Marko
Chapter 14
Londona Biblio (Esperant…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Petrus Canisius Bi…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLouis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Kaj post du tagoj estis la Pasko kaj la festo de macoj; kaj la ĉefpastroj kaj skribistoj serĉis, kiamaniere ili povu per ruzo lin kapti kaj mortigi;
1Twee dagen later was het Pasen, en het feest van de ongedesemde broden. En de opperpriesters en schriftgeleerden zochten naar een middel, om Hem met list gevangen te nemen, en te doden.
2ĉar ili diris: Ne dum la festo, por ke ne estu tumulto de la popolo.
2Ze zeiden: Niet op het feest; er mocht eens oproer komen onder het volk.
3Kaj dum li estis en Betania, en la domo de Simon, la leprulo, kiam li sidis ĉe manĝo, venis virino, havanta alabastran vazon da pura narda ŝmiraĵo, tre multekosta; kaj rompinte la vazon, ŝi surverŝis lian kapon.
3Terwijl Hij nu te Betánië was in het huis van Simon den melaatse, en aanlag aan tafel, kwam er een vrouw, die een albasten kruik vol echte, kostbare nardus droeg; ze brak de kruik stuk, en goot de nardus uit over zijn hoofd.
4Kaj iuj indignis inter si, dirante: Por kio fariĝis ĉi tiu malŝparo de la ŝmiraĵo?
4Sommigen werden er verontwaardigd over, en zeiden: Waarom die verkwisting met de balsem?
5Ĉar ĉi tiun ŝmiraĵon oni povus vendi por pli ol tricent denaroj, kaj doni al malriĉuloj. Kaj ili murmuris kontraŭ ŝi.
5Want deze balsem had voor meer dan driehonderd tienlingen verkocht kunnen worden, en aan de armen worden gegeven. En ze waren boos op haar.
6Kaj Jesuo diris: Lasu ŝin; kial vi ĝenas ŝin? ŝi faris bonan faron al mi.
6Maar Jesus sprak: Laat haar met rust! Waarom valt gij haar lastig? Ze heeft een goed werk aan Mij gedaan.
7Ĉar la malriĉulojn vi ĉiam havas kun vi, kaj kiam ajn vi volas, vi povas bonfari al ili; sed min vi ne ĉiam havas.
7Want de armen hebt gij altijd bij u, en gij kunt hun goed doen, wanneer gij wilt; Mij niet.
8Kion ŝi povis, tion ŝi faris; ŝi antaŭfaris la ŝmiron de mia korpo por la entombigo.
8Zij heeft gedaan, wat ze kon; ze heeft reeds vooruit mijn lichaam gebalsemd voor de begrafenis.
9Vere mi diras al vi: Kie ajn estos predikata la evangelio en la tuta mondo, tio ankaŭ, kion ŝi faris, estos priparolata, por memoraĵo de ŝi.
9Voorwaar, Ik zeg u: Overal, in heel de wereld, waar dit evangelie wordt gepreekt, zal ook tot hare gedachtenis worden vermeld, wat ze gedaan heeft.
10Kaj Judas Iskariota, kiu estis unu el la dek du, foriris al la ĉefpastroj, por transdoni lin al ili.
10Toen ging Judas Iskáriot, een van de twaalf, naar de opperpriesters, om Hem aan hen over te leveren.
11Kaj aŭdinte, ili ĝojis, kaj promesis doni al li monon. Kaj li serĉis, kiamaniere oportune transdoni lin.
11Ze verheugden zich, toen ze dit hoorden, en beloofden hem, geld te geven. Hij zocht dus naar een gelegenheid, om Hem te verraden.
12Kaj en la unua tago de la macoj, kiam oni buĉis la Paskon, liaj disĉiploj diris al li: Kien vi volas, ke ni iru, kaj pretigu, por ke vi manĝu la Paskon?
12Op de eerste dag der ongedesemde broden, waarop men het Pascha offerde, zeiden zijn leerlingen tot Hem: Waar wilt Gij, dat we U de toebereidselen gaan maken, om het paasmaal te eten?
13Kaj li sendis du el siaj disĉiploj, kaj diris al ili: Iru en la urbon, kaj vin renkontos viro, portanta kruĉon da akvo;
13Hij zond dus twee van zijn leerlingen heen, en zei hun: Gaat naar de stad; daar zult gij een man tegenkomen, die een kruik water draagt; gaat hem achterna.
14lin sekvu, kaj kien li eniros, tie diru al la domomastro: La Majstro diras: Kie estas mia gastoĉambro, en kiu mi manĝos la Paskon kun miaj disĉiploj?
14en zegt, waar hij binnengaat, tot den heer des huizes: De Meester zegt: waar is de zaal, waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden?
15Kaj li mem montros al vi grandan supran ĉambron, prete aranĝitan; kaj tie vi pretigu por ni.
15En Hij zal u een grote opperzaal aanwijzen, goed gemeubeld en van alles voorzien; maakt daar alles voor ons gereed.
16Kaj foriris la disĉiploj kaj iris en la urbon, kaj trovis tiel, kiel li diris al ili; kaj ili pretigis la Paskon.
16De leerlingen gingen heen, kwamen in de stad, en vonden het, zoals Hij hun had gezegd; en ze maakten het paasmaal gereed.
17Kaj kiam vesperiĝis, li venis kun la dek du.
17Tegen de avond kwam Hij met het twaalftal.
18Kaj dum ili sidis kaj manĝis, Jesuo diris: Vere mi diras al vi, ke unu el vi perfidos min, unu, kiu manĝas kun mi.
18En terwijl ze aanlagen en aten, sprak Jesus: Voorwaar, Ik zeg u: één van u zal Mij verraden, een die met Mij eet.
19Kaj ili komencis malĝoji, kaj diri al li unu post la alia: Ĉu eble mi?
19Nu werden ze bedroefd, en vroegen Hem de een na den ander: Ben ik het?
20Sed li diris al ili: Unu el la dek du, kiu trempas kun mi en la pladon.
20Hij sprak tot hen: Eén uit de twaalf, die met Mij in de schotel doopt.
21La Filo de homo iros, kiel estas skribite pri li; sed ve al tiu viro, de kiu la Filo de homo estos perfidita! Se tiu homo ne estus naskita, estus bone por li.
21De Mensenzoon gaat wel heen, zoals van Hem geschreven staat; maar wee dien mens, door wien de Mensenzoon verraden wordt. Het zou beter voor hem zijn, zo hij niet was geboren, die mens.
22Kaj dum ili manĝis, li prenis panon, kaj, beninte, dispecigis ĝin kaj donis al ili, kaj diris: Prenu; ĉi tio estas mia korpo.
22Terwijl zij nu aten, nam Jesus brood, zegende het, brak het, gaf het hun, en zeide: Neemt, dit is mijn lichaam.
23Kaj li prenis kalikon, kaj, doninte dankon, li donis al ili; kaj ĉiuj trinkis el ĝi.
23Daarna nam Hij de kelk, sprak een dankgebed uit, en gaf hun de kelk; en zij dronken er allen uit.
24Kaj li diris al ili: Ĉi tio estas mia sango de la interligo, kiu estas elverŝata por multaj.
24En Hij zeide tot hen: Dit is mijn bloed van het Verbond, dat voor velen wordt vergoten.
25Vere mi diras al vi: Mi ne plu trinkos el la frukto de la vinberarbo, ĝis tiu tago, kiam mi trinkos ĝin novan en la regno de Dio.
25Voorwaar, Ik zeg u: Ik zal de vrucht van de wijnstok niet meer drinken tot op de dag, waarop Ik ze hernieuwd zal drinken in het koninkrijk Gods.
26Kaj kantinte himnon, ili foriris al la monto Olivarba.
26En nadat zij de lofzang hadden gezongen, gingen zij naar de Olijfberg.
27Kaj Jesuo diris al ili: Vi ĉiuj ofendiĝos; ĉar estas skribite: Mi frapos la paŝtiston, kaj la ŝafoj diskuros.
27Toen sprak Jesus tot hen: Deze nacht zult gij allen aan Mij worden geërgerd. Want er staat geschreven: “Ik zal den herder slaan. en de schapen zullen worden verstrooid.”
28Tamen post mia releviĝo, mi iros antaŭ vi en Galileon.
28Maar wanneer Ik verrezen zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
29Sed Petro diris al li: Eĉ se ĉiuj ofendiĝos, tamen ne mi.
29Petrus zei Hem: Al werden ook allen aan U geërgerd, ik niet.
30Kaj Jesuo diris al li: Vere mi diras al vi, ke hodiaŭ en ĉi tiu nokto, antaŭ ol dufoje krios koko, vi trifoje malkonfesos min.
30Jesus sprak tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: Heden nog in deze nacht, eer de haan twee maal gekraaid heeft, zult ge Mij driemaal verloochenen.
31Sed tre insiste li diris: Eĉ se mi devos morti kun vi, mi neniel vin malkonfesos. Kaj tiel same diris ili ĉiuj.
31Maar nog krachtiger zeide hij: Al moest ik zelfs met U sterven, verloochenen zal ik U niet. Zo spraken ook allen.
32Kaj ili venis al loko, kies nomo estas Getsemane; kaj li diris al siaj disĉiploj: Sidu ĉi tie, dum mi preĝos.
32Toen kwamen zij aan een landgoed, Getsémani genaamd. Nu zei Hij tot zijn leerlingen: Zet u hier neer, terwijl Ik ga bidden.
33Kaj li prenis kun si Petron kaj Jakobon kaj Johanon, kaj komencis tre konsterniĝi kaj maltrankviliĝi.
33Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee, en begon ontroerd en angstig te worden.
34Kaj li diris al ili: Tre malĝoja estas mia animo, eĉ ĝis morto; restu ĉi tie, kaj viglu.
34En Hij sprak tot hen: Mijn ziel is dodelijk bedroefd: blijft hier en waakt.
35Kaj irinte iom antaŭen, li falis sur la teron, kaj preĝis, ke, se povas esti, la horo pasu for de li.
35Hij ging nog een weinig verder, viel neer ter aarde, en bad, dat dit uur, zo het mogelijk was, Hem mocht voorbijgaan.
36Kaj li diris: Aba, Patro, ĉio estas ebla ĉe Vi: forportu de mi ĉi tiun kalikon; tamen estu ne tio, kion mi volas, sed kion Vi volas.
36Hij sprak: Abba, Vader; alles is mogelijk bij U; neem deze kelk van Mij weg. Maar niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt.
37Kaj li venis, kaj trovis ilin dormantaj, kaj diris al Petro: Simon, ĉu vi dormas? ĉu vi ne havis forton vigli eĉ unu horon?
37Nu ging Hij terug, en vond hen in slaap. Hij sprak tot Petrus: Simon, slaapt ge? Kunt ge dan niet één uur waken?
38Viglu kaj preĝu, por ke vi ne eniru en tenton; la spirito ja estas fervora, sed la karno estas malforta.
38Waakt en bidt, opdat gij niet in bekoring komt. De geest is gewillig, maar het vlees is zwak.
39Kaj denove foririnte, li preĝis, dirante la samajn vortojn.
39En weer ging Hij heen, en bad met dezelfde woorden.
40Kaj denove reveninte, li trovis ilin dormantaj, ĉar iliaj okuloj peziĝis; kaj ili ne sciis, kion respondi al li.
40Hij keerde terug, en vond hen opnieuw in slaap; want hun ogen vielen toe. Ze wisten niet, wat ze Hem zouden antwoorden.
41Kaj li venis la trian fojon, kaj diris al ili: Dormu nun kaj ripozu; sufiĉas; venis la horo; jen la Filo de homo estas perfidata en la manojn de pekuloj.
41Toen kwam Hij voor de derde maal, en sprak tot hen: Slaapt nu voort, en rust uit. Het is beslist. Het uur is gekomen: ziet, de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen der zondaars.
42Leviĝu, ni iru; jen mia perfidanto alproksimiĝas.
42Staat op, laat ons gaan; ziet, die Mij verraadt is nabij.
43Kaj tuj, dum li ankoraŭ parolis, venis Judas, unu el la dek du; kaj kun li homamaso kun glavoj kaj bastonoj venis de la ĉefpastroj kaj la skribistoj kaj la pliaĝuloj.
43En terwijl Hij nog sprak, kwam Judas, een van de twaalf, vergezeld van een bende met zwaarden en stokken, uitgezonden door de opperpriesters, schriftgeleerden en oudsten.
44Kaj lia perfidanto jam antaŭe aranĝis kun ili signon, dirante: Kiun mi kisos, tiu estas li; kaptu kaj forkonduku lin garde.
44De verrader had hun een teken gegeven, en gezegd: Dien Ik zal kussen. Hij is het; grijpt Hem vast, en leidt Hem weg onder strenge bewaking.
45Kaj veninte, li tuj iris al li, kaj diris: Rabeno; kaj kisis lin.
45Hij kwam dus, liep terstond op Hem toe, en zeide: Rabbi. En hij kuste Hem.
46Kaj ili metis la manojn sur lin kaj arestis lin.
46Toen sloegen ze de hand aan Hem, en grepen Hem vast.
47Sed unu el tiuj, kiuj staris apude, eltiris la glavon kaj frapis la sklavon de la ĉefpastro, kaj detranĉis al li la orelon.
47Maar een der aanwezigen trok het zwaard, trof den knecht van den hogepriester, en sloeg hem het oor af.
48Kaj Jesuo responde diris al ili: Ĉu vi elvenis, kvazaŭ kontraŭ rabiston, kun glavoj kaj bastonoj, por kapti min?
48Nu nam Jesus het woord, en sprak tot hen: Gij zijt uitgetrokken als tegen een rover, met zwaarden en stokken, om Mij gevangen te nemen.
49Ĉiutage mi estis inter vi en la templo, instruante, kaj vi ne arestis min; tamen, ke plenumiĝu la Skriboj.
49Dag aan dag leerde Ik bij u in de tempel, en gij hebt Mij niet gegrepen. Maar zo moeten de Schriften worden vervuld.
50Kaj ĉiuj forlasis lin kaj forkuris.
50Toen verlieten Hem allen, en namen de vlucht.
51Kaj sekvis lin unu junulo, vestita per tolaĵo ĉirkaŭ la nuda korpo; kaj oni kaptis lin;
51Maar een jonge man, met slechts een nachtkleed om het lijf, ging Hem achterna. Ze grepen hem vast;
52sed lasinte la tolaĵon, li forkuris nuda.
52maar hij liet het nachtkleed in de steek, en vluchtte weg, ongekleed.
53Kaj oni forkondukis Jesuon al la ĉefpastro; kaj kunvenis ĉe li ĉiuj ĉefpastroj kaj pliaĝuloj kaj skribistoj.
53Ze brachten Jesus bij den hogepriester; en alle opperpriesters, oudsten en schriftgeleerden kwamen bijeen.
54Kaj Petro malproksime sekvis lin ĝis interne de la korto de la ĉefpastro; kaj sidis kun la subuloj kaj sin varmigis apud la fajro.
54Petrus volgde Hem van verre tot in de voorhof van den hogepriester; hij zette zich bij de dienstknechten neer, om zich bij het vuur te warmen.
55Sed la ĉefpastroj kaj la tuta sinedrio serĉis ateston kontraŭ Jesuo, por lin mortigi, kaj ne trovis.
55De opperpriesters en heel de Hoge Raad zochten nu naar een aanklacht tegen Jesus, om Hem ter dood te brengen. Maar ze vonden niets.
56Ĉar multaj malvere atestis kontraŭ li, kaj iliaj atestoj ne akordiĝis.
56Wel brachten velen valse beschuldigingen tegen Hem in, maar de getuigenissen stemden niet overeen.
57Kaj elpaŝis iuj, kaj malvere atestis kontraŭ li, dirante:
57Toen traden er enigen naar voren, die vals tegen Hem getuigden, en zeiden:
58Ni aŭdis lin diri: Mi detruos ĉi tiun sanktejon manfaritan, kaj en la daŭro de tri tagoj mi konstruos alian ne manfaritan.
58We hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze tempel afbreken, die door mensenhanden is gemaakt, en in drie dagen een andere bouwen, die niet door mensenhanden gemaakt is.
59Kaj eĉ tiel ilia atesto ne akordiĝis.
59Maar ook hier stemde hun getuigenis niet overeen.
60Kaj la ĉefpastro stariĝis en la mezo, kaj demandis Jesuon, dirante: Ĉu vi respondas nenion? kion atestas ĉi tiuj kontraŭ vi?
60Toen stond de hogepriester op in de kring, en ondervroeg Jesus, aldus: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?
61Sed li silentadis kaj respondis nenion. Denove la ĉefpastro demandis lin, kaj diris al li: Ĉu vi estas la Kristo, la Filo de la Benato?
61Maar Hij zweeg, en antwoordde niets. Opnieuw vroeg Hem de hogepriester, en zei Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon van den Gezegende?
62Kaj Jesuo diris: Mi estas; kaj vi vidos la Filon de homo, sidantan dekstre de la Potenco kaj venantan kun la nuboj de la ĉielo.
62Jesus sprak: Ik ben het! Gij zult den Mensenzoon gezeten zien aan de rechterhand der Majesteit, en Hem zien komen op de wolken des hemels.
63Kaj la ĉefpastro disŝiris siajn vestojn, kaj diris: Pro kio ni plu bezonas atestantojn?
63Toen scheurde de hogepriester zijn klederen, en zeide: Wat hebben we nog getuigen nodig?
64Vi aŭdis la blasfemon: kion vi opinias? Kaj ili ĉiuj juĝis lin kondamninda al morto.
64Gij hebt de godslastering gehoord. Wat dunkt u? En allen spraken het vonnis uit, dat Hij des doods schuldig was.
65Kaj iuj komencis kraĉi sur lin, kaj ĉirkaŭkovri lian vizaĝon, kaj vangofrapi lin, kaj diri al li: Profetu; kaj la subuloj frapis lin per la manplatoj.
65Toen begonnen sommigen Hem te bespuwen, zijn gelaat te bedekken en Hem kaakslagen te geven, en dan tot Hem te zeggen: Profeteer! Ook de dienstknechten sloegen Hem in het gelaat.
66Kaj dum Petro estis malsupre sur la korto, venis unu el la servantinoj de la ĉefpastro;
66Terwijl Petrus zich dus beneden in de voorhof bevond, kwam daar een der dienstmeisjes van den hogepriester;
67kaj vidante Petron sin varmigantan, ŝi rigardis lin, kaj diris: Vi ankaŭ estis kun la Nazaretano, kun tiu Jesuo.
67en toen ze Petrus zich zag warmen, keek ze hem aan, en sprak: Ook gij waart bij Jesus van Názaret.
68Sed li malkonfesis, dirante: Mi ne scias, nek komprenas, kion vi diras; kaj li iris en la vestiblon; kaj koko kriis.
68Doch hij loochende het en sprak: Ik weet niet, ik begrijp niet, wat ge zegt. Hij ging weg naar de voorhal; en er kraaide een haan.
69Kaj lin vidinte, la servantino denove komencis diri al la apudstarantoj: Tiu estas el ili.
69Maar het dienstmeisje, dat hem had opgemerkt, begon nu weer tot de omstanders te zeggen: Hij is er een van.
70Kaj li denove malkonfesis. Kaj post iom da tempo la apudstarantoj denove diris al Petro: Vere vi estas el ili, ĉar vi estas ja Galileano.
70Maar hij loochende het opnieuw. Kort daarop zeiden ook de omstanders op hun beurt tot Petrus: Zeker, ook gij zijt er een van, want ge zijt een Galileër.
71Kaj li komencis malbeni kaj ĵuri: Mi ne konas tiun homon, pri kiu vi parolas.
71Nu begon hij te vloeken en te zweren: Ik ken den mens niet, van wien gij spreekt.
72Kaj tuj la duan fojon koko kriis. Kaj Petro ekrememoris la vorton, kiun Jesuo diris al li: Antaŭ ol dufoje krios koko, vi trifoje malkonfesos min. Kaj pripensinte, li ekploris.
72En aanstonds kraaide een haan voor de tweede maal. Toen dacht Petrus aan het woord, dat Jesus tot hem gesproken had: Eer de haan tweemaal gekraaid heeft, zult ge Mij driemaal verloochenen. En hij barstte in tranen los.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.