מַעֲשֵׂי הַשְּׁלִיחִים 26
Modern Hebrew BibleTranslation
Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ויאמר אגרפס אל פולוס נתן לך לדבר בעד נפשך אז יצטדק פולוס ויושט את ידו ויאמר׃
1Nu sprak Agrippa tot Paulus: Ge hebt verlof, u te verdedigen. Toen strekte Paulus zijn hand uit, en sprak te zijner verdediging:
2מאשר אני את נפשי המלך אגרפס כי לפניך אצטדק היום על כל אשר שטנים אתי היהודים׃
2Ik acht me gelukkig, koning Agrippa, dat ik heden in de gelegenheid ben, mij voor u te rechtvaardigen op alle punten, waarvan ik door de Joden beticht word;
3כי אתה ידע היטב כל המנהגים והשאלות אשר בין היהודים ועל כן אשאלה מאתך לשמע אתי כארך רוחך׃
3en dit des te meer, omdat gij alle gebruiken en strijdvragen der Joden kent. Daarom bid ik u, mij geduldig aan te horen.
4הנה את דרכי מנעורי אשר התהלכתי בה מאז בתוך עמי ובירושלים ידעים אותה כל היהודים׃
4Wat mijn vroeger leven betreft, dat is aan alle Joden bekend, daar ik het van jongsaf aan onder mijn volk te Jerusalem heb doorgebracht.
5כי מימים ראשונים ידעוני אם ירצו להעיד כי כפרוש התנהגתי על פי הכת המקפדת ביותר בעבודתנו׃
5Ze weten, als ze het maar willen getuigen, dat ik van de aanvang af naar de strengste richting van onze godsdienst als farizeër heb geleefd.
6ועתה אני עמד להשפט על תקות ההבטחה אשר הבטיחה האלהים את אבותינו׃
6En thans sta ik terecht om de verwachting van de Belofte, die God aan onze vaderen deed,
7ואשר שנים עשר שבטינו מיחלים להגיע לה בעבדם את יהוה תמיד יומם ולילה על דבר התקוה הזאת אגרפס המלך שטנים אותי היהודים׃
7en wier vervulling onze twaalf stammen vol hoop tegemoet blijven zien, door God dag en nacht met ijver te dienen. Om die verwachting, o koning, word ik door de Joden beschuldigd.
8מדוע יפלא בעיניכם כי האלהים יחיה מתים׃
8Wat ongelovigs vindt gij er in, dat God doden doet verrijzen?
9הן לפנים אני חשבתי צדקה לצרר את שם ישוע הנצרי עד מאד׃
9Om op mijzelf terug te komen: ik meende dus, dat het mijn plicht was, zeer vijandig op te treden tegen de naam van Jesus van Názaret.
10כאשר עשיתי בירושלים וגם קדושים רבים אני הסגרתי לבתי כלאים ברשיון אשר קבלתי מאת הכהנים הגדולים וכשנהרגו הסכמתי׃
10Dat heb ik dan ook te Jerusalem gedaan. Door de opperpriesters gemachtigd, heb ik een groot aantal heiligen in de gevangenis geworpen; en als ze ter dood werden gebracht, stemde ik er voor.
11ובכל בתי הכנסיות יסרתי אתם פעמים רבות ואנסתים לגדף ואתהוללה בם עד מאד וארדפם עד לערים אשר חוצה לארץ׃
11In alle synagogen heb ik ze vaak gekastijd, en ze tot godslastering trachten te dwingen. Mijn woede kende geen grenzen; ik heb ze vervolgd tot in de steden van het buitenland.
12ויהי בלכתי על זאת לדמשק ברשיון הכהנים הגדולים ובמצותם׃
12Met dat doel reisde ik naar Damascus met volmacht en opdracht van de opperpriesters.
13והנה אדני המלך בצהרים בדרך ראיתי אור צח מזהר השמש אשר משמים נגה עלי מסביב ועל ההלכים אתי׃
13Nog was ik op weg, toen ik, o koning, op klaarlichte dag een licht uit de hemel, dat de glans van de zon overtrof, om mij en mijn gezellen zag bliksemen.
14ונפל כלנו ארצה ואשמע קול מדבר אלי בלשון עברית לאמר שאול שאול למה תרדפני קשה לך לבעט בדרבנות׃
14We vielen allen neer op de grond, en ik hoorde een stem, die in het hebreeuws tot mij sprak: “Saul, Saul, waarom vervolgt ge Mij? Het valt u hard, terug te slaan tegen de prikkel”.
15ואמר מי אתה אדני ויאמר אנכי ישוע אשר אתה רדף׃
15Ik antwoordde: “Wie zijt Gij, Heer”? En de Heer sprak: Ik ben Jesus, dien ge vervolgt.
16אבל קום ועמד על רגליך כי לבעבור זאת נראיתי אליך לבחר בך למשרת ולעד על אשר ראית ועל אשר אראך׃
16Maar richt u op, en sta op uw voeten. Want hiertoe ben Ik u verschenen, om u aan te stellen tot dienaar en getuige van wat ge gezien hebt, en van wat Ik u zal laten zien.
17בהצילי אותך מן העם ומן הגוים אשר אשלחך עתה אליהם׃
17Ik heb u afgezonderd van het volk en van de heidenen. Ik zend u tot hen,
18לפקח את עיניהם למען ישובו מחשך לאור ומיד השטן אל האלהים וימצאו באמונתם בי את סליחת החטאים ואת הנחלה בתוך המקדשים׃
18om hun ogen te openen, hen van de duisternis tot het licht te bekeren, en van de macht van den satan tot God; opdat ze, door in Mij te geloven, vergiffenis der zonden bekomen, en een erfdeel te midden der heiligen.
19על כן המלך אגרפס לא המריתי את המראה אשר ראיתי מן השמים׃
19Daarom, koning Agrippa, ben ik nooit ongehoorzaam geweest aan dit hemels visioen.
20כי אם קראתי ראשונה לישבי דמשק וירושלים ובכל ארץ יהודה וגם לגוים כי ינחמו וישובו אל האלהים ויעשו מעשים ראוים לתשובה׃
20Maar ik heb gepreekt eerst aan de Joden van Damascus en van Jerusalem en van heel het joodse land, later ook aan de heidenen, dat ze zich zouden bekeren en zich wenden tot God, door waardige werken van boete te doen.
21ובגלל הדבר הזה תפשו אתי היהודים במקדש ויבקשו להמיתני׃
21En daarom hebben de Joden mij in de tempel gegrepen, en getracht mij te doden.
22והאלהים היה בעזרי ועד היום הזה עמד אני ומעיד לפני קטן וגדול ואינני מדבר דבר זולתי אשר דברו הנביאים ומשה כי עתידות הנה להיות׃
22Maar door Gods bijstand geholpen, houd ik stand tot op deze dag toe, en leg ik getuigenis af voor klein en groot. Maar ik leer niets anders, dan wat de profeten en Moses hebben voorspeld:
23כי המשיח מענה הוא וכי ראשון הוא לקמים מן המתים להפיץ אור בעם ובגוים׃
23dat de Christus moest lijden, en als de eerste uit de opstanding der doden, het licht zou brengen aan het volk en de heidenen.
24ויהי הוא מצטדק כזאת ויען פסטוס בקול גדול לאמר הנך משתגע פולוס רב הלמוד הביאך לידי שגעון׃
24Terwijl hij zich zó aan het verdedigen was, viel Festus uit: Ge raaskalt Paulus; uw grote geleerdheid maakt u waanzinnig.
25ויאמר פולוס אינני משגע פסטוס האדיר כי אם דברי אמת וטעם אביע׃
25Maar Paulus sprak: Ik ben niet waanzinnig, edele Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en wijsheid.
26כי המלך יודע את אלה ועל זאת גם בבטחון אני מדבר אליו יען אשר לא אאמין כי נעלם ממנו דבר מן הדברים האלה כי לא בקרן זוית נעשתה זאת׃
26Want de koning weet van al die dingen, en ik spreek er hem dus vrijmoedig over. Ik ben er zeker van, dat niets daarvan hem onbekend is gebleven; want het is niet in een uithoek gebeurd.
27המלך אגרפס המאמין אתה בנביאים ידעתי כי מאמין אתה׃
27Gelooft ge aan de profeten, koning Agrippa? Ik weet, dat ge er aan gelooft.
28ויאמר אגרפס אל פולוס עוד מעט ופתיתני להיות נצרי׃
28Agrippa zeide tot Paulus: Ge zoudt me haast overhalen, christen te worden.
29ויאמר פולוס אבקשה מאלהים אשר אם במעט ואם בהרבה לא אתה לבדך כי גם כל השמעים אותי יהיו כמוני זולתי המוסרות האלה׃
29En Paulus weer: Ik zou tot God willen bidden, dat nu of later gij niet alleen, maar allen, die mij heden aanhoren, mogen worden juist zoals ik, uitgezonderd deze boeien.
30ויהי בדברו הדבר הזה ויקם המלך וההגמון וברניקה והישבים אתם׃
30Nu stonden de koning, de landvoogd, Bernike, en allen die bij hen hadden gezeten, op,
31ויסורו החדרה וידברו איש אל רעהו לאמר האיש הזה לא עשה דבר אשר יהיה עליו חיב מיתה או מוסרות׃
31en zeiden bij het heengaan onder elkander: Deze man heeft niets gedaan, wat dood of boeien verdient.
32ויאמר אגרפס אל פסטוס האיש הזה יוכל להפטר לולא קרא את הקיסר לדינו׃
32En Agrippa zeide tot Festus: Deze man had vrijgelaten kunnen worden, zo hij zich niet had beroepen op Caesar.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.