Hebrews
Chapter 10
Douay-Rheims Bible, Amer…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1For the law having a shadow of the good things to come, not the very image of the things; by the selfsame sacrifices which they offer continually every year, can never make the comers thereunto perfect:
1Daar de Wet slechts de schaduw bezit der toekomstige goederen en niet het wezen dier dingen zelf, kan ze onmogelijk door offers, welke men jaarlijks opdraagt op dezelfde wijze, hen die er aan deelnemen, ééns en voor al tot volmaaktheid brengen.
2For then they would have ceased to be offered: because the worshippers once cleansed should have no conscience of sin any longer:
2Zou anders het offeren niet hebben opgehouden, omdat dan de offeraars ééns en voor al waren gereinigd en zich geen zonden meer waren bewust?
3But in them there is made a commemoration of sins every year.
3Maar nu wordt integendeel ieder jaar de gedachte aan zonde opnieuw daardoor opgewekt.
4For it is impossible that with the blood of oxen and goats sin should be taken away.
4Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken zonden wegneemt.
5Wherefore when he cometh into the world, he saith: Sacrifice and oblation thou wouldest not: but a body thou hast fitted to me:
5Daarom zegt Hij bij zijn Intreden in de wereld: Offers noch gaven hebt Gij gewild, Maar een Lichaam hebt Gij Mij bereid.
6Holocausts for sin did not please thee.
6Brand- en zoenoffers behaagden U niet,
7Then said I: Behold I come: in the head of the book it is written of me: that I should do thy will, O God.
7Toen zeide Ik: Zie Ik kom! In de boekrol staat van Mij geschreven, Uw wil te volbrengen, o God!
8In saying before, Sacrifices, and oblations, and holocausts for sin thou wouldest not, neither are they pleasing to thee, which are offered according to the law.
8Daar Hij nu eerst heeft gezegd: “Offers en gaven, brand- en zoenoffers hebt Gij niet gewild, behaagden U niet,” ofschoon ze volgens de Wet worden geofferd;
9Then said I: Behold, I come to do thy will, O God: he taketh away the first, that he may establish that which followeth.
9en Hij vervolgens sprak: “Zie Ik kom, om uw wil te volbrengen;” zó heeft Hij het eerste afgeschaft, om het tweede in te stellen.
10In the which will, we are sanctified by the oblation of the body of Jesus Christ once.
10Uit kracht van die wil zijn wij ééns en voor al geheiligd door het Offer van het Lichaam van Jesus Christus.
11And every priest indeed standeth daily ministering, and often offering the same sacrifices, which can never take away sins.
11En terwijl iedere priester, dag in dag uit, dienst staat te verrichten en meermalen dezelfde offers opdraagt, welke toch nimmer de zonde kunnen wegnemen,
12But this man offering one sacrifice for sins, for ever sitteth on the right hand of God,
12heeft Hij daarentegen, ééns en voor al, één enkel Offer gebracht voor de zonden, “en is Hij gezeten aan Gods rechterhand,”
13From henceforth expecting, until his enemies be made his footstool.
13in afwachting “tot zijn vijanden neergelegd zijn als voetbank voor zijn voeten.”
14For by one oblation he hath perfected for ever them that are sanctified.
14Immers door één enkel Offer heeft Hij de geheiligden, ééns en voor al, tot volmaaktheid gebracht. Dit getuigt ons ook de heilige Geest.
15And the Holy Ghost also doth testify this to us. For after that he said:
15Want nadat Hij gesproken heeft:
16And this is the testament which I will make unto them after those days, saith the Lord. I will give my laws in their hearts, and on their minds will I write them:
16“Dit is het Verbond, dat Ik sluit Met hen na deze dagen,” Spreekt de Heer: Mijn wetten zal Ik prenten in hun harten, Ik zal ze schrijven in hun verstand;
17And their sins and iniquities I will remember no more.
17En hun zonden en ongerechtigheden Zal Ik niet langer gedenken.
18Now where there is a remission of these, there is no more an oblation for sin.
18Welnu, waar deze vergeven zijn, daar is geen offer voor de zonde meer nodig.
19Having therefore, brethren, a confidence in the entering into the holies by the blood of Christ;
19Welnu dan broeders, daar we de vaste zekerheid hebben, dat door het Bloed van Jesus de weg tot het Heiligdom ons open staat,
20A new and living way which he hath dedicated for us through the veil, that is to say, his flesh,
20—een nieuwe en levende weg, die Hij ons heeft gebaand door het Voorhangsel heen, namelijk dat van zijn Vlees,
21And a high priest over the house of God:
21daar we eveneens “een Hogepriester over Gods Huis” hebben:
22Let us draw near with a true heart in fulness of faith, having our hearts sprinkled from an evil conscience, and our bodies washed with clean water.
22zo laat ons toetreden met een oprecht hart en in volle geloofsovertuiging; onze harten door besprenkeling gezuiverd van een slecht geweten, ons lichaam door rein water gewassen.
23Let us hold fast the confession of our hope without wavering (for he is faithful that hath promised),
23Laat ons onwrikbaar vasthouden aan de belijdenis der hoop; want Hij die de belofte deed, is getrouw.
24And let us consider one another, to provoke unto charity and to good works:
24Laat ons elkander gadeslaan, om ons tot liefde te prikkelen en goede werken;
25Not forsaking our assembly, as some are accustomed; but comforting one another, and so much the more as you see the day approaching.
25verwaarloost het gemeenschapsleven niet, zoals sommigen plegen te doen; maar vermaant elkander, te meer, daar gij de Dag ziet naderen.
26For if we sin wilfully after having the knowledge of the truth, there is now left no sacrifice for sins,
26Want wanneer we, na de kennis der waarheid te hebben ontvangen, wetens en willens zondigen, dan is er geen offer voor de zonden meer in uitzicht,
27But a certain dreadful expectation of judgment, and the rage of a fire which shall consume the adversaries.
27maar slechts een vreselijke verwachting van oordeel en vuurgloed, die de weerspannigen zal verslinden.
28A man making void the law of Moses, dieth without any mercy under two or three witnesses:
28Verwerpt iemand de Wet van Moses, zonder genade “sterft hij op het woord van twee of drie getuigen;”
29How much more, do you think he deserveth worse punishments, who hath trodden under foot the Son of God, and hath esteemed the blood of the testament unclean, by which he was sanctified, and hath offered an affront to the Spirit of grace?
29hoeveel zwaarder straf, dunkt u, zal hij dan verdienen, die den Zoon van God met voeten treedt, het Bloed van het Verbond veracht, waardoor hij geheiligd is, en den Geest der genade durft honen?
30For we know him that hath said: Vengeance belongeth to me, and I will repay. And again: The Lord shall judge his people.
30We weten toch, dat Hij gezegd heeft: “Aan Mij is de wraak; Ik zal vergelden;” en eveneens: “de Heer zal zijn volk oordelen.”
31It is a fearful thing to fall into the hands of the living God.
31Vreselijk is het, te vallen in de handen van den levenden God.
32But call to mind the former days, wherein, being illuminated, you endured a great fight of afflictions.
32Denkt eens terug aan de dagen, toen gij het licht hebt ontvangen, en daardoor zulk een smartelijke strijd hebt doorstaan:
33And on the one hand indeed, by reproaches and tribulations, were made a gazingstock; and on the other, became companions of them that were used in such sort.
33nu eens zelf een toonbeeld van smaad en druk, dan weer één met hen, wie het zó verging.
34For you both had compassion on them that were in bands, and took with joy the being stripped of your own goods, knowing that you have a better and a lasting substance.
34Inderdaad, toen hebt gij mee geleden met hen, die gevangen waren, en de roof uwer goederen met blijdschap verdragen, in de overtuiging, dat gij betere en blijvende goederen bezit.
35Do not therefore lose your confidence, which hath a great reward.
35Werpt dus uw vast vertrouwen niet weg, dat een grote beloning in zich sluit.
36For patience is necessary for you; that, doing the will of God, you may receive the promise.
36Volharding toch is noodzakelijk voor u, om de wil van God te volbrengen en te verkrijgen wat beloofd is.
37For yet a little and a very little while, and he that is to come, will come, and will not delay.
37Want nog een kleine, kleine tijd: Hij die komt, zal komen, En Hij zal niet toeven.
38But my just man liveth by faith; but if he withdraw himself, he shall not please my soul.
38Mijn rechtvaardige zal leven door geloof; Maar zo hij terugdeinst, Heeft mijn ziel geen behagen in hem.
39But we are not the children of withdrawing unto perdition, but of faith to the saving of the soul.
39Welnu, wij zijn geen mensen van terugdeinzen ten verderve, maar van geloven tot behoud onzer ziel.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.