Mareko 14
Meriam Mir GospelsTranslation
Meriam Mir Gospels
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Neis gerger iobaru, paseka akerare, a areto nole isi kak; zogozogo le giz, a aotale giz ko deraimeri abi terpei okardarem, a abi ipit eumida.
1Twee dagen later was het Pasen, en het feest van de ongedesemde broden. En de opperpriesters en schriftgeleerden zochten naar een middel, om Hem met list gevangen te nemen, en te doden.
2A uiaba detager, kega, Nole abele ikeli uetpur ge, iaueakai abele ged ataperetlam.
2Ze zeiden: Niet op het feest; er mocht eens oproer komen onder het volk.
3E emri Bethania, muige Simona lepera ra meta, E emri leuer aroem, nerute kosker abim tabakeam nagri alabasa tarpor, muige muro ido lu; E emetu tarpor daraturumda, E abi kerem ge epaiteredelu.
3Terwijl Hij nu te Betánië was in het huis van Simon den melaatse, en aanlag aan tafel, kwam er een vrouw, die een albasten kruik vol echte, kostbare nardus droeg; ze brak de kruik stuk, en goot de nardus uit over zijn hoofd.
4Uader le urker, a mer mer, kega, Nalugelam abele muro epaitered?
4Sommigen werden er verontwaardigd over, en zeiden: Waarom die verkwisting met de balsem?
5Abelelam ese emetu terapei, abele bodomalam tumem thri handed denari a ko ikuarare gaire le lu kak. A uiaba abi urker.
5Want deze balsem had voor meer dan driehonderd tienlingen verkocht kunnen worden, en aan de armen worden gegeven. En ze waren boos op haar.
6Iesu detager, kega, Nole abi ataperet kak; nalugem uaba abi bamsili? abelelam E debe dorge karim ikeli.
6Maar Jesus sprak: Laat haar met rust! Waarom valt gij haar lastig? Ze heeft een goed werk aan Mij gedaan.
7Abelelam le giz nole lu kak no uabi dog emeri, uaba umele uiabim debe dorge nakeli abele gerger uaba laglag; epe kaka nole niai emeri uabi dog.
7Want de armen hebt gij altijd bij u, en gij kunt hun goed doen, wanneer gij wilt; Mij niet.
8Kosker emetu ikeli abele lu E umele: E kekiam kara gem dedered kari natkobei.
8Zij heeft gedaan, wat ze kon; ze heeft reeds vooruit mijn lichaam gebalsemd voor de begrafenis.
9Ageakar, kaka uabi detagereda, kega, Gaire ged uridili geseb ge ko euangelia marao, abele ko etomeret kosker ra dorge, mena ko dikiapor abim.
9Voorwaar, Ik zeg u: Overal, in heel de wereld, waar dit evangelie wordt gepreekt, zal ook tot hare gedachtenis worden vermeld, wat ze gedaan heeft.
10Nerute le, abele tuelf lelam, nei Iuda Isakariota, E bakeam uiabim zogozogo le giz, ko abi keserkeser uiabim.
10Toen ging Judas Iskáriot, een van de twaalf, naar de opperpriesters, om Hem aan hen over te leveren.
11Uiaba asereda, uiaba sererge, a abi detager ko mani abi ikuar. E deraimeri ko Iesu keserkeser.
11Ze verheugden zich, toen ze dit hoorden, en beloofden hem, geld te geven. Hij zocht dus naar een gelegenheid, om Hem te verraden.
12Abele kekiam gerger areto nole isi kak, abele kerker uiaba paseka ipit, abara kaimeg giz abi detager, kega, Nade uteb mama lag keriba ko paseka ero?
12Op de eerste dag der ongedesemde broden, waarop men het Pascha offerde, zeiden zijn leerlingen tot Hem: Waar wilt Gij, dat we U de toebereidselen gaan maken, om het paasmaal te eten?
13E neis abara kaimeg giz namariklu, a uiabi detager, kega, Ua bakeamulei utebem, nerute le uabi obapit a nini tarpor erpei: abi irmilei;
13Hij zond dus twee van zijn leerlingen heen, en zei hun: Gaat naar de stad; daar zult gij een man tegenkomen, die een kruik water draagt; gaat hem achterna.
14E abele ge badari, uaba meta kemle detagereda, kega, Kole de detager, Nade suble uteb, kaka a kara kaimeg giz paseka eroarem?
14en zegt, waar hij binnengaat, tot den heer des huizes: De Meester zegt: waar is de zaal, waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden?
15Ege E uabi degeredi nerut au uteb kotor, emetu derser a eseger: a uaba ko derser keribim.
15En Hij zal u een grote opperzaal aanwijzen, goed gemeubeld en van alles voorzien; maakt daar alles voor ons gereed.
16Abara kaimeg giz neis bakeamulei, a uteb ge tabarki, a erdarei mokakalam E uiabi daratager; epe uiaba paseka derser.
16De leerlingen gingen heen, kwamen in de stad, en vonden het, zoals Hij hun had gezegd; en ze maakten het paasmaal gereed.
17Kikem Iesu a tuelf le kei tabarkeda.
17Tegen de avond kwam Hij met het twaalftal.
18Uiaba baido, a leuer eroare, Iesu detager, kega, Ageakar, kaka uabi detagereda, kega, Nerute uabielam kari keserkeser, abele le kari dog eroli.
18En terwijl ze aanlagen en aten, sprak Jesus: Voorwaar, Ik zeg u: één van u zal Mij verraden, een die met Mij eet.
19Uiaba ditimeda okasosok, a abi detager, kega, Nako kaka? a nerute kega, Nako kaka?
19Nu werden ze bedroefd, en vroegen Hem de een na den ander: Ben ik het?
20Iesu uiabim detaut, kega, Nerute uaba tuelf lelam, le itili kari dog tanelu ge.
20Hij sprak tot hen: Eén uit de twaalf, die met Mij in de schotel doopt.
21Le la Uerem bakeamulu mokakalam abim detali: epe uaiai abele le Le la Uerem keserkeser! debele abele le nole aosmer kak.
21De Mensenzoon gaat wel heen, zoals van Hem geschreven staat; maar wee dien mens, door wien de Mensenzoon verraden wordt. Het zou beter voor hem zijn, zo hij niet was geboren, die mens.
22Uiaba eroare, Iesu areto ekao, a esoao, a itur a uiabi nakuarare, a daratagerare, kega, Tekao aroem: kara gem ike.
22Terwijl zij nu aten, nam Jesus brood, zegende het, brak het, gaf het hun, en zeide: Neemt, dit is mijn lichaam.
23E tanelu ekao, a esoao, a uiabi nakuarare: a ui uridili areem.
23Daarna nam Hij de kelk, sprak een dankgebed uit, en gaf hun de kelk; en zij dronken er allen uit.
24E uiabi daratagereda, kega, Kara mam ike, abele kerkar gelar, epaitered uiabim gaire dordor le.
24En Hij zeide tot hen: Dit is mijn bloed van het Verbond, dat voor velen wordt vergoten.
25Ageakar, kaka uabi detagereda, kega, Kaka nole iako aree kak abele uina turumlam, kekiam tabarki abele gerger kaka ko aree kerkar uina Ade ra baselaia ge.
25Voorwaar, Ik zeg u: Ik zal de vrucht van de wijnstok niet meer drinken tot op de dag, waarop Ik ze hernieuwd zal drinken in het koninkrijk Gods.
26Uiaba emetu uedakiriare nerute ued, uiaba Oliua paserem bakeamuda.
26En nadat zij de lofzang hadden gezongen, gingen zij naar de Olijfberg.
27Iesu uiabi daratagereda, kega, Uaba uridili ko ezigmada karielam abele ki ge: emetu detali, kega, Kai le mamoe asesered ipit, epe mamoe giz kepu bamarida.
27Toen sprak Jesus tot hen: Deze nacht zult gij allen aan Mij worden geërgerd. Want er staat geschreven: “Ik zal den herder slaan. en de schapen zullen worden verstrooid.”
28Emetu kaka eded akaida, kaka kekiam bakeam Galalaiem a uaba keubu.
28Maar wanneer Ik verrezen zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
29Peteru abi detager, kega, Ese ui uridili marim ezigmada, kai nolea.
29Petrus zei Hem: Al werden ook allen aan U geërgerd, ik niet.
30Iesu abi detager, kega, Ageakar, kaka mari detager, kega, Thri ma ko kari nasared, abele ki ge, a kimiar faul nole neisi ereretikri kak.
30Jesus sprak tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: Heden nog in deze nacht, eer de haan twee maal gekraaid heeft, zult ge Mij driemaal verloochenen.
31E iako elele detager, kega, Ese kaka mari kemem naumilu, kaka nole mari asared kak. Uiaba uridili daratagereda abkoreb.
31Maar nog krachtiger zeide hij: Al moest ik zelfs met U sterven, verloochenen zal ik U niet. Zo spraken ook allen.
32Uiaba nerute utebem tabaruda, nei Gethesemane: E abara kaimeg giz daratagereda, kega, Uaba bameri ike, kai esorerapare.
32Toen kwamen zij aan een landgoed, Getsémani genaamd. Nu zei Hij tot zijn leerlingen: Zet u hier neer, terwijl Ik ga bidden.
33E Peteru, a Iakobo, a Ioane taraisare, a ditimeda ko okasosok, a nerkep okabatageli;
33Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee, en begon ontroerd en angstig te worden.
34E uiabi daratagereda, kega, Kara mar au asiasi bakedid abele eud; ua ge bamer, a derser.
34En Hij sprak tot hen: Mijn ziel is dodelijk bedroefd: blijft hier en waakt.
35E kebi kebi bakeam, a seb ge etkobeilu, a esorerapare, ko abele haua abielam abi, ese umele.
35Hij ging nog een weinig verder, viel neer ter aarde, en bad, dat dit uur, zo het mogelijk was, Hem mocht voorbijgaan.
36E detager, kega, Aba, Baba, mama umele gaire lu eseemuda; karielam ekao abele tanelu; epe nole kara lag ikeli mabara lag ikeli.
36Hij sprak: Abba, Vader; alles is mogelijk bij U; neem deze kelk van Mij weg. Maar niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt.
37E ko akomed a uiabi erdali uteid, E Peteruim detager, kega, Simona, ma uteid? ma nole saserim kak ko derser netat haua ge?
37Nu ging Hij terug, en vond hen in slaap. Hij sprak tot Petrus: Simon, slaapt ge? Kunt ge dan niet één uur waken?
38Ua ko derser, a esorerapare, ueakai uaba nole mirem barot: lamar saserim, epe gem gebgeb.
38Waakt en bidt, opdat gij niet in bekoring komt. De geest is gewillig, maar het vlees is zwak.
39Iesu iako bakeam ko esorerapare, a detager abele netat mer.
39En weer ging Hij heen, en bad met dezelfde woorden.
40E iako takomeda, a uiabi erdali iako uteid, abelelam uiaba pone beber, a uiaba umer kak nerute mer abi detaut.
40Hij keerde terug, en vond hen opnieuw in slaap; want hun ogen vielen toe. Ze wisten niet, wat ze Hem zouden antwoorden.
41Iesu thri tabakeam, a uiabi daratagereda, kega, Ua ko uteid, a nerbazi; sina, haua ike; dasmer, emetu Le la Uerem keserkeser uiabim gaire uit le giz.
41Toen kwam Hij voor de derde maal, en sprak tot hen: Slaapt nu voort, en rust uit. Het is beslist. Het uur is gekomen: ziet, de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen der zondaars.
42Bako, mi nabakeuare; dasmer, E maike le kari keserkeser.
42Staat op, laat ons gaan; ziet, die Mij verraadt is nabij.
43E abele mer detager, sobkak Iuda tabarki, nerute le tuelf lelam, a abi kemem gaire le uridili teibur tulik a gabagaba taraisare, uiabielam zogozogo le giz, a aotale giz, a au le giz.
43En terwijl Hij nog sprak, kwam Judas, een van de twaalf, vergezeld van een bende met zwaarden en stokken, uitgezonden door de opperpriesters, schriftgeleerden en oudsten.
44Abele le abi keserkeser uiabim daratagereda nerute atamelam, kega, Le kaka abi eskos, E dali; uaba abi erpeirare, a elele tegardare.
44De verrader had hun een teken gegeven, en gezegd: Dien Ik zal kussen. Hij is het; grijpt Hem vast, en leidt Hem weg onder strenge bewaking.
45E sobkak tabarki, E abim bakeam, a abi detager, kega, Rabi ae; a abi eskos.
45Hij kwam dus, liep terstond op Hem toe, en zeide: Rabbi. En hij kuste Hem.
46Uiaba abim tag giz itrimuda, a abi terpei.
46Toen sloegen ze de hand aan Hem, en grepen Hem vast.
47Nerute le uiabielam tekue, a teibur aososo tulik iseda, a kole zogozogo le giz ra memeg le ipit, a abara laip ismilu.
47Maar een der aanwezigen trok het zwaard, trof den knecht van den hogepriester, en sloeg hem het oor af.
48Iesu uiabi daratagereda, kega, Nako, ua tabakeuare karim eruam le ise, a gaire teibur aososo tulik, a gaire gabagaba kari tais?
48Nu nam Jesus het woord, en sprak tot hen: Gij zijt uitgetrokken als tegen een rover, met zwaarden en stokken, om Mij gevangen te nemen.
49Kaka uabi dog gaire gerger giz zogo meta ge okadeskeda, uaba nole kari arpeir kak; bakedilu eski abele zogo mer detali.
49Dag aan dag leerde Ik bij u in de tempel, en gij hebt Mij niet gegrepen. Maar zo moeten de Schriften worden vervuld.
50Uiaba uridili abi dekaerti, a koreder bameri.
50Toen verlieten Hem allen, en namen de vlucht.
51Nerute makeriam abi irmili, E aole a uali lino batkam: a makeriam giz abi erpeirare;
51Maar een jonge man, met slechts een nachtkleed om het lijf, ging Hem achterna. Ze grepen hem vast;
52E uali lino igilu, a aole uiabielam koreder ge bakeamulu.
52maar hij liet het nachtkleed in de steek, en vluchtte weg, ongekleed.
53Uiaba Iesu datkimuardare abim kole zogozogo le giz: gaire kole zogozogo le giz netate gedim abim, a aotale giz.
53Ze brachten Jesus bij den hogepriester; en alle opperpriesters, oudsten en schriftgeleerden kwamen bijeen.
54A Peteru muriz ge abi irmili, abele uteb meta ge, kole zogozogo le giz ra meta; E kemem emeri uiabi dog memeg le giz, a abi ur ge gebaugeli.
54Petrus volgde Hem van verre tot in de voorhof van den hogepriester; hij zette zich bij de dienstknechten neer, om zich bij het vuur te warmen.
55Gaire kole zogozogo le giz, pako gaire tarim le giz deraimerare abielam nerute tonar, ko abi ipit eumilu; epe nole ardar kak.
55De opperpriesters en heel de Hoge Raad zochten nu naar een aanklacht tegen Jesus, om Hem ter dood te brengen. Maar ze vonden niets.
56Dordor le abielam bes mer detager, a dordor tonar mer uiaba detagerare.
56Wel brachten velen valse beschuldigingen tegen Hem in, maar de getuigenissen stemden niet overeen.
57Uader le bako, a abielam bes mer detagerare, kega,
57Toen traden er enigen naar voren, die vals tegen Hem getuigden, en zeiden:
58Keriba asereda E detager, kega, Kaka, ko abele meta ezageri, tagu ikeli, a thri gerger kaka ko nerut ikeli, a nole tagu ikeli.
58We hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze tempel afbreken, die door mensenhanden is gemaakt, en in drie dagen een andere bouwen, die niet door mensenhanden gemaakt is.
59Epe nole netate gab uiaba mer detagerare.
59Maar ook hier stemde hun getuigenis niet overeen.
60Abele kole zogozogo le giz eipu tekue, a Iesuim eutumer, kega, Nako ma nole mer etkalu? nako mer uiaba tais marielam?
60Toen stond de hogepriester op in de kring, en ondervroeg Jesus, aldus: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?
61Epe E bazeguar, a nole mer kak. Ege kole zogozogo le giz iako abim eutumer, a abi detager, kega, Ma Keriso nali, Aosperera ra Uerem me?
61Maar Hij zweeg, en antwoordde niets. Opnieuw vroeg Hem de hogepriester, en zei Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon van den Gezegende?
62Iesu detaut, kega, Kakanali; uaba ko dasmer Le la Uerem adigir tuter tag emeri, a ko tabakeam gaire kotor baz giz ge.
62Jesus sprak: Ik ben het! Gij zult den Mensenzoon gezeten zien aan de rechterhand der Majesteit, en Hem zien komen op de wolken des hemels.
63Abele kole zogozogo le giz tababu tabara am uali etoat, a detager, kega, Epe nalu nerute merume le?
63Toen scheurde de hogepriester zijn klederen, en zeide: Wat hebben we nog getuigen nodig?
64Uaba emetu asereda Adim op mer detagereda; nalu uaba dikiapor? Uiaba uridili mer nakesmur, kega, Abkoreb E ko eumida.
64Gij hebt de godslastering gehoord. Wat dunkt u? En allen spraken het vonnis uit, dat Hij des doods schuldig was.
65Uader le ditimeda abi mos itu, a abara op demdare, a abi detapiare, a abi detager, kega, Ma ko perofeta; a memeg le giz abi ipitare tag de.
65Toen begonnen sommigen Hem te bespuwen, zijn gelaat te bedekken en Hem kaakslagen te geven, en dan tot Hem te zeggen: Profeteer! Ook de dienstknechten sloegen Hem in het gelaat.
66A Peteru lokod ge emeri, nerute neur, abele kole zogozogo le giz ra memeg, tabakeam;
66Terwijl Petrus zich dus beneden in de voorhof bevond, kwam daar een der dienstmeisjes van den hogepriester;
67E Peteru erdali ur ge gebaugeli, E abi dasmer, a detager, kega, Mama nerute le kemem Iesu.
67en toen ze Petrus zich zag warmen, keek ze hem aan, en sprak: Ook gij waart bij Jesus van Názaret.
68Epe E asared, kega, Kaka nole umer kak, kaka nole opasereret kak abele lu ma detager. E osmeda abele maisu ge; a kimiar faul ereretikri.
68Doch hij loochende het en sprak: Ik weet niet, ik begrijp niet, wat ge zegt. Hij ging weg naar de voorhal; en er kraaide een haan.
69Neur memeg le iako abi erdali, a ditimeda detager uiabim akuelem, kega, E dali nerute uiabielam.
69Maar het dienstmeisje, dat hem had opgemerkt, begon nu weer tot de omstanders te zeggen: Hij is er een van.
70E iako asared. Nole uapum kak, gaire akuelem iako abi detager, kega, Ageakar ma nerute le uiabielam, ma Galilaia le, ma uiabim netate kodomer.
70Maar hij loochende het opnieuw. Kort daarop zeiden ook de omstanders op hun beurt tot Petrus: Zeker, ook gij zijt er een van, want ge zijt een Galileër.
71Peteru ditimeda adud mer egali, kega, Kaka nole umer kak abele le uaba detager.
71Nu begon hij te vloeken en te zweren: Ik ken den mens niet, van wien gij spreekt.
72Kimiar faul neisiem ereretikri. A Peteru dikiapor abele mer Iesu abi detager, kega, Kimiar faul nole neisi ereretikri, ma ko thri kari nasared. E dikiapor, a E bazoli.
72En aanstonds kraaide een haan voor de tweede maal. Toen dacht Petrus aan het woord, dat Jesus tot hem gesproken had: Eer de haan tweemaal gekraaid heeft, zult ge Mij driemaal verloochenen. En hij barstte in tranen los.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.