ΒΑΣΙΛΕΙΩΝ Γ
Chapter 14
Septuagint (Greek Old Te…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΒΑΣΙΛΕΙΩΝ Γ 14

Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Ἐν τῷ καιρῷ ἐκείνῳ ἠρρώστησεν Ἀβιὰ υἱὸς Ἱεροβοὰμ
1Eens werd Abi-ja, de zoon van Jeroboam, ziek.
2καὶ εἶπεν ὁ Ἱεροβοὰμ πρὸς τὴν γυναῖκα αὐτοῦ· ἀνάστηθι καὶ ἀλλοιωθήσῃ, καὶ οὐ γνώσονται ὅτι σὺ γυνὴ Ἱεροβοάμ, καὶ πορευθήσῃ εἰς Σηλώ· καὶ ἰδοὺ ἐκεῖ Ἀχιὰ ὁ προφήτης, αὐτὸς ἐλάλησεν ἐμὲ τοῦ βασιλεῦσαι ἐπὶ τὸν λαὸν τοῦτον.
2Daarom zei Jeroboam tot zijn vrouw: Ga u verkleden, zodat niemand kan merken, dat gij de vrouw van Jeroboam zijt, en ga dan naar Sjilo; want daar woont de profeet Achi-ja, die mij voorspeld heeft, dat ik koning over dit volk zou worden.
3καὶ λαβὲ εἰς τὴν χεῖρά σου τῷ ἀνθρώπῳ τοῦ Θεοῦ ἄρτους καὶ κολλυρίδα τοῖς τέκνοις αὐτοῦ καὶ σταφίδας καὶ στάμνον μέλιτος, καὶ ἐλεύσῃ πρὸς αὐτόν. αὐτὸς ἀναγγείλῃ σοι τί ἔσται τῷ παιδί.
3Neem tien broden mee, een paar koeken en een kruik honing, en ga naar hem toe. Hij zal u zeggen, wat er met den jongen gebeuren zal.
4καὶ ἐποίησεν οὕτως γυνὴ Ἱεροβοάμ· καὶ ἀνέστη καὶ ἐπορεύθη εἰς Σηλώ, καὶ εἰσῆλθεν ἐν οἴκῳ Ἀχιά· καὶ ὁ ἄνθρωπος πρεσβύτερος τοῦ ἰδεῖν, καὶ ἠμβλυώπουν οἱ ὀφθαλμοὶ αὐτοῦ ἀπὸ γήρους αὐτοῦ.
4Jeroboams vrouw deed het; zij stond op, ging naar Sjilo en trad het huis van Achi-ja binnen. Achi-jáhoe nu kon niet meer zien; want zijn ogen stonden star van ouderdom.
5καὶ Κύριος εἶπε πρὸς Ἀχιά· ἰδοὺ γυνὴ τοῦ Ἱεροβοὰμ εἰσέρχεται τοῦ ἐκζητῆσαι ρῆμα παρὰ σοῦ περὶ υἱοῦ αὐτῆς, ὅτι ἄρρωστός ἐστι· κατὰ τοῦτο καὶ κατὰ τοῦτο λαλήσεις πρὸς αὐτήν. καὶ ἐγένετο ἐν τῷ εἰσέρχεσθαι αὐτὴν καὶ αὐτὴ ἀπεξενοῦτο.
5Maar Jahweh sprak tot hem: Daar is de vrouw van Jeroboam. Zij komt u een godsspraak vragen over haar zoon; want die is ziek. Zo en zo moet ge tot haar spreken. Toen zij nu, als een onbekende vermomd, binnenkwam,
6καὶ ἐγένετο ὡς ἤκουσεν Ἀχιὰ τὴν φωνὴν ποδῶν αὐτῆς, εἰσερχομένης αὐτῆς ἐν τῷ ἀνοίγματι, καὶ εἶπεν· εἴσελθε, γυνὴ Ἱεροβοάμ· ἱνατί σὺ τοῦτο ἀποξενοῦσαι; καὶ ἐγώ εἰμι ἀπόστολος πρός σε σκληρός.
6en Achi-jáhoe het geluid harer voetstappen in de deur hoorde, zeide hij: Kom binnen, vrouw van Jeroboam; waarom doet gij u als een onbekende voor? Ik heb opdracht u een harde boodschap over te brengen.
7πορευθεῖσα εἰπὸν τῷ Ἱεροβοάμ· τάδε λέγει Κύριος ὁ Θεὸς Ἰσραήλ· ἀνθ᾿ οὗ ὅσον ὕψωσά σε ἀπὸ μέσου λαοῦ καὶ ἔδωκά σε ἡγούμενον ἐπὶ τὸν λαόν μου Ἰσραήλ,
7Ga en zeg aan Jeroboam:. Zo spreekt Jahweh, Israëls God! Om u boven het gewone volk te verheffen en u tot koning aan te stellen over Israël, mijn volk,
8καὶ ἔρρηξα σὺν τὸ βασίλειον ἀπὸ τοῦ οἶκου Δαυὶδ καὶ ἔδωκα αὐτό σοι καὶ οὐκ ἐγένου ὡς ὁ δοῦλός μου Δαυίδ, ὃς ἐφύλαξε τὰς ἐντολάς μου καὶ ὃς ἐπορεύθη ὀπίσω μου ἐν πάσῃ καρδίᾳ αὐτοῦ ποιῆσαι ἕκαστος τὸ εὐθὲς ἐν ὀφθαλμοῖς μου
8heb Ik het koninkrijk aan het huis van David ontnomen en het aan u gegeven. Maar gij zijt niet geweest als mijn dienaar David, die mijn geboden onderhield, Mij van ganser harte diende, en enkel deed wat goed was in mijn ogen.
9καὶ ἐπονηρεύσω τοῦ ποιῆσαι παρὰ παντός, ὅσοι ἐγένοντο εἰς πρόσωπόν σου καὶ ἐπορεύθης καὶ ἐποίησας σεαυτῷ θεοὺς ἑτέρους χωνευτὰ τοῦ παροργίσαι με καὶ ἐμὲ ἔρριψας ὀπίσω σώματός σου·
9Neen, ge hebt groter kwaad bedreven dan allen, die u vooraf zijn gegaan; om Mij te tergen hebt ge andere goden en gegoten beelden gemaakt, en Mij vol verachting verworpen.
10διὰ τοῦτο ἐγὼ ἄγω κακίαν πρός σε εἰς οἶκον Ἱεροβοάμ· ἐξολοθρεύσω τοῦ Ἱεροβοὰμ οὐροῦντα πρὸς τοῖχον ἐχόμενον καὶ ἐγκαταλελειμμένον ἐν Ἰσραὴλ καὶ ἐπιλέξω οἴκου Ἱεροβοάμ, καθὼς ἐπιλέγεται ἡ κόπρος, ὡς τελειωθῆναι αὐτόν·
10Daarom zal Ik onheil over het huis van Jeroboam brengen. Al wat man is in Jeroboams huis, slaaf of vrij, zal Ik uit Israël verdelgen; want Ik wil het huis van Jeroboam wegvagen, zoals men vuilnis wegwerpt, totdat er niets meer van overblijft.
11οἱ τεθνηκότες τοῦ Ἱεροβοὰμ ἐν τῇ πόλει, καταφάγονται οἱ κύνες, καὶ τὸν τεθνηκότα ἐν τῷ ἀγρῷ καταφάγονται τὰ πετεινὰ τοῦ οὐρανοῦ, ὅτι Κύριος ἐλάλησε.
11Sterft iemand van Jeroboam in de stad, dan zullen de honden hem verslinden; en sterft iemand van hem op het land, dan zullen de vogels uit de lucht het doen; want Jahweh heeft het gezegd!
12καὶ σὺ ἀναστᾶσα πορεύθητι εἰς τὸν οἶκόν σου· ἐν τῷ εἰσέρχεσθαι πόδα σου τὴν πόλιν, ἀποθανεῖται τὸ παιδάριον·
12Wat u betreft, sta op en ga naar huis. Op het ogenblik, dat uw voeten de stad betreden, zal de jongen sterven.
13καὶ κόψονται αὐτὸν πᾶς Ἰσραὴλ καὶ θάψουσιν αὐτόν, ὅτι οὗτος μόνος εἰσελεύσεται τῷ Ἱεροβοὰμ πρὸς τάφον, ὅτι εὑρέθη ἐν αὐτῷ ρῆμα καλὸν περὶ τοῦ Κυρίου Θεοῦ Ἰσραὴλ ἐν οἴκῳ Ἱεροβοάμ·
13Heel Israël zal hem bij zijn begrafenis bewenen; want hij is de enige van het geslacht van Jeroboam, die in een graf zal worden gelegd, omdat hij de enige is in Jeroboams huis, in wien iets goeds werd gevonden voor het aanschijn van Jahweh, Israëls God.
14καὶ ἀναστήσει Κύριος ἑαυτῷ βασιλέα ἐπὶ Ἰσραήλ, ὃς πλήξει τὸν οἶκον Ἱεροβοάμ ταύτῃ τῇ ἡμέρᾳ· καὶ τί καὶ νῦν;
14En de man, die het huis van Israël zal uitroeien, zal door Jahweh tot koning over Israël worden verheven.
15Κύριος πλήξει τὸν Ἰσραήλ, καθὰ κινεῖται ὁ ἄνεμος ἐν τῷ ὕδατι, καὶ ἐκτελεῖ τὸν Ἰσραὴλ ἀπὸ ἄνω τῆς χθονὸς τῆς ἀγαθῆς ταύτης, ἧς ἔδωκε τοῖς πατράσιν αὐτῶν, καὶ λικμήσει αὐτοὺς ἀπὸ πέραν τοῦ ποταμοῦ· ἀνθ᾿ οὗ ὅσον ἐποίησαν τὰ ἄλση αὐτῶν παροργίζοντες τὸν Κύριον·
15Dit geldt het heden, maar er is nog meer! Want Jahweh zal ook Israël slaan, zoals men een riet in het water zwiept. Hij zal de kinderen van Israël uitroeien uit het heerlijke land, dat Hij aan hun vaderen gaf, en ze verstrooien aan de andere zijde van de Rivier, omdat zij heilige palen hebben gemaakt, om Hem te tergen.
16καὶ παραδώσει Κύριος τὸν Ἰσραὴλ χάριν ἁμαρτιῶν Ἱεροβοάμ, ὃς ἥμαρτε καὶ ὃς ἐξήμαρτε τὸν Ἰσραήλ.
16Dan zal Hij Israël prijsgeven om de zonden, die Jeroboam zelf heeft bedreven, en die hij Israël deed bedrijven.
17καὶ ἀνέστη ἡ γυνὴ Ἱεροβοὰμ καὶ ἐπορεύθη εἰς γῆν Σαριρά· καὶ ἐγένετο ὡς εἰσῆλθεν ἐν τῷ προθύρῳ τοῦ οἴκου καὶ τὸ παιδάριον ἀπέθανε.
17Toen stond de vrouw van Jeroboam op, en vertrok. Maar toen zij, in Tirsa aangekomen, de drempel van het huis betrad, stierf de knaap.
18καὶ ἔθαψαν αὐτὸν καὶ ἐκόψαντο αὐτὸν πᾶς Ἰσραήλ, κατὰ τὸ ρῆμα Κυρίου, ὃ ἐλάλησεν ἐν χειρὶ δούλου αὐτοῦ Ἀχιὰ τοῦ προφήτου.
18Heel Israël treurde bij zijn begrafenis, zoals Jahweh door zijn dienaar, den profeet Achi-jáhoe, voorspeld had.
19καὶ περισσὸν ρημάτων Ἱεροβοάμ, ὅσα ἐπολέμησε καὶ ὅσα ἐβασίλευσεν, ἰδοὺ αὐτὰ γεγραμμένα ἐπὶ βιβλίου ρημάτων τῶν ἡμερῶν τῶν βασιλέων Ἰσραὴλ.
19De verdere geschiedenis van Jeroboam, met zijn oorlogen en zijn regering, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël.
20καὶ αἱ ἡμέραι, ἃς ἐβασίλευσεν Ἱεροβοὰμ εἴκοσι δύο ἔτη· καὶ ἐκοιμήθη μετὰ τῶν πατέρων αὐτοῦ καὶ ἐβασίλευσε Ναβὰτ υἱὸς αὐτοῦ ἀντ᾿ αὐτοῦ.]
20Jeroboam regeerde twee en twintig jaar; toen ging hij bij zijn vaderen te ruste. Zijn zoon Nadab volgde hem op.
21ΚΑΙ Ροβοὰμ υἱὸς Σαλωμὼν ἐβασίλευσεν ἐπὶ Ἰούδαν· υἱὸς τεσσαράκοντα καὶ ἑνὸς ἐνιαυτῶν Ροβοὰμ ἐν τῷ βασιλεύειν αὐτὸν καὶ ἑπτακαίδεκα ἔτη ἐβασίλευσεν ἐν Ἱερουσαλὴμ τῇ πόλει, ἣν ἐξελέξατο Κύριος θέσθαι τὸ ὄνομα αὐτοῦ ἐκεῖ ἐκ πασῶν φυλῶν τοῦ Ἰσραήλ· καὶ τὸ ὄνομα τῆς μητρὸς αὐτοῦ Νααμὰ ἡ Ἀμμωνῖτις.
21Roboam, de zoon van Salomon, werd koning over Juda. Hij was een en veertig jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde zeventien jaar te Jerusalem, de stad, die Jahweh uit al de stammen van Israël had uitverkoren, om er zijn Naam te doen wonen. Zijn moeder heette Naäma, en was een ammonietische.
22καὶ ἐποίησε Ροβοὰμ τὸ πονηρὸν ἐνώπιον Κυρίου καὶ παρεζήλωσεν αὐτὸν ἐν πᾶσιν, οἷς ἐποίησαν οἱ πατέρες αὐτῶν ἐν ταῖς ἁμαρτίαις αὐτῶν, αἷς ἥμαρτον,
22Juda deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh; meer dan hun vaderen prikkelden zij zijn ijverzucht door de zonden, die zij bedreven;
23καὶ ᾠκοδόμησαν ἑαυτοῖς ὑψηλὰ καὶ στήλας καὶ ἄλση ἐπὶ πάντα βουνὸν ὑψηλὸν καὶ ὑποκάτω παντὸς ξύλου συσκίου.
23want op iedere hoge heuvel en onder iedere groene boom richtten zij offerhoogten, heilige zuilen en heilige palen op.
24καὶ σύνδεσμος ἐγενήθη ἐν τῇ γῇ, καὶ ἐποίησαν ἀπὸ πάντων τῶν βδελυγμάτων τῶν ἐθνῶν, ὧν ἐξῇρε Κύριος ἀπὸ προσώπου υἱῶν Ἰσραήλ.
24Zelfs waren er verminkten in het land. Zo volgden zij al de gruwelen na van de volkeren, die Jahweh voor de kinderen van Israël verdreven had.
25καὶ ἐγένετο ἐν τῷ ἐνιαυτῷ τῷ πέμπτῳ βασιλεύοντος Ροβοάμ, ἀνέβη Σουσακὶμ βασιλεὺς Αἰγύπτου ἐπὶ Ἱερουσαλὴμ
25In het vijfde jaar der regering van Roboam trok Sjisjak, de koning van Egypte, tegen Jerusalem op.
26καὶ ἔλαβε πάντας τοὺς θησαυροὺς οἴκου τοῦ βασιλέως καὶ τὰ δόρατα τὰ χρυσᾶ, ἃ ἔλαβε Δαυὶδ ἐκ χειρὸς τῶν παίδων Ἀδραζὰρ βασιλέως Σουβά, καὶ εἰσήνεγκεν αὐτὰ εἰς Ἱερουσαλὴμ τὰ πάντα, ἃ ἔλαβεν, ὅπλα τὰ χρυσᾶ, ὅσα ἐποίησε Σαλωμών, καὶ ἐπήνεγκεν αὐτὰ εἰς Αἴγυπτον.
26Hij roofde de kostbaarheden van de tempel van Jahweh en van het koninklijk paleis. Alles nam hij mee, ook al de gouden schilden, die Salomon had laten vervaardigen.
27καὶ ἐποίησε Ροβοὰμ ὁ βασιλεὺς ὅπλα χαλκᾶ ἀντ᾿ αὐτῶν. καὶ ἐπέθεντο ἐπ᾿ αὐτὸν οἱ ἡγούμενοι τῶν παρατρεχόντων οἱ φυλάσσοντες τὸν πυλῶνα οἴκου βασιλέως.
27In de plaats daarvan liet koning Roboam bronzen schilden maken, welke hij toevertrouwde aan de oversten der soldaten, die de wacht hielden aan de ingang van het koninklijk paleis.
28καὶ ἐγένετο ὅτε εἰσεπορεύετο ὁ βασιλεὺς εἰς οἶκον Κυρίου, καὶ ᾖρον αὐτὰ οἱ παρατρέχοντες καὶ ἀπηρείδοντο αὐτὰ εἰς τὸ θεὲ τῶν παρατρεχόντων.
28De soldaten droegen ze, telkens als de koning naar de tempel van Jahweh ging; daarna brachten zij ze terug naar het soldatenverblijf.
29καὶ τὰ λοιπὰ τῶν λόγων Ροβοὰμ καὶ πάντα, ἃ ἐποίησεν, οὐκ ἰδοὺ ταῦτα γεγραμμένα ἐν βιβλίῳ λόγων τῶν ἡμερῶν τοῖς βασιλεῦσιν Ἰούδα;
29De verdere geschiedenis van Roboam, met al wat hij deed, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda.
30καὶ πόλεμος ἦν ἀνὰ μέσον Ροβοὰμ καὶ ἀνὰ μέσον Ἱεροβοὰμ πάσας τὰς ἡμέρας.
30Er was voortdurend oorlog tussen Roboam en Jeroboam.
31καὶ ἐκοιμήθη Ροβοὰμ μετὰ τῶν πατέρων αὐτοῦ καὶ θάπτεται μετὰ τῶν πατέρων αὐτοῦ ἐν πόλει Δαυίδ, καὶ ἐβασίλευσεν Ἀβιοὺ ὁ υἱὸς αὐτοῦ ἀντ᾿ αὐτοῦ.
31Roboam ging bij zijn vaderen te ruste, en werd in de Davidstad begraven. Zijn zoon Abias volgde hem op.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.