ΜΑΚΚΑΒΑΙΩΝ Α
Chapter 7

ΜΑΚΚΑΒΑΙΩΝ Α

Septuagint (Greek Old Te…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΜΑΚΚΑΒΑΙΩΝ Α 7

Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΕΤΟΥΣ ἑνὸς καὶ πεντηκοστοῦ καὶ ἑκατοστοῦ ἐξῆλθε Δημήτριος ὁ τοῦ Σελεύκου ἐκ Ρώμης καὶ ἀνέβη σὺν ἀνδράσιν ὀλίγοις εἰς πόλιν παραθαλασσίαν καὶ ἐβασίλευσεν ἐκεῖ.
1In het jaar 151 wist Demétrius, de zoon van Seleúkus, uit Rome te ontsnappen. Hij landde met een klein gevolg bij een kustplaats, en begon daar als koning op te treden.
2καὶ ἐγένετο ὡς εἰσεπορεύετο εἰς οἶκον βασιλείας πατέρων αὐτοῦ, καὶ συνέλαβον αἱ δυνάμεις τὸν Ἀντίοχον καὶ τὸν Λυσίαν ἀγαγεῖν αὐτοὺς αὐτῷ.
2Toen hij nu het paleis van zijn voorvaderen was binnengetrokken, namen de troepen Antiochus en Lúsias gevangen en wilden hen voor hem brengen.
3καὶ ἐγνώσθη αὐτῷ τὸ πρᾶγμα καὶ εἶπε· μή μοι δείξητε τὰ πρόσωπα αὐτῶν.
3Maar toen men hem dit berichtte, zeide hij: Ik wil hun gezicht niet zien!
4καὶ ἀπέκτειναν αὐτοὺς αἱ δυνάμεις, καὶ ἐκάθισε Δημήτριος ἐπὶ θρόνου βασιλείας αὐτοῦ.
4Daarop brachten zijn troepen hen om het leven, en besteeg Demétrius zijn koningstroon.
5καὶ ἦλθον πρὸς αὐτὸν πάντες ἄνδρες ἄνομοι καὶ ἀσεβεῖς ἐξ Ἰσραήλ, καὶ Ἄλκιμος ἡγεῖτο αὐτῶν, βουλόμενος ἱερατεύειν.
5Nu gingen alle afvallige en goddeloze Israëlieten naar hem toe, met Alkimus aan het hoofd, die het er op aanlegde, hogepriester te worden.
6καὶ κατηγόρησαν τοῦ λαοῦ πρὸς τὸν βασιλέα λέγοντες· ἀπώλεσεν Ἰούδας καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ τοὺς φίλους σου, καὶ ἡμᾶς ἐσκόρπισαν ἀπὸ τῆς γῆς ἡμῶν·
6Zij klaagden het volk bij den koning aan, en zeiden: Judas en zijn broers hebben al uw vrienden omgebracht en ons uit ons land verjaagd.
7νῦν οὖν ἀπόστειλον ἄνδρα, ᾧ πιστεύεις, καὶ πορευθεὶς ἰδέτω τὴν ἐξολόθρευσιν πᾶσαν, ἣν ἐποίησεν ἡμῖν καὶ τῇ χώρᾳ τοῦ βασιλέως, καὶ κολασάτω αὐτοὺς καὶ πάντας τοὺς ἐπιβοηθοῦντας αὐτοῖς.
7Zend derhalve een vertrouwd iemand, om de gehele ontreddering te komen opnemen, die zij over ons en in het gebied van den koning hebben aangericht, en om hen te straffen met allen, die ze hebben geholpen.
8καὶ ἐπέλεξεν ὁ βασιλεὺς τὸν Βακχίδην τῶν φίλων τοῦ βασιλέως κυριεύοντα ἐν τῷ πέραν τοῦ ποταμοῦ καὶ μέγαν ἐν τῇ βασιλείᾳ καὶ πιστὸν τῷ βασιλεῖ
8Daarom wees de koning onder zijn vertrouwelingen Bakchides aan, die landvoogd was aan de overkant der Rivier, grote invloed had in het rijk en den koning zeer verknocht was.
9καὶ ἀπέστειλεν αὐτὸν καὶ Ἄλκιμον τὸν ἀσεβῆ, καὶ ἔστησεν αὐτῷ τὴν ἱερωσύνην καὶ ἐνετείλατο αὐτῷ ποιῆσαι τὴν ἐκδίκησιν ἐν τοῖς υἱοῖς Ἰσραήλ.
9Hem zond hij nu op de Israëlieten af tegelijk met den goddelozen Alkimus, dien hij als hogepriester aanstelde, en beval hem, wraak op hen te nemen.
10καὶ ἀπῇραν καὶ ἦλθον μετὰ δυνάμεως πολλῆς εἰς γῆν Ἰούδα· καὶ ἀπέστειλεν ἀγγέλους πρὸς Ἰούδαν καὶ τοὺς ἀδελφοὺς αὐτοῦ λόγοις εἰρηνικοῖς μετὰ δόλου.
10Ze rukten dus op, en drongen met een groot leger in het land van Juda binnen. Nu zond hij boden naar Judas en diens broers met vredelievende, maar listige voorstellen.
11καὶ οὐ προσέσχον τοῖς λόγοις αὐτῶν· εἶδον γὰρ ὅτι ἦλθον μετὰ δυνάμεως πολλῆς.
11Dezen gingen er echter niet op in, omdat zij heel goed wisten, dat hij met een groot leger was binnengetrokken.
12καὶ ἐπισυνήχθησαν πρὸς Ἄλκιμον καὶ Βακχίδην συναγωγὴ γραμματέων ἐκζητῆσαι δίκαια,
12Maar een groep schriftgeleerden ging met Alkimus en Bakchides besprekingen voeren, om de rechtsvraag te onderzoeken, en
13καὶ πρῶτοι οἱ Ἁσιδαῖοι ἦσαν ἐν υἱοῖς Ἰσραὴλ καὶ ἐπεζήτουν παρ᾿ αὐτῶν εἰρήνην·
13de chasidéen waren thans de eersten onder de Israëlieten, die hun om vrede verzochten.
14εἶπαν γάρ· ἄνθρωπος ἱερεὺς ἐκ τοῦ σπέρματος Ἀαρὼν ἦλθεν ἐν ταῖς δυνάμεσι καὶ οὐκ ἀδικήσει ἡμᾶς.
14Want ze dachten: Er is een priester uit het geslacht van Aäron met dit leger meegekomen; die zal ons zeker geen onrecht doen.
15καὶ ἐλάλησε μετ᾿ αὐτῶν λόγους εἰρηνικοὺς καὶ ὤμοσεν αὐτοῖς λέγων· οὐκ ἐκζητήσομεν ὑμῖν κακὸν καὶ τοῖς φίλοις ὑμῶν.
15Toen Bakchides hun dan ook de vrede beloofde, en hun onder ede verzekerde, dat zij hun en hun vrienden niet het minste kwaad zouden doen,
16καὶ ἐνεπίστευσαν αὐτῷ, καὶ συνέλαβεν ἐξ αὐτῶν ἑξήκοντα ἄνδρας καὶ ἀπέκτεινεν αὐτοὺς ἐν ἡμέρᾳ μιᾷ κατὰ τὸν λόγον, ὃν ἔγραψε·
16vertrouwden zij hem. Hij liet echter zestig van hen gevangen nemen en op één dag vermoorden, naar het woord dat geschreven staat:
17σάρκας ὁσίων σου καὶ αἵματα αὐτῶν ἐξέχεαν κύκλῳ Ἱερουσαλήμ, καὶ οὐκ ἦν αὐτοῖς ὁ θάπτων.
17Het vlees uwer heiligen en hun bloed Hebben zij rondom Jerusalem geworpen; En er was niemand, die hen begroef.
18καὶ ἐπέπεσεν αὐτῶν ὁ φόβος καὶ ὁ τρόμος ἐπὶ πάντα τὸν λαόν, ὅτι εἶπαν· οὐκ ἔστιν ἐν αὐτοῖς ἀλήθεια καὶ κρίσις, παρέβησαν γὰρ τὴν στάσιν καὶ τὸν ὅρκον, ὃν ὤμοσαν.
18En het gehele volk werd van angst en schrik voor hen vervuld; want ze zeiden: Er is bij hen geen waarheid en recht; want ze verbreken de belofte en de eed, die ze hebben gezworen.
19καὶ ἀπῇρε Βακχίδης ἀπὸ Ἱερουσαλὴμ καὶ παρενέβαλεν ἐν Βηθζαὶθ καὶ ἀπέστειλε καὶ συνέλαβε πολλοὺς ἀπὸ τῶν ἀπ᾿ αὐτοῦ αὐτομολησάντων ἀνδρῶν καί τινας τοῦ λαοῦ καὶ ἔθυσεν αὐτοὺς εἰς τὸ φρέαρ τὸ μέγα.
19Daarna trok Bakchides van Jerusalem weg, en sloeg zijn legerplaats bij Bezet op. Hier liet hij vele overlopers en verschillende burgers gevangen nemen, hen vermoorden en in de grote put werpen.
20καὶ κατέστησε τὴν χώραν τῷ Ἀλκίμῳ καὶ ἀφῆκε μετ᾿ αὐτοῦ δύναμιν τοῦ βοηθεῖν αὐτῷ· καὶ ἀπῆλθε Βακχίδης πρὸς τὸν βασιλέα.
20En nadat Bakchides het land onder het bestuur van Alkimus had gesteld, en een legermacht bij hem had achtergelaten, om hem te steunen, keerde hij naar den koning terug.
21καὶ ἠγωνίσατο Ἄλκιμος περὶ τῆς ἀρχιερωσύνης,
21Nu spande Alkimus al zijn krachten in, om zich als hogepriester te laten gelden,
22καὶ συνήχθησαν πρὸς αὐτὸν πάντες οἱ ταράσσοντες τὸν λαὸν αὐτῶν καὶ κατεκράτησαν γῆν Ἰούδα καὶ ἐποίησαν πληγὴν μεγάλην ἐν Ἰσραήλ.
22en allen, die hun eigen volk hadden gekweld, sloten zich bij hem aan; zij bemachtigden het land Juda, en richtten een grote slachting onder de Israëlieten aan.
23καὶ εἶδεν Ἰούδας πᾶσαν τὴν κακίαν, ἣν ἐποίησεν Ἄλκιμος καὶ οἱ μετ᾿ αὐτοῦ ἐν υἱοῖς Ἰσραὴλ ὑπὲρ τὰ ἔθνη,
23Bij het zien van al de ellende, die Alkimus en zijn aanhang, nog meer dan de heidenen, over de zonen van Israël hadden gebracht.
24καὶ ἐξῆλθεν εἰς πάντα τὰ ὅρια τῆς Ἰουδαίας κυκλόθεν καὶ ἐποίησεν ἐκδίκησιν ἐν τοῖς ἀνδράσι τοῖς αὐτομολήσασι, καὶ ἀνεστάλησαν τοῦ πορεύεσθαι εἰς τὴν χώραν.
24trok Judas heel het gebied van Judea rond, wreekte zich op de overlopers, en maakte het hun onmogelijk, zich in het land te bewegen.
25ὡς δὲ εἶδεν Ἄλκιμος ὅτι ἐνίσχυσεν Ἰούδας καὶ οἱ μετ᾿ αὐτοῦ, καὶ ἔγνω ὅτι οὐ δύναται ὑποστῆναι αὐτούς, καὶ ἐπέστρεψε πρὸς τὸν βασιλέα καὶ κατηγόρησεν αὐτῶν πονηρά.
25Toen Alkimus dus bemerkte, dat Judas en zijn aanhang weer sterker waren geworden, en het hem bleek, dat hij hun geen tegenstand zou kunnen bieden, ging hij naar den koning terug, en bracht gemene beschuldigingen tegen hen in.
26Καὶ ἀπέστειλεν ὁ βασιλεὺς Νικάνορα ἕνα τῶν ἀρχόντων αὐτοῦ τῶν ἐνδόξων καὶ μισοῦντα καὶ ἐχθραίνοντα τῷ Ἰσραὴλ καὶ ἐνετείλατο αὐτῷ ἐξᾶραι τὸν λαόν.
26Daarom zond de koning een van zijn beste veldheren, Nikánor die een ingekankerde haat tegen de Joden had, en beval hem, het volk te vernietigen.
27καὶ ἦλθε Νικάνωρ εἰς Ἱερουσαλὴμ δυνάμει πολλῇ, καὶ ἀπέστειλε πρὸς Ἰούδαν καὶ τοὺς ἀδελφοὺς αὐτοῦ μετὰ δόλου λόγοις εἰρηνικοῖς λέγων·
27Maar toen Nikánor met een groot leger tot Jerusalem was doorgedrongen, zond hij Judas en zijn broeders het volgende vredesaanbod vol huichelarij:
28μὴ ἔστω μάχην ἀναμέσον ἐμοῦ καὶ ὑμῶν· ἥξω ἐν ἀνδράσιν ὀλίγοις, ἵνα ὑμῶν ἴδω τὰ πρόσωπα μετ᾿ εἰρήνης.
28Laat er toch geen oorlog zijn tussen u en mij; ik zal met een klein gevolg naar u toe komen, om vriendschappelijk met u de zaken te regelen.
29καὶ ἦλθε πρὸς Ἰούδαν, καὶ ἠσπάσαντο ἀλλήλους εἰρηνικῶς· καὶ οἱ πολέμιοι ἦσαν ἕτοιμοι ἐξαρπᾶσαι τὸν Ἰούδαν.
29Hij kwam dus bij Judas, en zij begroetten elkander vriendschappelijk; maar de vijanden stonden al klaar, om Judas te ontvoeren.
30καὶ ἐγνώσθη ὁ λόγος τῷ Ἰούδᾳ ὅτι μετὰ δόλου ἦλθεν ἐπ᾿ αὐτόν, καὶ ἐπτοήθη ἀπ᾿ αὐτοῦ καὶ οὐκ ἐβουλήθη ἔτι ἰδεῖν τὸ πρόσωπον αὐτοῦ.
30Judas doorzag de opzet, en begreep, dat zijn komst louter veinzerij was geweest. Daarom vermeed hij hem in de toekomst angstvallig, en wilde hem niet meer ontmoeten.
31καὶ ἔγνω Νικάνωρ, ὅτι ἀπεκαλύφθη ἡ βουλὴ αὐτοῦ, καὶ ἐξῆλθεν εἰς συνάντησιν τῷ Ἰούδᾳ ἐν πολέμῳ κατὰ Χαφαρσαλαμά.
31Toen Nikánor dan ook begreep, dat zijn toeleg ontdekt was, rukte hij tegen Judas op, en stiet op hem bij Kafarsalama.
32καὶ ἔπεσον τῶν παρὰ Νικάνορος ὡσεὶ πεντακισχίλοι ἄνδρες, καὶ ἔφυγον εἰς τὴν πόλιν Δαυίδ.
32Maar van Nikánors leger vielen er ongeveer vijfhonderd man, terwijl de overigen naar de Davidstad vluchtten.
33Καὶ μετὰ τοὺς λόγους τούτους ἀνέβη Νικάνωρ εἰς τὸ ὄρος Σιών. καὶ ἐξῆλθον ἀπὸ τῶν ἱερέων ἐκ τῶν ἁγίων καὶ ἀπὸ τῶν πρεσβυτέρων τοῦ λαοῦ ἀσπάσασθαι αὐτὸν εἰρηνικῶς καὶ δεῖξαι αὐτῷ τὴν ὁλοκαύτωσιν τὴν προσφερομένην ὑπὲρ τοῦ βασιλέως.
33Enige tijd later ging Nikánor eens naar de Sionsberg, waar enkele priesters en ouderlingen van het volk uit de tempel kwamen, om hem vriendschappelijk te begroeten en hem te wijzen op het brandoffer, dat voor den koning gebracht werd.
34καὶ ἐμυκτήρισεν αὐτοὺς καὶ κατεγέλασεν αὐτῶν καὶ ἐμίανεν αὐτοὺς καὶ ἐλάλησεν ὑπερηφάνως·
34Maar hij spotte met hen en lachte ze uit; hij durfde hen zelfs onteren en brutaal bejegenen,
35καὶ ὤμοσε μετὰ θυμοῦ λέγων· ἐὰν μὴ παραδοθῇ Ἰούδας καὶ ἡ παρεμβολὴ αὐτοῦ εἰς χεῖράς μου τὸ νῦν, καὶ ἔσται ἐὰν ἐπιστρέψω ἐν εἰρήνῃ, ἐμπυριῶ τὸν οἶκον τοῦτον. καὶ ἐξῆλθε μετὰ θυμοῦ μεγάλου.
35en zwoer vol woede: Wanneer Judas en zijn leger mij niet onmiddellijk worden uitgeleverd, steek ik deze tempel in brand, zodra ik als overwinnaar ben teruggekeerd. En hij ging woedend heen.
36καὶ εἰσῆλθον οἱ ἱερεῖς καὶ ἔστησαν κατὰ πρόσωπον τοῦ θυσιαστηρίου καὶ τοῦ ναοῦ καὶ ἔκλαυσαν καὶ εἶπον·
36Nu gingen de priesters naar binnen, stelden zich op voor het altaar en het tempelgebouw, en begonnen wenend te bidden:
37σύ, Κύριε, ἐξελέξω τὸν οἶκον τοῦτον ἐπικληθῆναι τὸ ὄνομά σου ἐπ᾿ αὐτῷ εἶναι οἶκον προσευχῆς καὶ δεήσεως τῷ λαῷ σου·
37Gij zelf hebt deze tempel uitverkoren, om uw Naam te dragen en voor uw volk een huis te zijn, waar het kan bidden en smeken.
38ποίησον ἐκδίκησιν ἐν τῷ ἀνθρώπῳ τούτῳ καὶ ἐν τῇ παρεμβολῇ αὐτοῦ, καὶ πεσέτωσαν ἐν ρομφαίᾳ· μνήσθητι τῶν δυσφηριῶν αὐτῶν καὶ μὴ δῷς αὐτοῖς μονήν.
38Wreek U dus op dezen man met zijn leger, en laat hen vallen door het zwaard; gedenk hun godslasteringen, en laat hen niet langer in leven!
39καὶ ἐξῆλθε Νικάνωρ ἐξ Ἱερουσαλὴμ καὶ παρενέβαλεν ἐν Βαιθωρών, καὶ συνήντησεν αὐτῷ δύναμις Συρίας.
39Daarop trok Nikánor van Jerusalem weg. Hij sloeg zijn legerplaats op bij Bet-Choron, waar een syrisch leger zich bij hem aansloot,
40καὶ Ἰούδας παρενέβαλεν ἐν Ἀδασὰ ἐν τρισχιλίοις ἀνδράσι· καὶ προσηύξατο Ἰούδας καὶ εἶπεν·
40terwijl Judas met drieduizend man bij Adasa lag. Nu bad Judas:
41οἱ παρὰ τοῦ βασιλέως Ἀσσυρίων ὅτε ἐδυσφήμησαν, ἐξῆλθεν ἄγγελός σου, Κύριε, καὶ ἐπάταξεν ἐν αὐτοῖς ἑκατὸν ὀγδοηκονταπέντε χιλιάδας·
41Toen de gezanten van den koning der Assyriërs eens lastertaal hadden uitgebraakt, trok uw engel uit, en sloeg honderd vijf en tachtigduizend man van hen neer
42οὕτω σύντριψον τὴν παρεμβολὴν ταύτην ἐνώπιον ἡμῶν σήμερον, καὶ γνώτωσαν οἱ ἐπίλοιποι, ὅτι κακῶς ἐλάλησαν ἐπὶ τὰ ἅγιά σου, καὶ κρῖνον αὐτὸν κατὰ τὴν κακίαν αὐτοῦ.
42Verpletter zo ook vandaag dit leger voor onze ogen, opdat de overigen mogen erkennen, dat hij uw heiligdom heeft gelasterd; straf hem, zoals zijn boosheid verdient.
43καὶ συνῆψαν αἱ παρεμβολαὶ εἰς πόλεμον τῇ τρισκαιδεκάτῃ τοῦ μηνὸς Ἄδαρ, καὶ συνετρίβη ἡ παρεμβολὴ Νικάνορος, καὶ ἔπεσεν αὐτὸς πρῶτος ἐν τῷ πολέμῳ.
43Op de dertiende Adar werden de legers handgemeen. Nikánors leger werd totaal verslagen, en hijzelf viel het eerst in de slag.
44ὡς δὲ εἶδεν ἡ παρεμβολὴ αὐτοῦ ὅτι ἔπεσε Νικάνωρ, ρίψαντες τὰ ὅπλα αὐτῶν ἔφυγον.
44Toen Nikánors leger zag, dat hij gesneuveld was, wierpen zij hun wapens weg en sloegen op de vlucht.
45καὶ κατεδίωκον αὐτοὺς ὁδὸν ἡμέρας μιᾶς ἀπὸ Ἀδασὰ ἕως τοῦ ἐλθεῖν εἰς Γάζηρα καὶ ἐσάλπισαν ὀπίσω αὐτῶν ταῖς σάλπιγξι τῶν σημασιῶν.
45Maar de Joden vervolgden hen een dagreis ver, van Adasa af tot in de omgeving van Gézer, en bliezen de alarmbazuinen bij hun achtervolging.
46καὶ ἐξῆλθον ἐκ πασῶν τῶν κωμῶν τῆς Ἰουδαίας κυκλόθεν καὶ ὑπερεκέρων αὐτούς, καὶ ἀνέστρεφον οὗτοι πρὸς τούτους, καὶ ἔπεσον πάντες ρομφαίᾳ, καὶ οὐ κατελείφθη ἐξ αὐτῶν οὐδὲ εἷς.
46Daarom kwam men uit alle naburige dorpen van Judea te voorschijn en omsingelde hen. Zij poogden nog, zich tegen hen te verweren, maar zij vielen allen door het zwaard; niet één van hen bleef er over.
47καὶ ἔλαβον τὰ σκῦλα καὶ τὴν προνομήν, καὶ τὴν κεφαλὴν Νικάνορος ἀφεῖλον καὶ τὴν δεξιὰν αὐτοῦ, ἣν ἐξέτεινεν ὑπερηφάνως, καὶ ἤνεγκαν καὶ ἐξέτειναν παρὰ τὴν Ἱερουσαλήμ.
47Nu maakte men zich meester van de buit en van wat er geroofd was; ze onthoofden Nikánor en kapten hem de rechterhand af, die hij brutaal had uitgestoken, brachten die naar Jerusalem, en hingen ze daar op.
48καὶ εὐφράνθη ὁ λαὸς σφόδρα καὶ ἤγαγον τὴν ἡμέραν ἐκείνην ἡμέραν εὐφροσύνης μεγάλης·
48Het volk was uitbundig van blijdschap, en vierde die dag als een plechtige jubeldag.
49καὶ ἔστησαν τοῦ ἄγειν κατὰ ἐνιαυτὸν τὴν ἡμέραν ταύτην τὴν τρισκαιδεκάτην τοῦ Ἄδαρ.
49En men besloot, deze dag elk jaar op de dertiende Adar te vieren.
50καὶ ἠσύχασεν ἡ γῆ Ἰούδα ἡμέρας ὀλίγας.
50Het land Juda genoot nu voor korte tijd rust.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.