2. Mose 40
Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Und der HERR redete mit Mose und sprach:
1Toen sprak Jahweh tot Moses:
2Du sollst die Wohnung der Hütte des Stifts aufrichten am ersten Tage des ersten Monats.
2Op de eerste dag van de eerste maand moet ge de tabernakel, de openbaringstent, oprichten,
3und sollst darein setzen die Lade des Zeugnisses und vor die Lade den Vorhang hängen.
3de ark des Verbonds daarin plaatsen, en de ark door het voorhangsel aan het oog onttrekken.
4Und sollst den Tisch darbringen und ihn zubereiten und den Leuchter darstellen und die Lampen darauf setzen.
4Breng dan de tafel naar binnen, leg er op neer, wat er op hoort, zet de kandelaar er in, en ontsteek de lampen;
5Und sollst den goldenen Räucheraltar setzen vor die Lade des Zeugnisses und das Tuch in der Tür der Wohnung aufhängen.
5plaats het gouden reukofferaltaar voor de ark des Verbonds en hang het tapijt voor de ingang van de tabernakel.
6Den Brandopferaltar aber sollst du setzen heraus vor die Tür der Wohnung der Hütte des Stifts,
6Plaats vervolgens het brandofferaltaar voor de ingang van de tabernakel, de openbaringstent,
7und das Handfaß zwischen die Hütte des Stifts und den Altar, und Wasser darein tun,
7zet het bekken neer tussen de openbaringstent en het altaar, en vul het met water.
8und den Vorhof stellen umher, und das Tuch in der Tür des Vorhofs aufhängen.
8Richt daar omheen de voorhof op, en hang het tapijt voor de ingang van de voorhof.
9Und sollst die Salbe nehmen, und die Wohnung und alles, was darin ist, salben; und sollst sie weihen mit allem ihrem Geräte, daß sie heilig sei.
9Neem dan de zalfolie, zalf de tabernakel en al wat er in is, en wijd hem en alles wat er bij hoort; dan zal hij geheiligd zijn.
10Und sollst den Brandopferaltar salben mit allem seinem Geräte, und weihen, daß er hochheilig sei.
10Zalf ook het brandofferaltaar en al zijn benodigdheden en wijd het altaar; en het zal hoogheilig zijn.
11Sollst auch das Handfaß und seinen Fuß salben und weihen.
11Zalf ook het bekken met zijn onderstel, en wijd het.
12Und sollst Aaron und seine Söhne vor die Tür der Hütte des Stifts führen und mit Wasser waschen,
12Laat daarna Aäron en zijn zonen voor de ingang van de openbaringstent treden, en was hen met water.
13und Aaron die heiligen Kleider anziehen und ihn salben und weihen, daß er mein Priester sei;
13Bekleed dan Aäron met de heilige gewaden, en zalf en wijd hem; dan zal hij mijn priester zijn.
14und seine Söhne auch herzuführen und ihnen die engen Röcke anziehen,
14Laat ook zijn zonen toetreden, en bekleed hen met de tunieken.
15und sie salben, wie du ihren Vater gesalbt hast, daß sie meine Priester seien. Und diese Salbung sollen sie haben zum ewigen Priestertum bei ihren Nachkommen.
15Zalf hen, zoals gij hun vader hebt gezalfd; dan zullen zij mijn priesters zijn en door deze zalving het priesterschap eeuwig in hun geslacht bezitten.
16Und Mose tat alles, wie ihm der HERR geboten hatte.
16En Moses deed alles, juist zoals Jahweh het hem bevolen had.
17Also ward die Wohnung aufgerichtet im zweiten Jahr, am ersten Tage des ersten Monats.
17En in de eerste maand van het tweede jaar, op de eerste dag van de maand, werd de tabernakel opgericht.
18Und da Mose sie aufrichtete, setzte er die Füße und die Bretter und Riegel und richtete die Säulen auf
18Moses richtte de tabernakel op; hij plaatste de voetstukken, zette de schotten er in, bevestigde de bindlatten, en richtte de palen op;
19und breitete die Hütte aus über der Wohnung und legte die Decke der Hütte obendarauf, wie der HERR ihm geboten hatte,
19hij spande de tent uit over de tabernakel, en legde het tentdek er over heen, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
20und nahm das Zeugnis und legte es in die Lade und tat die Stangen an die Lade und tat den Gnadenstuhl oben auf die Lade
20Dan nam hij de verbondstafelen, legde ze in de ark, stak de handbomen aan de ark, legde het verzoendeksel op de ark,
21und brachte die Lade in die Wohnung und hing den Vorhang vor die Lade des Zeugnisses, wie ihm der HERR geboten hatte,
21bracht de ark in de tabernakel, hing het voorhangsel op en onttrok zo de ark des Verbonds aan het oog, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
22und setzte den Tisch in die Hütte des Stifts, an die Seite der Wohnung gegen Mitternacht, außen vor den Vorhang,
22Daarna plaatste hij de tafel in de openbaringstent, aan de noordzijde van de tabernakel buiten het voorhangsel,
23und richtete Brot darauf zu vor dem HERRN, wie ihm der HERR geboten hatte,
23schikte daarop de broden voor het aanschijn van Jahweh, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
24und setzte den Leuchter auch hinein, gegenüber dem Tisch, an die Seite der Wohnung gegen Mittag,
24Hij plaatste de kandelaar in de openbaringstent tegenover de tafel aan de zuidzijde van de tabernakel,
25und tat Lampen darauf vor dem HERRN, wie ihm der HERR geboten hatte,
25en zette de lampen er op voor het aanschijn van Jahweh, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
26und setzte den goldenen Altar hinein vor den Vorhang
26Hij plaatste ook het gouden altaar in de openbaringstent voor het voorhangsel,
27und räucherte darauf mit gutem Räuchwerk, wie ihm der HERR geboten hatte,
27en ontstak daarop de geurige wierook, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
28und hing das Tuch in die Tür der Wohnung.
28Vervolgens hing hij het tapijt voor de ingang van de tabernakel,
29Aber den Brandopferaltar setzte er vor die Tür der Wohnung der Hütte des Stifts und opferte darauf Brandopfer und Speisopfer, wie ihm der HERR geboten hatte.
29en plaatste het brandofferaltaar aan de ingang van de tabernakel, de openbaringstent, en offerde daarop het brand(-) en spijsoffer, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
30Und das Handfaß setzte er zwischen die Hütte des Stifts und den Altar und tat Wasser darein zum Waschen.
30Het bekken stelde hij tussen de openbaringstent en het altaar, en vulde het met water voor de wassingen;
31Und Mose, Aaron und seine Söhne wuschen ihre Hände und Füße darin.
31en Moses en Aäron en zijn zonen wasten hun handen en voeten er in,
32Denn sie müssen sich waschen, wenn sie in die Hütte des Stifts gehen oder hinzutreten zum Altar, wie ihm der HERR geboten hatte.
32telkens wanneer zij de openbaringstent binnengingen of tot het altaar naderden, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
33Und er richtete den Vorhof auf um die Wohnung und um den Altar her und hing den Vorhang in das Tor des Vorhofs. Also vollendete Mose das ganze Werk.
33Rond de tabernakel en het altaar richtte hij de voorhof op, en hing hij een tapijt voor de ingang van de voorhof. Zo voltooide Moses het werk.
34Da bedeckte die Wolke die Hütte des Stifts, und die Herrlichkeit des HERRN füllte die Wohnung.
34Toen bedekte de wolk de openbaringstent en vervulde Jahweh’s Glorie de tabernakel;
35Und Mose konnte nicht in die Hütte des Stifts gehen, weil die Wolke darauf blieb und die Herrlichkeit des HERRN die Wohnung füllte.
35en Moses kon de openbaringstent niet binnengaan, omdat de wolk daarop rustte en Jahweh’s Glorie de tabernakel vervulde.
36Und wenn die Wolke sich aufhob von der Wohnung, so zogen die Kinder Israel, solange sie reisten.
36En telkens wanneer de wolk zich boven de tabernakel verhief, braken de Israëlieten op, om hun tocht te hervatten;
37Wenn sich aber die Wolke nicht aufhob, so zogen sie nicht bis an den Tag, da sie sich aufhob.
37maar zolang de wolk zich niet verhief, wachtten zij met het vertrekken tot het ogenblik, dat zij opsteeg.
38Denn die Wolke des HERRN war des Tages auf der Wohnung, und des Nachts war sie feurig vor den Augen des ganzen Hauses Israel, solange sie reisten.
38Want overdag rustte de wolk van Jahweh op de tabernakel, en des nachts was er een vuur in de wolk ten aanschouwen van heel het huis van Israël op al zijn tochten.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.