ΚΡΙΤΑΙ 5
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΑΙ ἦσαν Δεββώρα καὶ Βαρὰκ υἱὸς Ἀβινεὲμ ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ λέγοντες·
1Toen zongen Debora en Barak, de zoon van Abinóam:
2Ἀπεκαλύφθη ἀποκάλυμμα ἐν Ἰσραήλ· ἐν τῷ ἑκουσιασθῆναι λαόν, εὐλογεῖτε Κύριον.
2Toen men in Israël de haren liet groeien, Jahweh’s volk zich aanbood ten strijd,
3ἀκούσατε, βασιλεῖς, καὶ ἐνωτίσασθε, σατράπαι· ἐγώ εἰμι τῷ Κυρίῳ, ἐγώ εἰμι, ἄσομαι, ψαλῶ τῷ Κυρίῳ τῷ Θεῷ Ἰσραήλ.
3Hoort koningen, Luistert vorsten: Ik wil zingen ter ere van Jahweh, Spelen voor Jahweh, Israëls God.
4Κύριε, ἐν τῇ ἐξόδῳ σου ἐν Σηείρ, ἐν τῷ ἀπαίρειν σε ἐξ ἀγροῦ Ἐδώμ, γῆ ἐσείσθη καὶ ὁ οὐρανὸς ἔσταξε δρόσους, καὶ αἱ νεφέλαι ἔσταξαν ὕδωρ·
4Jahweh, toen Gij uittoogt uit Seïr, Wegtrokt van Edoms veld, Sidderde de aarde, en beefde de hemel, Sloegen de wolken in regen neer.
5ὄρη ἐσαλεύθησαν ἀπὸ προσώπου Κυρίου Ἐλωΐ, τοῦτο Σινὰ ἀπὸ προσώπου Κυρίου Θεοῦ Ἰσραήλ.
5Schokten de bergen voor Jahweh, Voor Jahweh, Israëls God.
6ἐν ἡμέραις Σαμεγὰρ υἱοῦ Ἀνάθ, ἐν ἡμέραις Ἰαὴλ ἐξέλιπον ὁδοὺς καὶ ἐπορεύθησαν ἀτραπούς, ἐπορεύθησαν ὁδοὺς διεστραμμένας·
6In de dagen van Sjamgar, den zoon van Anat, In de dagen van Jaël, trokken geen karavanen uit; En die op reis gingen, Sloegen zijpaden in.
7ἐξέλιπον δυνατοὶ ἐν Ἰσραήλ, ἐξέλιπον, ἕως οὗ ἀνέστη Δεββώρα, ἕως οὗ ἀνέστη μήτηρ ἐν Ἰσραήλ.
7De leiders ontbraken, In Israël was er niet één: Tot gij opstondt, Debora, Tot gij opstondt, moeder in Israël!
8ἐξελέξαντο θεοὺς καινούς· τότε ἐπολέμησαν πόλεις ἀρχόντων· θυρεὸς ἐὰν ὀφθῇ καὶ λόγχη ἐν τεσσαράκοντα χιλιάσιν ἐν Ἰσραήλ.
8Omdat men zich nieuwe goden had gekozen, Was het brood uit de poorten verdwenen, Werd schild noch lans meer bespeurd Voor de veertig duizend in Israël.
9ἡ καρδία μου εἰς τὰ διατεταγμένα τῷ Ἰσραήλ· οἱ ἐκουσιαζόμενοι ἐν λαῷ εὐλογεῖτε Κύριον.
9Mijn hart gaat uit naar Israëls leiders, Die zich met Jahweh’s volk ten strijde hebben gewijd,
10ἐπιβεβηκότες ἐπὶ ὄνου θηλείας μεσημβρίας, καθήμενοι ἐπὶ κριτηρίου καὶ πορευόμενοι ἐπὶ ὁδοὺς συνέδρων ἐφ᾿ ὁδῷ,
10Die gevlekte ezelinnen berijden, Op tapijten gezeten. Die te voet gaat langs de weg, jubelt het uit,
11διηγεῖσθε ἀπὸ φωνῆς ἀνακρουομένων ἀνὰ μέσον ὑδρευομένων· ἐκεῖ δώσουσι δικαιοσύνας Κυρίῳ, δικαιοσύνας αὔξησον ἐν Ἰσραήλ. τότε κατέβη εἰς τὰς πόλεις λαὸς Κυρίου.
11Onder het juichen van die bij de drinkbakken staan, Waar men Jahweh’s gerechte daden bezingt, Zijn rechtvaardige leiding in Israël.
12ἐξεγείρου, ἐξεγείρου, Δεββώρα. ἐξεγείρου, ἐξεγείρου, λάλησον ᾠδήν· ἀνάστα Βαράκ, καὶ αἰχμαλώτισον αἰχμαλωσίαν σου, υἱὸς Ἀβινεέμ.
12Op, Debora; op, met uw lied; Doe het volk oprijzen bij duizenden! Op, Barak, in uw kracht; Boei, die u boeiden, Abinóams zoon!
13τότε κατέβη κατάλειμμα τοῖς ἰσχυροῖς, λαὸς Κυρίου κατέβη αὐτῷ ἐν τοῖς κραταιοῖς.
13Daar daalt de rest der dapperen af, Jahweh’s volk komt af met zijn helden:
14ἐξ ἐμοῦ Ἐφραὶμ ἐξερρίζωσεν αὐτοὺς ἐν τῷ Ἀμαλήκ· ὀπίσω σου Βενιαμὶν ἐν τοῖς λαοῖς σου. ἐν ἐμοὶ Μαχὶρ κατέβησαν ἐξερευνῶντες καὶ ἀπὸ Ζαβουλὼν ἕλκοντες ἐν ράβδῳ διηγήσεως γραμματέως.
14Aanvoerders uit Efraïm staan in de vlakte, Uw broeder Benjamin onder uw drommen. Uit Makir komen de leiders aan, Uit Zabulon die de bevelstaf zwaaien;
15καὶ ἀρχηγοὶ ἐν Ἰσσάχαρ μετὰ Δεββώρας καὶ Βαράκ, οὕτω Βαρὰκ ἐν κοιλάσιν ἀπέστειλεν ἐν ποσὶν αὐτοῦ. εἰς τὰς μερίδας Ρουβὴν μεγάλοι ἐξικνούμενοι καρδίαν.
15Issakars vorsten vergezellen Debora, Nu Barak zijn voetvolk de valleien injaagt. Maar aan Rubens beken Zijn de angsten des harten geweldig.
16εἰς τί ἐκάθισαν ἀνὰ μέσον τῆς διγομίας τοῦ ἀκοῦσαι συρισμοῦ ἀγγέλων; εἰς διαιρέσεις Ρουβὴν μεγάλοι ἐξετασμοὶ καρδίας.
16Waarom blijft ge tussen de omheiningen zitten, Luisterend naar het fluiten der herders?
17Γαλαὰδ ἐν τῷ πέραν τοῦ Ἰορδάνου ἐσκήνωσε· καὶ Δὰν εἰς τί παροικεῖ πλοίοις; Ἀσὴρ ἐκάθισε παραλίαν θαλασσῶν καὶ ἐπὶ διεξόδοις αὐτοῦ σκηνώσει.
17Gilad dommelt aan de overkant van de Jordaan, Dan houdt zich bij zijn schepen op; Aser blijft zitten aan het strand van de zee, Ingesluimerd aan zijn baaien.
18Ζαβουλὼν λαὸς ὠνείδισε ψυχὴν αὐτοῦ εἰς θάνατον καὶ Νεφθαλὶ ἐπὶ ὕψη ἀγροῦ.
18Maar Zabulon is een volk, dat zijn leven waagt, En de dood durft trotseren; Evenals Neftali, Dat op de hoogvlakten woont.
19ἦλθον αὐτῶν βασιλεῖς, παρετάξαντο, τότε ἐπολέμησαν βασιλεῖς Χαναὰν ἐν Θαναὰχ ἐπὶ ὕδατι Μαγεδδώ· δῶρον ἀργυρίου οὐκ ἔλαβον.
19Daar kwamen de koningen, in slagorde geschaard, Daar streden de koningen van Kanaän Bij Taänak, aan het water van Megiddo; Maar een buit van zilver behaalden ze niet.
20ἐξ οὐρανοῦ παρετάξαντο οἱ ἀστέρες, ἐκ τρίβων αὐτῶν παρετάξαντο μετὰ Σισάρα.
20Uit de hemel hebben de sterren de strijd aangebonden, Van haar banen uit gestreden, Tegen Sisera gevochten:
21χειμάρρους Κισῶν ἐξέσυρεν αὐτούς, χειμάρρους ἀρχαίων, χειμάρρους Κισῶν· καταπατήσει αὐτὸν ψυχή μου δυνατή.
21En de stromende Kisjon sleurde ze mee. De oeroude beek, de beek Kisjon Vertrapte de lijken der helden;
22ὅτε ἐνεποδίσθησαν πτέρναι ἵππου, σπουδῇ ἔσπευσαν ἰσχυροὶ αὐτοῦ.
22Daar stampten de hoeven der paarden Door het angstig gejaag zijner dapperen.
23καταρᾶσθε Μηρώζ, εἶπεν ἄγγελος Κυρίου, καταρᾶσθε, ἐπικατάρατος πᾶς ὁ κατοικῶν αὐτήν, ὅτι οὐκ ἤλθοσαν εἰς βοήθειαν Κυρίου, εἰς βοήθειαν ἐν δυνατοῖς.
23Vervloekt Meroz, sprak de engel van Jahweh, Vervloekt zijn bewoners; Omdat zij Jahweh niet te hulp zijn gesneld, Met hun dapperen Jahweh niet hielpen!
24εὐλογηθείη ἐν γυναιξὶν Ἰαὴλ γυνὴ Χαβὲρ τοῦ Κιναίου, ἀπὸ γυναικῶν ἐν σκηναῖς εὐλογηθείη.
24Maar gezegend zij Jaël onder de vrouwen, Gezegend onder haar, die in tenten verblijven;
25ὕδωρ ᾔτησε, γάλα ἔδωκεν, ἐν λεκάνῃ ὑπερεχόντων προσήνεγκε βούτυρον.
25Water vraagt hij, ze geeft hem melk, In een vorstelijke schaal brengt ze hem room.
26χεῖρα αὐτῆς ἀριστερὰν εἰς πάσσαλον ἐξέτεινε καὶ δεξιὰν αὐτῆς εἰς σφῦραν κοπιώντων καὶ ἐσφυροκόπησε Σισάρα, διήλωσε κεφαλὴν αὐτοῦ καὶ ἐπάταξε, διήλωσε κρόταφον αὐτοῦ.
26Met de ene hand grijpt ze de tentpin, Met haar rechter een timmermanshamer; Ze treft Sisera, verbrijzelt zijn hoofd, Vermorzelt en doorboort zijn slapen.
27ἀνὰ μέσον τῶν ποδῶν αὐτῆς κατεκυλίσθη, ἔπεσε καὶ ἐκοιμήθη· ἀνὰ μέσον τῶν ποδῶν αὐτῆς κατακλιθεὶς ἔπεσε· καθὼς κατεκλίθη, ἐκεῖ ἔπεσεν ἐξοδευθείς.
27Aan haar voeten heeft hij zich uitgestrekt, Aan haar voeten is hij in slaap gevallen; Doch waar hij zich neerlegt, Ligt hij nu dood.
28διὰ τῆς θυρίδος παρέκυψε μήτηρ Σισάρα ἐκτὸς τοῦ τοξικοῦ, διότι ἠσχύνθη ἅρμα αὐτοῦ, διότι ἐχρόνισαν πόδες ἁρμάτων αὐτοῦ.
28Aan het venster door de tralies Tuurt en weeklaagt Sisera’s moeder: Waarom laat zijn strijdkar nog steeds op zich wachten; Waarom rollen zijn wagens zo langzaam aan?
29αἱ σοφαὶ ἄρχουσαι αὐτῆς ἀπεκρίθησαν πρὸς αὐτήν, καὶ αὐτὴ ἀπέστρεψε λόγους αὐτῆς ἑαυτῇ.
29De wijste harer edelvrouwen geeft haar ten antwoord, Wat ze reeds bij zichzelf had bedacht:
30οὐχ εὑρήσουσιν αὐτὸν διαμερίζοντα σκῦλα; οἰκτίρμων οἰκτειρήσει εἰς κεφαλὴν ἀνδρός· σκῦλα βαμμάτων τῷ Σισάρᾳ, σκῦλα βαμμάτων ποικιλίας, βάμματα ποικιλτῶν αὐτά, τῷ τραχήλῳ αὐτοῦ σκῦλα.
30Ze hebben buit gevonden, die ze moeten verdelen; Eén, twee slavinnen voor iederen held! Buit: bonte kleren voor Sisera; Buit: bonte kleurige doeken; Een, twee bonte doeken Als buit voor zijn hals.
31οὕτως ἀπόλοιντο πάντες οἱ ἐχθροί σου, Κύριε· καὶ οἱ ἀγαπῶντες αὐτὸν ὡς ἔξοδος ἡλίου ἐν δυνάμει αὐτοῦ. Καὶ ἡσύχασεν ἡ γῆ τεσσαράκοντα ἔτη.
31Zo mogen omkomen Al uw vijanden, Jahweh! Maar die U liefhebben Mogen zijn als de opgang der zon in haar kracht! En het land genoot veertig jaar lang rust.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.