2 Chronicles 24
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Joash was seven years old when he began to reign; and he reigned forty years in Jerusalem; and his mother's name was Zibiah of Beer-sheba.
1Joasj was zeven jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde veertig jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Sibja, en was afkomstig uit Beër-Sjéba.
2And Joash did that which was right in the eyes of the LORD all the days of Jehoiada the priest.
2Joasj deed wat goed was in de ogen van Jahweh, zolang de priester Jehojada leefde.
3And Jehoiada took for him two wives; and he begot sons and daughters.
3Jehojada koos twee vrouwen voor hem, en hij werd de vader van zonen en dochters.
4And it came to pass after this, that Joash was minded to restore the house of the LORD.
4Enige tijd later vatte hij het plan op, de tempel van Jahweh te herstellen.
5And he gathered together the priests and the Levites, and said to them: 'Go out unto the cities of Judah, and gather of all Israel money to repair the house of your God from year to year, and see that ye hasten the matter.' Howbeit the Levites hastened it not.
5Hij riep de priesters en levieten bijeen, en zeide tot hen: Ge moet naar de steden van Juda gaan, en geld bij heel Israël ophalen, om van jaar tot jaar de tempel van uw God te kunnen herstellen. Zet spoed achter het werk. Maar de levieten zetten geen spoed achter het werk.
6And the king called for Jehoiada the chief, and unto him: 'Why hast thou not required of the Levites to bring in out of Judah and out of Jerusalem the tax of Moses the servant of the LORD, and of the congregation of Israel, for the tent of the testimony?'
6Daarom ontbood de koning den opperpriester Jehojada, en sprak tot hem: Waarom hebt gij er niet voor gezorgd, dat de levieten in Juda en Jerusalem de heffing innen, die Moses, de dienaar van Jahweh, de gemeenschap van Israël heeft opgelegd voor de openbaringstent?
7For the sons of Athaliah, that wicked woman, had broken up the house of God; and also all the hallowed things of the house of the LORD did they bestow upon the Baalim.
7Dat goddeloze schepsel Ataljáhoe en haar zonen hebben de tempel van God laten onderkomen, en alle wijgeschenken van de tempel van Jahweh voor de Báals gebruikt.
8So the king commanded, and they made a chest, and set it without at the gate of the house of the LORD.
8Toen maakte men op aanwijzing des konings een kist, die buiten de poort van de tempel van Jahweh gezet werd,
9And they made a proclamation through Judah and Jerusalem, to bring in for the LORD the tax that Moses the servant of God laid upon Israel in the wilderness.
9en liet men in Juda en Jerusalem bekend maken, dat men voor Jahweh de heffing moest opbrengen, die Moses, de dienaar Gods, in de woestijn aan Israël had voorgeschreven.
10And all the princes and all the people rejoiced, and brought in, and cast into the chest, until they had made an end.
10Alle voornamen en heel het volk kwamen nu tot den laatsten man met vreugde hun gave in de offerkist werpen.
11And it was so, that at what time the chest was brought unto the king's officers by the hand of the Levites, and when they saw that there was much money, the king's scribe and the chief priest's officer came and emptied the chest, and took it, and carried it back to its place. Thus they did day by day, and gathered money in abundance.
11Telkens als men de kist bij de levieten bracht, die op last des konings toezicht moesten houden, en dezen zagen, dat er veel geld in was, kwam de kanselier van den koning met een opzichter van den opperpriester, om de kist te ledigen en haar weer op haar plaats te zetten. Dit hadden ze iedere dag te doen, zodat ze veel geld bijeen kregen.
12And the king and Jehoiada gave it to such as did the work of the service of the house of the LORD; and they hired masons and carpenters to restore the house of the LORD, and also such as wrought iron and brass to repair the house of the LORD.
12De koning en Jehojada gaven het aan de opzichters, die het werk aan de tempel van Jahweh hadden te leiden; en dezen namen steenhouwers en timmerlieden in dienst, om de tempel van Jahweh nog hechter te maken, en smeden en koperslagers, om de tempel van Jahweh te herstellen.
13So the workmen wrought, and the work was perfected by them, and they set up the house of God in its state, and strengthened it.
13De arbeiders deden hun werk, en het werk vorderde onder hun handen; zij herstelden de tempel van God in zijn oorspronkelijke toestand, en brachten hem in goede staat.
14And when they had made an end, they brought the rest of the money before the king and Jehoiada, whereof were made vessels for the house of the LORD, even vessels wherewith to minister, and buckets, and pans, and vessels of gold and silver. And they offered burnt-offerings in the house of the LORD continually all the days of Jehoiada.
14Toen zij klaar waren, bracht men den koning en Jehojada de gelden, die nog over waren; daarvoor liet hij het gerief voor de tempel van Jahweh vervaardigen, met schalen en andere gouden en zilveren voorwerpen, die nodig waren voor de dienst en de offers. Zolang Jehojada leefde, bracht men voortdurend brandoffers in de tempel van Jahweh.
15But Jehoiada waxed old and was full of days, and he died; a hundred and thirty years old was he when he died.
15Maar Jehojada werd oud en hoogbejaard en stierf. Bij zijn dood was hij honderd dertig jaar.
16And they buried him in the city of David among the kings, because he had done good in Israel, and toward God and His house.
16Men begroef hem in de Davidstad bij de koningen, omdat hij zich voor Israël en voor God en zijn tempel zo verdienstelijk had gemaakt.
17Now after the death of Jehoiada came the princes of Judah, and prostrated themselves before the king. Then the king hearkened unto them.
17Na de dood van Jehojada kwamen echter de voormannen van Juda zich voor den koning neerbuigen. De koning luisterde naar hen,
18And they forsook the house of the LORD, the God of their fathers, and served the Asherim and the idols; and wrath came upon Judah and Jerusalem for this their guiltiness.
18en men begon de tempel van Jahweh, den God hunner vaderen, te verwaarlozen, en de heilige palen en de afgodsbeelden te vereren. Om deze misdaad kwam er een strafgericht over Juda en Jerusalem.
19Yet He sent prophets to them, to bring them back unto the LORD; and they admonished them, but they would not give ear.
19En Jahweh zond profeten tot hen, om ze tot Zich terug te brengen; dezen waarschuwden hen, maar ze luisterden niet.
20And the spirit of God clothed Zechariah the son of Jehoiada the priest; and he stood above the people, and said unto them: 'Thus saith God: Why transgress ye the commandments of the LORD, that ye cannot prosper? because ye have forsaken the LORD, He hath also forsaken you.'
20Toen kwam de geest Gods over Zekarja, den zoon van den priester Jehojada. Hij ging voor het volk staan, en zeide tot hen: Zo spreekt God! Waarom overtreedt gij de geboden van Jahweh en vertrapt gij uw eigen geluk? Want nu gij Jahweh verlaat, verlaat Hij ook u!
21And they conspired against him, and stoned him with stones at the commandment of the king in the court of the house of the LORD.
21Maar zij spanden tegen hem samen, en stenigden hem op bevel des konings in de voorhof van de tempel van Jahweh.
22Thus Joash the king remembered not the kindness which Jehoiada his father had done to him, but slew his son. And when he died, he said: 'The LORD look upon it, and require it.'
22Zo weinig dacht de koning aan al het goede, dat zijn vader Jehojada voor hem gedaan had, dat hij zijn zoon liet vermoorden. Stervend riep deze uit: Jahweh ziet het, en zal het wreken!
23And it came to pass, when the year was come about, that the army of the Arameans came up against him; and they came to Judah and Jerusalem, and destroyed all the princes of the people from among the people, and sent all the spoil of them unto the king of Damascus.
23Bij de jaarwisseling trok het leger van Aram tegen hem op. Zij drongen J uda en J erusalem binnen, brachten alle leiders van het volk om het leven, en zonden al hun buit naar den koning van Damascus.
24For the army of the Arameans came with a small company of men; and the LORD delivered a very great host into their hand, because they had forsaken the LORD, the God of their fathers. So they executed judgment upon Joash.
24Want ofschoon het leger van Aram slechts uit een gering aantal manschappen bestond, leverde Jahweh het zeer talrijke leger van Juda aan hen over, omdat ze Jahweh hadden verlaten, den God hunner vaderen. Ook aan Joasj voltrokken zij hun strafgericht.
25And when they were departed from him — for they left him in great diseases — his own servants conspired against him for the blood of the sons of Jehoiada the priest, and slew him on his bed, and he died; and they buried him in the city of David, but they buried him not in the sepulchres of the kings.
25Toen zij van hem waren weggetrokken, en hem onder hevige pijnen hadden achtergelaten, spanden zijn hovelingen samen, om het bloed van den zoon van den priester Jehojada te wreken, en vermoordden hem op zijn bed. Zo stierf hij. Men begroef hem in de Davidstad, maar niet in de graven der koningen.
26And these are they that conspired against him: Zabad the son of Shimeath the Ammonitess, and Jehozabad the son of Shimrith the Moabitess.
26Dit zijn de mannen, die tegen hem hebben samengespannen: Zabad, de zoon van Sjimat den Ammoniet, en Jehozabad, de zoon van Sjimrit den Moabiet.
27Now concerning his sons, and the multitude of the burdens against him, and the rebuilding of the house of God, behold, they are written in the commentary of the book of the kings. And Amaziah his son reigned in his stead.
27Over zijn zonen, de grootte van de schatting die hij moest opbrengen en het herbouwen van de tempel van God staat geschreven in het Leerboek van het boek der koningen. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Amas-jáhoe.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.