Romans 15
King James Version with ApocryphaTranslation
King James Version with Apocrypha
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1We then that are strong ought to bear the infirmities of the weak, and not to please ourselves.
1Wij die sterk zijn, we moeten de gevoeligheden der zwakken ontzien, en niet onszelf zoeken.
2Let every one of us please his neighbour for his good to edification.
2Ieder van ons moet het welzijn van den naaste zoeken, om hem te stichten.
3For even Christ pleased not himself; but, as it is written, The reproaches of them that reproached thee fell on me.
3Ook Christus heeft zichzelf niet gezocht; maar zoals geschreven staat: “De smaad van hen, die u smaden, is op Mij gevallen;”
4For whatsoever things were written aforetime were written for our learning, that we through patience and comfort of the scriptures might have hope.
4alles toch wat vroeger geschreven werd, is tot onze onderrichting geschreven, opdat we de hoop zouden verkrijgen door het geduld en de vertroosting, die de Schriften ons bieden.
5Now the God of patience and consolation grant you to be likeminded one toward another according to Christ Jesus:
5De God van geduld en vertroosting schenke u dan de geest van onderlinge eensgezindheid naar het voorbeeld van Christus Jesus,
6That ye may with one mind and one mouth glorify God, even the Father of our Lord Jesus Christ.
6opdat gij eendrachtig en uit één mond den God en Vader van onzen Heer Jesus Christus verheerlijken moogt.
7Wherefore receive ye one another, as Christ also received us to the glory of God.
7Gij moet u dus tot elkander getrokken gevoelen, zoals ook Christus Zich onzer heeft aangetrokken tot verheerlijking van God.
8Now I say that Jesus Christ was a minister of the circumcision for the truth of God, to confirm the promises made unto the fathers:
8Ik bedoel, dat Christus de Bedienaar der besnijdenis is geworden, opdat Gods getrouwheid zou blijken door de vervulling der beloften aan de Vaders;
9And that the Gentiles might glorify God for his mercy; as it is written, For this cause I will confess to thee among the Gentiles, and sing unto thy name.
9maar dat de heidenen God om zijn barmhartigheid moeten verheerlijken, zoals er geschreven staat: “Daarom zal ik U onder de heidenen belijden, En een lofzang aanheffen ter ere van uw Naam.”
10And again he saith, Rejoice, ye Gentiles, with his people.
10En wederom zegt ze: “Verheugt u, gij heidenen, Te zamen met zijn volk!”
11And again, Praise the Lord, all ye Gentiles; and laud him, all ye people.
11En eveneens: “Looft den Heer, alle heidenen, Verheerlijkt Hem, alle naties!”
12And again, Esaias saith, There shall be a root of Jesse, and he that shall rise to reign over the Gentiles; in him shall the Gentiles trust.
12En Isaias zegt weer: “Het zal de Wortel van Jesse zijn, Die opstaat om ook over de heidenen te heersen; Op Hem zullen de heidenen hopen.”
13Now the God of hope fill you with all joy and peace in believing, that ye may abound in hope, through the power of the Holy Ghost.
13Moge dan de God van hoop door het geloof u vervullen met alle vreugde en vrede; opdat gij rijke overvloed van hoop moogt verwerven door de kracht van den heiligen Geest!
14And I myself also am persuaded of you, my brethren, that ye also are full of goodness, filled with all knowledge, able also to admonish one another.
14Eigenlijk gezegd, mijn broeders, ben ik er voor mezelf van overtuigd, dat gij toch al vervuld zijt met goede gevoelens en vol van alle kennis, en dat gij zelf in staat zijt, elkaar te vermanen.
15Nevertheless, brethren, I have written the more boldly unto you in some sort, as putting you in mind, because of the grace that is given to me of God,
15Toch heb ik u hier en daar tamelijk vrijmoedig geschreven, daar ik u een en ander in herinnering had te brengen krachtens de genade door God mij geschonken:
16That I should be the minister of Jesus Christ to the Gentiles, ministering the gospel of God, that the offering up of the Gentiles might be acceptable, being sanctified by the Holy Ghost.
16om onder de heidenen een dienaar van Christus Jesus te zijn in de heilige dienst van het Evangelie Gods; opdat de heidenen een welgevallige offerande zouden worden, geheiligd door den heiligen Geest.
17I have therefore whereof I may glory through Jesus Christ in those things which pertain to God.
17En op deze dienst van God beroem ik mij in Christus Jesus.
18For I will not dare to speak of any of those things which Christ hath not wrought by me, to make the Gentiles obedient, by word and deed,
18Want ik zal me niet verstouten, over iets anders te spreken, dan over wat Christus door mij heeft uitgewerkt tot bekering der heidenen, door woord en door daad,
19Through mighty signs and wonders, by the power of the Spirit of God; so that from Jerusalem, and round about unto Illyricum, I have fully preached the gospel of Christ.
19door kracht van tekenen en wonderen, en door de kracht van den heiligen Geest. Zó heb ik wel van Jerusalem af tot Illúrië toe in alle richtingen het Evangelie van Christus in al zijn volheid verkondigd;
20Yea, so have I strived to preach the gospel, not where Christ was named, lest I should build upon another man’s foundation:
20maar evenzeer was het mij een erezaak, nergens het Evangelie te preken, waar de naam van Christus reeds werd genoemd; om niet op de grondslagen van anderen te bouwen,
21But as it is written, To whom he was not spoken of, they shall see: and they that have not heard shall understand.
21maar zoals er geschreven staat: “Zij zullen Hem zien, Wien Hij niet was verkondigd; Zij zullen Hem kennen, Die niet van Hem hadden gehoord.”
22For which cause also I have been much hindered from coming to you.
22Dit is dan ook de reden, waarom ik telkens verhinderd werd, u te bezoeken.
23But now having no more place in these parts, and having a great desire these many years to come unto you;
23Maar nu ik in deze streken geen arbeidsveld meer heb, en ik toch reeds sinds vele jaren het verlangen had, u te bezoeken,
24Whensoever I take my journey into Spain, I will come to you: for I trust to see you in my journey, and to be brought on my way thitherward by you, if first I be somewhat filled with your company .
24nu hoop ik dus, wanneer ik naar Spanje vertrek, u op mijn doorreis te zien, en dan door u verder voortgeholpen te worden, wanneer ik eerst een weinig althans van de omgang met u zal hebben genoten.
25But now I go unto Jerusalem to minister unto the saints.
25Thans vertrek ik naar Jerusalem, om aan de heiligen mijn diensten te bewijzen.
26For it hath pleased them of Macedonia and Achaia to make a certain contribution for the poor saints which are at Jerusalem.
26Want Macedónië en Achaja hebben het goede besluit genomen, een inzameling te houden ten bate van de armen onder de heiligen van Jerusalem.
27It hath pleased them verily; and their debtors they are. For if the Gentiles have been made partakers of their spiritual things, their duty is also to minister unto them in carnal things.
27Ze hebben dat goede besluit genomen, daar ze ook verplichtingen aan hen hebben; want wanneer de heidenen deel hebben gekregen aan hùn geestelijke goederen, dan zijn dezen ook verplicht, hèn met stoffelijke goederen te ondersteunen.
28When therefore I have performed this, and have sealed to them this fruit, I will come by you into Spain.
28Wanneer ik dus deze zaak heb afgewikkeld en hun deze opbrengst ter hand heb gesteld, zal ik naar Spanje vertrekken, en dan bij u aankomen.
29And I am sure that, when I come unto you, I shall come in the fulness of the blessing of the gospel of Christ.
29En ik weet, dat ik met de volheid van Christus zegen zal komen, wanneer ik u kom bezoeken.
30Now I beseech you, brethren, for the Lord Jesus Christ’s sake, and for the love of the Spirit, that ye strive together with me in your prayers to God for me;
30Ik smeek u dan broeders, bij onzen Heer Jesus Christus en bij de liefde van den Geest, mij in de strijd te helpen door uw gebeden, die ge voor mij opstiert tot God;
31That I may be delivered from them that do not believe in Judaea; and that my service which I have for Jerusalem may be accepted of the saints;
31opdat ik ontkomen mag aan de ongelovigen van Judea, en mijn dienstbetoon voor Jerusalem door de heiligen op prijs wordt gesteld;
32That I may come unto you with joy by the will of God, and may with you be refreshed.
32en opdat ik dan, zo God het wil, met blijdschap u bezoeken mag, en mij verpozen in uw midden.
33Now the God of peace be with you all. Amen.
33De God van de vrede zij met u allen. Amen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.