Numbers 19
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And the LORD spoke unto Moses and unto Aaron, saying:
1Jahweh sprak tot Moses en Aäron:
2This is the statute of the law which the LORD hath commanded, saying: Speak unto the children of Israel, that they bring thee a red heifer, faultless, wherein is no blemish, and upon which never came yoke.
2Dit is het voorschrift van de wet, die Jahweh geeft: Beveel de Israëlieten, dat zij u een rode koe brengen, gaaf en zonder gebrek, die nog geen juk heeft gedragen.
3And ye shall give her unto Eleazar the priest, and she shall be brought forth without the camp, and she shall be slain before his face.
3Ge moet haar aan den priester Elazar geven, die haar buiten de legerplaats moet brengen, en daar in zijn tegenwoordigheid laten slachten.
4And Eleazar the priest shall take of her blood with his finger, and sprinkle of her blood toward the front of the tent of meeting seven times.
4Dan moet de priester Elazar met zijn vinger wat van haar bloed nemen, en het zeven maal voor de openbaringstent sprenkelen.
5And the heifer shall be burnt in his sight; her skin, and her flesh, and her blood, with her dung, shall be burnt.
5Daarna moet men de koe in zijn tegenwoordigheid verbranden; haar huid, vlees, en bloed moet men met de darmen verbranden.
6And the priest shall take cedar-wood, and hyssop, and scarlet, and cast it into the midst of the burning of the heifer.
6Vervolgens moet de priester cederhout, hysop en karmozijn nemen, en dat midden op de brandende koe werpen.
7Then the priest shall wash his clothes, and he shall bathe his flesh in water, and afterward he may come into the camp, and the priest shall be unclean until the even.
7Dan moet de priester zijn kleren wassen en een bad nemen, waarna hij in de legerplaats mag komen; maar de priester blijft tot de avond onrein.
8And he that burneth her shall wash his clothes in water, and bathe his flesh in water, and shall be unclean until the even.
8Ook de man, die de koe heeft verbrand, moet zijn kleren wassen, een bad nemen, en is tot de avond onrein.
9And a man that is clean shall gather up the ashes of the heifer, and lay them up without the camp in a clean place, and it shall be kept for the congregation of the children of Israel for a water of sprinkling; it is a purification from sin.
9Nu moet iemand, die rein is, de as van de koe verzamelen, en die buiten de legerplaats op een reine plaats leggen; ze moet voor de gemeenschap der Israëlieten worden bewaard, om er het reinigingswater mee te bereiden; die koe is een zondeoffer.
10And he that gathereth the ashes of the heifer shall wash his clothes, and be unclean until the even; and it shall be unto the children of Israel, and unto the stranger that sojourneth among them, for a statute for ever.
10Ook de man, die de as van de koe heeft verzameld, moet zijn kleren wassen, en is tot de avond onrein. Voor de Israëlieten zowel als voor den vreemdeling, die in uw midden woont, geldt voor eeuwig de volgende wet.
11He that toucheth the dead, even any man's dead body, shall be unclean seven days;
11Wie een lijk van een mens aanraakt, is zeven dagen onrein.
12the same shall purify himself therewith on the third day and on the seventh day, and he shall be clean; but if he purify not himself the third day and the seventh day, he shall not be clean.
12Hij moet op de derde en op de zevende dag zich met dit water laten reinigen; dan is hij weer rein. Zo hij zich op de derde en zevende dag niet heeft laten reinigen, is hij niet rein.
13Whosoever toucheth the dead, even the body of any man that is dead, and purifieth not himself — he hath defiled the tabernacle of the LORD — that soul shall be cut off from Israel; because the water of sprinkling was not dashed against him, he shall be unclean; his uncleanness is yet upon him.
13Iedereen, die het lijk van een mens aanraakt, en zich niet laat reinigen, bezoedelt de tabernakel van Jahweh, en zal van Israël worden afgesneden. Zolang het reinigingswater niet op hem is gesprenkeld, is hij onrein, en blijft hij onrein.
14This is the law: when a man dieth in a tent, every one that cometh into the tent, and every thing that is in the tent, shall be unclean seven days.
14Ook dit is wet: Wanneer een mens in een tent sterft, zal iedereen, die de tent binnentreedt, en alles wat in de tent is, zeven dagen lang onrein zijn;
15And every open vessel, which hath no covering close-bound upon it, is unclean.
15ook elk open vat, dat niet met een doek is afgedekt, zal onrein zijn.
16And whosoever in the open field toucheth one that is slain with a sword, or one that dieth of himself, or a bone of a man, or a grave, shall be unclean seven days.
16Zo ook is iedereen, die in het open veld iemand aanraakt, die door het zwaard is vermoord, of een natuurlijke dood is gestorven, de beenderen van een mens, of een graf, zeven dagen onrein.
17And for the unclean they shall take of the ashes of the burning of the purification from sin, and running water shall be put thereto in a vessel.
17Voor zulk een onreine moet men wat as van het verbrande zondeoffer nemen, en daarop in een vat levend water doen.
18And a clean person shall take hyssop, and dip it in the water, and sprinkle it upon the tent, and upon all the vessels, and upon the persons that were there, and upon him that touched the bone, or the slain, or the dead, or the grave.
18Dan moet een rein man hysop nemen, die in het water dompelen, en de tent besprenkelen, alle voorwerpen en alle personen, die er in waren, en hem die de beenderen, den vermoorde, den gestorvene, of het graf heeft aangeraakt.
19And the clean person shall sprinkle upon the unclean on the third day, and on the seventh day; and on the seventh day he shall purify him; and he shall wash his clothes, and bathe himself in water, and shall be clean at even.
19Zo moet de reine den onreine op de derde en op de zevende dag besprenkelen. Als hij op de zevende dag is gereinigd, moet hij nog zijn kleren wassen, en een bad nemen; dan is hij des avonds weer rein.
20But the man that shall be unclean, and shall not purify himself, that soul shall be cut off from the midst of the assembly, because he hath defiled the sanctuary of the LORD; the water of sprinkling hath not been dashed against him: he is unclean.
20Maar wanneer zulk een onreine zich niet laat reinigen, zal hij van de gemeente worden afgesneden, omdat hij het heiligdom van Jahweh bezoedelt. Zolang er geen reinigingswater op hem is gesprenkeld, blijft hij onrein.
21And it shall be a perpetual statute unto them; and he that sprinkleth the water of sprinkling shall wash his clothes; and he that toucheth the water of sprinkling shall be unclean until even.
21Dit is voor u een eeuwige wet. Ook hij, die het reinigingswater sprenkelt, moet zijn kleren wassen; en die aan het reinigingswater komt, is tot de avond onrein.
22And whatsoever the unclean person toucheth shall be unclean; and the soul that toucheth him shall be unclean until even.
22Ook wordt alles wat de onreine aanraakt, onrein; en de persoon, die hem aanraakt, is tot de avond onrein.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.