toen David dit vernam, riep hij geheel Israël op, en trok de Jordaan over. Hij stootte op hen, en stelde zich tegen hen te weer. Toen David zich tegen de Arameën te weer had gesteld, raakten zij slaags met hem,
17And it was told David; and he gathered all Israel together, and passed over the Jordan, and came upon them, and set the battle in array against them. So when David had put the battle in array against the Arameans, they fought with him.
18maar moesten voor Israël wijken. En David doodde zevenduizend paarden van de Arameën en veertigduizend man voetvolk; ook Sjofak, de legeroverste, werd gedood.
18And the Arameans fled before Israel; and David slew of the Arameans the men of seven thousand chariots, and forty thousand footmen, and killed Shophach the captain of the host.
19Nu begrepen allen, die van Hadadézer afhankelijk waren, dat ze het tegen Israël moesten afleggen; ze sloten dus vrede met David en onderwierpen zich. Voortaan wachtte Aram zich wel, om nog eens de Ammonieten te helpen.
19And when the servants of Hadarezer saw that they were put to the worse before Israel, they made peace with David, and served him; neither would the Arameans help the children of Ammon any more.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.