ΣΕΙΡΑΧ
Chapter 11
Septuagint (Brenton Gree…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΣΕΙΡΑΧ 11

Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Σοφία ταπεινοῦ ἀνύψωσε κεφαλὴν, καὶ ἐν μέσῳ μεγιστάνων καθίσει αὐτόν.
1De wijsheid van een arme verheft zijn hoofd, En geeft hem een plaats onder de vorsten.
2Μὴ αἰνέσεις ἄνδρα ἐν κάλλει αὐτοῦ, καὶ μὴ βδελύξῃ ἄνθρωπον ἐν ὁράσει αὐτοῦ.
2Wil dus niemand prijzen om zijn schone gestalte, En niemand minachten om zijn uiterlijk.
3Μικρὰ ἐν πετεινοῖς μέλισσα, καὶ ἀρχὴ γλυκασμάτων ὁ καρπὸς αὐτῆς.
3De bij is maar nietig onder al wat er vliegt, Maar wat zij voortbrengt, overtreft al het andere.
4Ἐν περιβολῇ ἱματίων μὴ καυχήσῃ, καὶ ἐν ἡμέρᾳ δόξης μὴ ἐπαίρου, ὅτι θαυμαστὰ τὰ ἔργα Κυρίου, καὶ κρυπτὰ τὰ ἔργα αὐτοῦ ἐν ἀνθρώποις.
4Spot dus niet met het kleed van een stakker, En lach niet om iemand in kwade doen; Want wonderbaar zijn de werken des Heren, En zijn beschikkingen zijn voor de mensen verborgen.
5Πολλοὶ τύραννοι ἐκάθισαν ἐπὶ ἐδάφους, ὁ δὲ ἀνυπονόητος ἐφόρεσε διάδημα.
5Misdeelden bestegen dikwijls de troon, En aan wien niemand dacht, verwierf de kroon;
6Πολλοὶ δυνάσται ἠτιμάσθησαν σφόδρα, καὶ ἔνδοξοι παρεδόθησαν εἰς χεῖρας ἑτέρων.
6Maar vele aanzienlijken kwamen ten val, En machtigen vielen het ongeluk ten prooi.
7Πρὶν ἐξετάσῃς μὴ μέμψῃ· νόησον πρῶτον καὶ τότε ἐπιτιμα.
7Verwerp dus niet, eer ge hebt onderzocht: Eerst onderzoeken en dan verwerpen!
8Πρὶν ἢ ἀκοῦσαι μὴ ἀποκρίνου, καὶ ἐν μέσῳ λόγων μὴ παρεμβάλλου.
8Mijn zoon, geef geen antwoord, vóór ge hebt geluisterd, En val den spreker niet in de rede;
9Περὶ πράγματος οὗ οὐκ ἔστι σοι χρεία, μὴ ἔριζε, καὶ ἐν κρίσει ἁμαρτωλῶν μὴ συνέδρευε.
9Gaat de zaak u niet aan, twist er niet om, En bemoei u niet met de ruzie der bozen.
10Τέκνον, μὴ περὶ πολλὰ ἔστωσαν αἱ πράξεις σου· ἐὰν πληθυνῇς, οὐκ ἀθωωθήσῃ· καὶ ἐὰν διώκῃς, οὐ μὴ καταλάβῃς, καὶ οὐ μὴ ἐκφύγῃς διαδράς.
10Mijn zoon, waarom zoudt ge uw zaken vermeerderen; Want niet zonder schade breidt ge ze uit. Hoe meer ge u haast, hoe minder ge slaagt; En hoe meer ge zoekt, hoe minder ge vindt.
11Ἔστι κοπιῶν καὶ πονῶν καὶ σπεύδων, καὶ τόσῳ μᾶλλον ὑστερεῖται.
11Soms tobt men zich af, men zwoegt en men ijlt, En toch bereikt men geen doel.
12Ἔστι νωθρὸς καὶ προσδεόμενος ἀντιλήψεως, ὑστερῶν ἰσχύϊ, καὶ πτωχείᾳ περισσεύει, καὶ οἱ ὀφθαλμοὶ Κυρίου ἐπέβλεψαν αὐτῷ εἰς ἀγαθὰ, καὶ ἀνώρθωσεν αὐτὸν ἐκ ταπεινώσεως αὐτοῦ·
12Daarnaast staat een tobber, een stakker, Zonder kracht, en door en door arm;
13Καὶ ἀνύψωσε κεφαλὴν αὐτοῦ, καὶ ἀπεθαύμασαν ἐπʼ αὐτῷ πολλοί.
13Maar Jahweh ziet genadig hem aan, En schudt het stof en het vuil van hem af; Hij richt zijn hoofd op en heft hem omhoog, En velen staren met verbazing hem aan.
14Ἀγαθὰ καὶ κακά, ζωὴ καὶ θάνατος, πτωχεία καὶ πλοῦτος παρὰ Κυρίου ἐστί.
14Goed en kwaad, leven en dood, Armoe en rijkdom komen van Jahweh!.
no verse 16 in this text
16In duisternis dwalen is het lot van de zondaars, Wie kwaad doen, bij hen blijft het kwaad;
17Δόσις Κυρίου παραμένει εὐσεβέσι, καὶ ἡ εὐδοκία αὐτοῦ εἰς τὸν αἰῶνα εὐοδωθήσεται.
17Maar zegen des Heren blijft het deel der gerechten, Zijn genade geeft hun altijd geluk.
18Ἔστι πλουτῶν ἀπὸ προσοχῆς καὶ σφιγγίας αὐτοῦ, καὶ αὕτη ἡ μερὶς τοῦ μισθοῦ αὐτοῦ.
18Soms wordt iemand rijk door heel veel zwoegen, En dit is het loon, dat hij krijgt:
19Ἐν τῷ εἰπεῖν αὐτὸν, εὗρον ἀνάπαυσιν, καὶ νῦν φάγωμαι ἐκ τῶν ἀγαθῶν μου, καὶ οὐκ οἶδε τίς καιρὸς παρελεύσεται, καὶ καταλείψει αὐτὰ ἑτέροις, καὶ ἀποθανεῖται.
19Eens denkt hij: Rust wil ik vinden; Nu ga ik genieten van mijn bezit. Maar hij weet niet, wat hem gaat overkomen; Hij laat het anderen achter, en sterft.
20Στῆθι ἐν διαθήκῃ σου καὶ ὁμίλει ἐν αὐτῇ, καὶ ἐν τῷ ἔργῳ σου παλαιώθητι.
20Mijn zoon, volbreng standvastig uw plicht, Zodat ge vergrijst in uw werk.
21Μὴ θαύμαζε ἐν ἔργοις ἁμαρτωλοῦ, πίστευε τῷ Κυρίῳ καὶ ἔμμενε τῷ πόνῳ σου· ὅτι κοῦφον ἐν ὀφθαλμοῖς Κυρίου διὰ τάχους ἐξάπινα πλουτίσαι πένητα.
21Verwonder u niet over de zondaars; Vertrouw op Jahweh en wacht op zijn licht! Want gemakkelijk is het in de ogen van Jahweh, Plotseling den arme rijk te maken.
22Εὐλογία Κυρίου ἐν μισθῷ εὐσεβοῦς, καὶ ἐν ὥρᾳ ταχινῇ ἀναθάλλει εὐλογίαν αὐτοῦ.
22De zegen Gods is het loon van den rechtvaardige; Te zijner tijd ontluikt zijn hoop.
23Μὴ εἴπῃς, τίς ἐστί μου χρεία; καὶ τίνα ἀπὸ τοῦ νῦν ἔσται μου τὰ ἀγαθά;
23Denk niet: Wat heb ik nog nodig; Ik doe, wat ik wil; wat wens ik nog meer?
24Μὴ εἴπῃς, αὐτάρκη μοι ἐστὶ, καὶ τί ἀπὸ τοῦ νῦν κακωθήσομαι;
24Denk niet: Ik heb toch genoeg; Welk ongeluk kan mij nog treffen?
25Ἐν ἡμέρᾳ ἀγαθῶν ἀμνησία κακῶν, καὶ ἐν ἡμέρᾳ κακῶν οὐ μνησθήσεται ἀγαθῶν·
25Op de dag van geluk vergeet men het ongeluk; Op de dag van ongeluk denkt men niet meer aan geluk.
26ὅτι κοῦφον ἔναντι Κυρίου ἐν ἡμέρᾳ τελευτῆς ἀποδοῦναι ἀνθρώπῳ κατὰ τὰς ὁδοὺς αὐτοῦ.
26Want gemakkelijk is het voor Jahweh, Den mens nog op zijn sterfdag zijn gedrag te vergelden.
27Κάκωσις ὥρας ἐπιλησμονὴν ποιεῖ τρυφῆς, καὶ ἐν συντελείᾳ ἀνθρώπου ἀποκάλυψις ἔργων αὐτοῦ.
27De tijd van ongeluk doet de vreugde vergeten, En 's mensen einde openbaart, wat hij is.
28Πρὸ τελευτῆς μὴ μακάριζε μηδένα, καὶ ἐν τέκνοις αὐτῶυ γνωσθήσεται ἀνήρ.
28Vóór de dood dus niemand gelukkig prijzen, Eerst aan zijn einde erkent men den mens.
29Μὴ πάντα ἄνθρωπον εἴσαγε εἰς τὸν οἶκόν σου, πολλὰ γὰρ τὰ ἔνεδρα τοῦ δολίου.
29Haal niet iedereen in uw huis; Want vaak wordt een misdaad gepleegd door zwervers.
30Πέρδιξ θηρευτὴς ἐν καρτάλλῳ, οὕτως καρδία ὑπερηφάνου, καὶ ὡς ὁ κατάσκοπος ἐπιβλέπει πτῶσιν.
30Als een lokvogel in een kooi is het hart van den trotse, Als een spion, die het zwakke punt verkent;
31Τὰ γὰρ ἀγαθὰ εἰς κακὰ μεταστρέφων ἐνεδρεύει, καὶ ἐν τοῖς αἱρετοῖς ἐπιθήσει μῶμον.
31Door laster verdraait hij het goede tot kwaad, En sticht hij tweespalt onder uw vrienden.
32Ἀπὸ σπινθῆρος πυρὸς πληθύνεται ἀνθρακία, καὶ ἄνθρωπος ἁμαρτωλὸς εἰς αἷμα ἐνεδρεύει.
32Zoals uit een vonk veel vlammen laaien, Zo loert het Belialskind op bloed.
33Πρόσεχε ἀπὸ κακούργου, πονηρὰ γὰρ τεκταίνει, μήποτε μῶμον εἰς τὸν αἰῶνα δῷ σοι.
33Ontwijk dus den kwade, want kwaad brengt hij voort; Waarom zoudt ge een blijvende smet op u laden?
34Ἐνοίκισον ἀλλότριον, καὶ διαστρέψει σε ἐν ταραχαῖς, καὶ ἀπαλλοτριώσει σε τῶν ἰδίων σου.
34Ga niet om met den boze, want hij bederft uw gedrag, En maakt u afkerig van uw plicht.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.