1 מְלָכִים

New Testament

מתיוסנט מארקהבְּשׂוֹרָה הַקְּדוֹשָׁה עַל־פִּי לוּקָסג'וןמַעֲשֵׂי הַשְּׁלִיחִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָרוֹמִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָרִאשׁוֹנָה אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָשֵּׁנִית אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַגָּלָטִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָאֶפְסִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַפִּילִפִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַקּוֹלַסִּים1 סלוניס2 סלוניס1 טימותי2 טימותיאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־טִיטוֹסאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־פִּילֵימוֹןאִגֶּרֶת אֶל־הָעִבְרִיםאִגֶּרֶת יַעֲקֹבהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשְּׁלִישִׁית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַאִגֶּרֶת יְהוּדָהחזוֹן יוֹחָנָן
Chapter 11
Modern Hebrew Bible
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

1 מְלָכִים 11

Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1והמלך שלמה אהב נשים נכריות רבות ואת בת פרעה מואביות עמניות אדמית צדנית חתית׃
1Koning Salomon had, behalve de dochter van Farao, nog vele andere vreemde vrouwen lief: moabietische, ammonietische, aramese, edomietische, sidonietische, chittietische en amorietische.
2מן הגוים אשר אמר יהוה אל בני ישראל לא תבאו בהם והם לא יבאו בכם אכן יטו את לבבכם אחרי אלהיהם בהם דבק שלמה לאהבה׃
2Ze waren dus uit de volkeren, over wie Jahweh tot de kinderen van Israël had gezegd: Gij moogt u niet met hen inlaten, noch zij met u; anders zullen zij u tot de dienst hunner goden verleiden. Toch gaf Salomon zich aan haar over;
3ויהי לו נשים שרות שבע מאות ופלגשים שלש מאות ויטו נשיו את לבו׃
3hij had zeven honderd vrouwen als vorstinnen en drie honderd bijvrouwen. Die vrouwen brachten hem van het goede pad.
4ויהי לעת זקנת שלמה נשיו הטו את לבבו אחרי אלהים אחרים ולא היה לבבו שלם עם יהוה אלהיו כלבב דויד אביו׃
4Op zijn oude dag werd Salomon door zijn vrouwen tot de dienst van vreemde goden verleid, zodat zijn hart niet altijd onverdeeld aan Jahweh, zijn God, toebehoorde, zoals het hart van zijn vader David.
5וילך שלמה אחרי עשתרת אלהי צדנים ואחרי מלכם שקץ עמנים׃
5Salomon begon Asjtarte, de godin der Sidoniërs, en Milkom, de gruwel der Ammonieten, te vereren;
6ויעש שלמה הרע בעיני יהוה ולא מלא אחרי יהוה כדוד אביו׃
6hij deed dus wat slecht was in de ogen van Jahweh, en bleef Hem niet altijd trouw, zoals zijn vader David.
7אז יבנה שלמה במה לכמוש שקץ מואב בהר אשר על פני ירושלם ולמלך שקץ בני עמון׃
7Zelfs bouwde Salomon een offerhoogte voor Kemosj, de gruwel van Moab, op de berg ten oosten van Jerusalem, en een voor Molok, de gruwel der Ammonieten.
8וכן עשה לכל נשיו הנכריות מקטירות ומזבחות לאלהיהן׃
8Hetzelfde deed hij voor al zijn vreemde vrouwen, die voor haar goden wierook wilden branden en offeren.
9ויתאנף יהוה בשלמה כי נטה לבבו מעם יהוה אלהי ישראל הנראה אליו פעמים׃
9Toen werd Jahweh vergramd op Salomon. omdat hij zijn hart had afgewend van Jahweh, Israëls God, die hem tot tweemaal toe was verschenen,
10וצוה אליו על הדבר הזה לבלתי לכת אחרי אלהים אחרים ולא שמר את אשר צוה יהוה׃
10en hem uitdrukkelijk had geboden, geen vreemde goden te dienen. En omdat Salomon zich niet aan Jahweh’s gebod had gehouden,
11ויאמר יהוה לשלמה יען אשר היתה זאת עמך ולא שמרת בריתי וחקתי אשר צויתי עליך קרע אקרע את הממלכה מעליך ונתתיה לעבדך׃
11sprak Jahweh tot hem: Omdat het met u zover is gekomen, dat gij u niet gehouden hebt aan mijn verbond, noch aan de wetten, die Ik u gaf, daarom zal Ik u het koninkrijk ontnemen en het geven aan uw knecht.
12אך בימיך לא אעשנה למען דוד אביך מיד בנך אקרענה׃
12Terwille van David, uw vader, zal Ik het echter niet bij uw leven doen; maar Ik neem het af van uw zoon.
13רק את כל הממלכה לא אקרע שבט אחד אתן לבנך למען דוד עבדי ולמען ירושלם אשר בחרתי׃
13Ook zal Ik niet het hele koninkrijk afnemen, maar één stam aan uw zoon geven, terwille van mijn dienaar David en van Jerusalem, dat Ik mij heb uitverkoren.
14ויקם יהוה שטן לשלמה את הדד האדמי מזרע המלך הוא באדום׃
14Daarom deed Jahweh tegen Salomon een bestrijder opstaan in den Edomiet Hadad, die uit de koninklijke familie van Edom stamde.
15ויהי בהיות דוד את אדום בעלות יואב שר הצבא לקבר את החללים ויך כל זכר באדום׃
15Toen David Edom verslagen had en de legeroverste Joab was uitgetrokken, om de gesneuvelden te begraven, had deze alle mannen van Edom vermoord;
16כי ששת חדשים ישב שם יואב וכל ישראל עד הכרית כל זכר באדום׃
16zes maanden was Joab met heel Israël in Edom gebleven, totdat hij alle mannen had uitgemoord.
17ויברח אדד הוא ואנשים אדמיים מעבדי אביו אתו לבוא מצרים והדד נער קטן׃
17Maar Hadad, toen nog heel jong, was met enige Edomieten uit het gevolg van zijn vader naar Egypte gevlucht.
18ויקמו ממדין ויבאו פארן ויקחו אנשים עמם מפארן ויבאו מצרים אל פרעה מלך מצרים ויתן לו בית ולחם אמר לו וארץ נתן לו׃
18Zij waren uit Midjan vertrokken en naar Paran gegaan; vandaar hadden ze mannen meegenomen en waren in Egypte gekomen bij Farao, den koning van Egypte. Deze schonk hem een huis, voorzag in zijn onderhoud, en gaf hem ook land.
19וימצא הדד חן בעיני פרעה מאד ויתן לו אשה את אחות אשתו אחות תחפניס הגבירה׃
19Hadad kwam in zo’n hoge gunst bij Farao te staan, dat deze hem de zuster van zijn vrouw, de zuster namelijk van koningin Tachpenes, ten huwelijk gaf;
20ותלד לו אחות תחפניס את גנבת בנו ותגמלהו תחפנס בתוך בית פרעה ויהי גנבת בית פרעה בתוך בני פרעה׃
20en toen de zuster van Tachpenes hem een zoon, Genoebat, had geschonken, voedde Tachpenes hem op in Farao’s paleis, en verbleef Genoebat daar bij de kinderen van Farao.
21והדד שמע במצרים כי שכב דוד עם אבתיו וכי מת יואב שר הצבא ויאמר הדד אל פרעה שלחני ואלך אל ארצי׃
21Toen Hadad nu in Egypte hoorde, dat David bij zijn vaderen was te ruste gegaan, en dat ook de legeroverste Joab gestorven was, zei hij tot Farao: Laat mij gaan, ik wil terug naar mijn land.
22ויאמר לו פרעה כי מה אתה חסר עמי והנך מבקש ללכת אל ארצך ויאמר לא כי שלח תשלחני׃
22Maar Farao zei tot hem: Wat ontbreekt u bij mij, dat ge terug wilt naar uw land? Hij antwoordde: Niets; toch bid ik u, mij te laten vertrekken. Hadad keerde dus naar zijn land terug.
23ויקם אלהים לו שטן את רזון בן אלידע אשר ברח מאת הדדעזר מלך צובה אדניו׃
23Daarenboven verwekte God hem een tegenstander in Rezon, den zoon van Eljada, die zijn heer Hadadézer, den koning van Soba, ontvlucht was.
24ויקבץ עליו אנשים ויהי שר גדוד בהרג דוד אתם וילכו דמשק וישבו בה וימלכו בדמשק׃
24Toen David de Arameën had verslagen, verzamelde Rezon mannen om zich heen, werd bendeleider en nam Damascus in. Daar vestigde hij zich, en werd koning van Damascus.
25ויהי שטן לישראל כל ימי שלמה ואת הרעה אשר הדד ויקץ בישראל וימלך על ארם׃
25Hij was een tegenstander van Israël, zolang Salomon leefde. En dit is het kwaad dat Hadad deed: Hij drong Israël terug en werd koning over Edom.
26וירבעם בן נבט אפרתי מן הצרדה ושם אמו צרועה אשה אלמנה עבד לשלמה וירם יד במלך׃
26Ook Jeroboam, de zoon van Nebat, een Efraïmiet uit Sereda en beambte van Salomon, wiens moeder Seroea heette en een weduwe was, stond tegen den koning op.
27וזה הדבר אשר הרים יד במלך שלמה בנה את המלוא סגר את פרץ עיר דוד אביו׃
27Dit is het verloop van deze opstand tegen den koning: Toen Salomon het Millo bouwde, en de bouwvallige delen van de muur van de Davidstad, de stad van zijn vader, herstelde,
28והאיש ירבעם גבור חיל וירא שלמה את הנער כי עשה מלאכה הוא ויפקד אתו לכל סבל בית יוסף׃
28toonde Jeroboam zich daar een flinke kracht. En daar Salomon zag, dat de jonge man zijn werk uitstekend verrichtte, bevorderde hij hem tot opzichter over de hele arbeidsdienst van het huis Josef.
29ויהי בעת ההיא וירבעם יצא מירושלם וימצא אתו אחיה השילני הנביא בדרך והוא מתכסה בשלמה חדשה ושניהם לבדם בשדה׃
29Toen nu Jeroboam in die tijd eens van Jerusalem kwam, ontmoette hij den profeet Achi-ja uit Sjilo. Deze droeg een nieuwe mantel. En toen ze samen alleen op het veld waren,
30ויתפש אחיה בשלמה החדשה אשר עליו ויקרעה שנים עשר קרעים׃
30greep Achija de nieuwe mantel, die hij om had, en scheurde hem in twaalf stukken.
31ויאמר לירבעם קח לך עשרה קרעים כי כה אמר יהוה אלהי ישראל הנני קרע את הממלכה מיד שלמה ונתתי לך את עשרה השבטים׃
31En hij sprak tot Jeroboam: Neem tien stukken voor u! Want zo spreekt Jahweh, Israëls God: Zie, Ik scheur het koninkrijk uit de hand van Salomon, en geef tien stammen aan u;
32והשבט האחד יהיה לו למען עבדי דוד ולמען ירושלם העיר אשר בחרתי בה מכל שבטי ישראל׃
32slechts één stam mag hij behouden, terwille van mijn dienaar David en terwille van Jerusalem, de stad, die Ik Mij uit alle stammen van Israël heb uitverkoren.
33יען אשר עזבוני וישתחוו לעשתרת אלהי צדנין לכמוש אלהי מואב ולמלכם אלהי בני עמון ולא הלכו בדרכי לעשות הישר בעיני וחקתי ומשפטי כדוד אביו׃
33Want hij heeft Mij verzaakt, om zich neer te werpen voor Asjtarte, de godin der Sidoniërs, voor Kemosj, den god van Moab, en voor Milkom, den god der Ammonieten; hij heeft mijn wegen niet bewandeld, niet gedaan wat recht was in mijn oog, en mijn wetten en voorschriften niet onderhouden, zoals David, zijn vader.
34ולא אקח את כל הממלכה מידו כי נשיא אשתנו כל ימי חייו למען דוד עבדי אשר בחרתי אתו אשר שמר מצותי וחקתי׃
34Toch wil Ik hèm het koninkrijk niet ontnemen, maar hem heel zijn leven aan de regering laten, terwille van mijn dienaar David, dien Ik heb uitverkoren, omdat hij mijn geboden en wetten onderhield.
35ולקחתי המלוכה מיד בנו ונתתיה לך את עשרת השבטים׃
35Maar zijn zoon zal Ik het koninkrijk ontnemen, en het geven aan u.
36ולבנו אתן שבט אחד למען היות ניר לדויד עבדי כל הימים לפני בירושלם העיר אשר בחרתי לי לשום שמי שם׃
36Eén stam echter geef Ik aan zijn zoon, opdat mijn dienaar David altijd een licht voor mijn aanschijn zal hebben te Jerusalem, de stad, die Ik Mij heb uitverkoren, om er mijn Naam te doen wonen.
37ואתך אקח ומלכת בכל אשר תאוה נפשך והיית מלך על ישראל׃
37U kies Ik uit, om naar believen te heersen; gij zult koning zijn over Israël.
38והיה אם תשמע את כל אשר אצוך והלכת בדרכי ועשית הישר בעיני לשמור חקותי ומצותי כאשר עשה דוד עבדי והייתי עמך ובניתי לך בית נאמן כאשר בניתי לדוד ונתתי לך את ישראל׃
38En wanneer gij trouw naar mijn bevelen luistert, mijn wegen bewandelt en doet wat recht is in mijn oog; wanneer gij mijn wetten en geboden onderhoudt, zoals mijn dienaar David gedaan heeft, dan zal Ik met u zijn en een duurzaam huis voor u bouwen, zoals Ik voor David gedaan heb. Aan u zal Ik Israël geven,
39ואענה את זרע דוד למען זאת אך לא כל הימים׃
39en daartoe het geslacht van David vernederen, maar niet voor altijd.
40ויבקש שלמה להמית את ירבעם ויקם ירבעם ויברח מצרים אל שישק מלך מצרים ויהי במצרים עד מות שלמה׃
40Daarom trachtte Salomon Jeroboam te doden; maar deze trok weg, en vluchtte naar Egypte, naar Sjisjak, den koning van Egypte. Daar bleef hij tot aan de dood van Salomon.
41ויתר דברי שלמה וכל אשר עשה וחכמתו הלוא הם כתבים על ספר דברי שלמה׃
41De verdere geschiedenis van Salomon, met al zijn daden en wijsheid, is beschreven in het boek der geschiedenis van Salomon.
42והימים אשר מלך שלמה בירושלם על כל ישראל ארבעים שנה׃
42Veertig jaar regeerde Salomon te Jerusalem over geheel Israël.
43וישכב שלמה עם אבתיו ויקבר בעיר דוד אביו וימלך רחבעם בנו תחתיו׃
43Toen ging Salomon bij zijn vaderen te ruste. Hij werd in de Davidstad, de stad van zijn vader, begraven, en zijn zoon Roboam volgde hem op.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.