ΣΕΙΡΑΧ
Chapter 4
Septuagint (Brenton Gree…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Τέκνον, τὴν ζωὴν τοῦ πτωχοῦ μὴ ἀποστερήσῃς, καὶ μὴ παρελκύσῃς ὀφθαλμοὺς ἐπιδεεῖς.
1Mijn zoon, spot niet met het leven van den arme, En laat de ogen van den bedrukte niet versmachten.
2ψυχὴν πεινῶσαν μὴ λυπήσῃς, καὶ μὴ παροργίσῃς ἄνδρα ἐν ἀπορίᾳ αὐτοῦ.
2Stel een hongerig mens niet teleur, En verberg u niet voor een gebroken hart.
3Καρδίαν παροργισμένην μὴ προσταράξῃς, καὶ μὴ παρελκύσῃς δόσιν προσδεομένου.
3Verbitter het gemoed van den arme niet, En wil hem uw gave niet weigeren.
4Ἱκέτην θλιβόμενον μὴ ἀπαναίνου, καὶ μὴ ἀποστρέψῃς τὸ πρόσωπόν σου ἀπὸ πτωχοῦ.
4Veracht de bede van den arme niet,
5Ἀπὸ δεομένου μὴ ἀποστρέψῃς ὀφθαλμόν, καὶ μὴ δῷς τόπον ἀνθρώπῳ καταράσασθαί σε.
5Geef hem geen aanleiding, om u te vloeken;
6Καταρωμένου γάρ σε ἐν πικρίᾳ ψυχῆς αὐτοῦ, τῆς δεήσεως αὐτοῦ ἐπακούσεται ὁ ποιήσας αὐτόν.
6Want als de bedroefde roept in zijn zielesmart, Dan hoort zijn Schepper naar zijn schreien.
7Προσφιλῆ συναγωγῇ σεαυτὸν ποίει, καὶ μεγιστᾶνι ταπεινοῦ τὴν κεφαλήν σου.
7Maak u bemind bij de gemeente, En buig uw hoofd voor de groten der stad;
8Κλῖνον πτωχῷ τὸ οὖς σου, καὶ ἀποκρίθητι αὐτῷ εἰρηνικὰ ἐν πρᾳΰτητι.
8Maar neig ook uw oor tot den arme, En beantwoord vriendelijk zijn groet.
9Ἐξελοῦ ἀδικούμενον ἐκ χειρὸς ἀδικοῦντος, καὶ μὴ ὀλιγοψυχήσῃς ἐν τῷ κρίνειν σε.
9Help den bedrukte tegen zijn verdrukkers; Wees niet bang, om rechtvaardig vonnis te vellen.
10Γίνου ὀρφανοῖς ὡς πατὴρ, καὶ ἀντὶ ἀνδρὸς τῇ μητρὶ αὐτῶν· καὶ ἔσῃ ὡς υἱὸς ὑψίστου, καὶ ἀγαπήσει σε μᾶλλον ἡ μήτηρ σου.
10Wees voor de wezen als een vader, Voor de weduwen als een man; God noemt u dan zijn zoon En redt u in zijn liefde van het verderf.
11Ἡ σοφία υἱοὺς ἑαυτῇ ἀνύψωσε, καὶ ἐπιλαμβάνεται τῶν ζητούντων αὐτήν·
11Tweede reeks. De wijsheid en de gevaren, die ons bedreigen. Inleiding. De zegeningen der wijsheid. De wijsheid onderricht haar kinderen, En waarschuwt allen, die haar zoeken.
12ὁ ἀγαπῶν αὐτὴν ἀγαπᾷ ζωὴν, καὶ οἱ ὀρθρίζοντες πρὸς αὐτὴν ἐμπλησθήσονται εὐφροσύνης.
12Wie haar beminnen, beminnen het leven, En die haar zoeken, vinden welbehagen bij God.
13Ὁ κρατῶν αὐτῆς κληρονομήσει δόξαν, καὶ οὗ εἰσπορεύεται εὐλογήσει Κύριος.
13Wie haar vasthouden, vinden glorie bij Jahweh, En wonen in de zegen van God;
14Οἱ λατρεύοντες αὐτῇ λειτουργήσουσιν Ἁγίῳ, καὶ τοὺς ἀγαπῶντας αὐτὴν ἀγαπᾷ ὁ Κύριος.
14Wie haar dienen, dienen den Heilige, Wie haar beminnen, worden door God bemind.
15Ὁ ὑπακούων αὐτῆς κρινεῖ ἔθνη, καὶ ὁ προσελθὼν αὐτῇ κατασκηνώσει πεποιθώς.
15Wie naar mij luistert, oordeelt rechtvaardig, Wie naar mij hoort, zal wonen in mijn huis;
16Ἐὰν ἐμπιστεύσῃς, κατακληρονομήσεις αὐτὴν, καὶ ἐν κατασχέσει ἔσονται αἱ γενεαὶ αὐτοῦ.
16Wie mij vertrouwt, zal mij beërven, En zijn geslacht zal mij blijven bezitten.
17Ὅτι διεστραμμένως πορεύεται μετʼ αὐτοῦ ἐν πρώτοις· φόβον δὲ καὶ δειλίαν ἐπάξει ἐπʼ αὐτὸν, καὶ βασανίσει αὐτὸν ἐν παιδιᾷ αὐτῆς, ἕως οὗ ἐμπιστεύσῃ τῇ ψυχῇ αὐτοῦ, καὶ πειράσῃ αὐτὸν ἐν τοῖς δικαιώμασιν αὐτῆς.
17Want omzichtig ga ik met hem om, En stel hem in het begin op de proef; Vrees en angst slinger ik op hem neer, En toets hem eerst door beproeving. Maar als zijn hart van mij is vervuld,
18Καὶ πάλιν ἐπανήξει κατʼ εὐθεῖαν πρὸς αὐτὸν, καὶ εὐφρανεῖ αὐτὸν, καὶ ἀποκαλύψει αὐτῷ τὰ κρυπτὰ αὐτῆς.
18Maak ik hem gelukkig, en ontsluier hem mijn geheimen.
19Ἐὰν ἀποπλανηθῇ, ἐγκαταλείψει αὐτὸν, καὶ παραδώσει αὐτὸν εἰς χεῖρας πτώσεως αὐτοῦ.
19Doch valt hij van mij af, dan verwerp ik hem, En lever hem over aan verdelgers.
20Συντήρησον καιρὸν καὶ φύλαξαι ἀπὸ πονηροῦ, καὶ περὶ τῆς ψυχῆς σου μὴ αἰσχυνθῇς.
20Mijn zoon, benut de tijd en vrees het kwaad; Dan behoeft ge u niet over uzelf te schamen.
21Ἔστι γὰρ αἰσχύνη ἐπάγουσα ἁμαρτίαν, καὶ ἔστιν αἰσχύνη δόξα καὶ χάρις.
21Want er is een schaamte, die tot zonde voert, Maar ook een schaamte, die eer brengt en genade.
22Μὴ λάβῃς πρόσωπον κατὰ τῆς ψυχῆς σου, καὶ μὴ ἐντραπῇς εἰς πτῶσίν σου.
22Wees niet toegevend voor uzelf; Dan komt ge niet ten val tot eigen verderf.
23Μὴ κωλύσῃς λόγον ἐν καιρῷ σωτηρίας,
23Houd op zijn tijd het woord niet achter, En uw wijsheid niet verborgen;
24ἐν γὰρ λόγῳ γνωσθήσεται σοφία, καὶ παιδεία ἐν ῥήματι γλώσσης.
24Want in het spreken leert men de wijsheid kennen, Het inzicht in het antwoord van de tong.
25Μὴ ἀντίλεγε τῇ ἀληθείᾳ, καὶ περὶ τῆς ἀπαιδευσίας σου ἐντράπηθι.
25Strijd niet tegen de waarheid, Erken met schaamte uw ongelijk.
26Μὴ αἰσχυνθῇς ὁμολογῆσαι ἐφʼ ἁμαρτίαις σου, καὶ μὴ βιάζου ῥοῦν ποταμοῦ.
26Schaam u niet, terug te keren van het kwaad, En roei niet op tegen de stroom.
27Καὶ μὴ ὑποστρώσῃς σεαυτὸν ἀνθρώπῳ μωρῷ, καὶ μὴ λάβῃς πρόσωπον δυνάστου.
27Onderwerp u niet aan een dwaas, Maar verzet u niet tegen de overheid.
28Ἕως τοῦ θανάτου ἀγώνισαι περὶ τῆς ἀληθείας, καὶ Κύριος ὁ Θεὸς πολεμήσει ὑπὲρ σοῦ.
28Strijd voor de deugd tot aan de dood, En Jahweh zal strijden voor u.
29Μὴ γίνου τραχὺς ἐν γλώσσῃ σου, καὶ νωθρὸς καὶ παρειμένος ἐν τοῖς ἔργοις σου.
29Wees geen zwetser met de tong, En slap en traag in uw daden;
30Μὴ ἴσθι ὡς λέων ἐν τῷ οἴκῳ σου, καὶ φαντασιοκοπῶν ἐν τοῖς οἰκέταις σου.
30Wees thuis niet als een leeuw, En schuw en bang voor uw knechten.
31Μὴ ἔστω ἡ χείρ σου ἐκτεταμένη εἰς τὸ λαβεῖν, καὶ ἐν τῷ ἀποδιδόναι συνεσταλμένη.
31Uw hand zij niet open om te krijgen, En gesloten, als ze moet geven.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.