Вторая книга Царств

Old Testament

New Testament

Chapter 20

Вторая книга Царств

Synodal Translation (Син…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Вторая книга Царств 20

Synodal Translation (Синодальный перевод)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Там случайно находился один негодный человек, по имени Савей, сын Бихри, Вениамитянин; он затрубил трубою и сказал: нет нам части в Давиде, и нет нам доли в сыне Иессеевом; все по шатрам своим, Израильтяне!
1Nu bevond zich daar een Belialswicht, een zekere Sjéba, de zoon van Bikri, een Benjamiet. Hij stak de bazuin, en riep uit: Wij hebben niets te maken met David, Niets uit te staan met den zoon van Jesse: Iedereen naar zijn tenten, Israël!
2И отделились все Израильтяне от Давида и пошли за Савеем, сыном Бихри; Иудеи же остались на стороне царя своего, от Иордана до Иерусалима.
2Nu trokken alle Israëlieten van David weg en volgden Sjéba, den zoon van Bikri; maar de Judeërs bleven hun koning volgen van de Jordaan af tot Jerusalem.
3И пришел Давид в свой дом в Иерусалиме, и взял царь десять жен наложниц, которых он оставлял стеречь дом, и поместил их в особый дом под надзор, и содержал их, но не ходил к ним. И содержались они там до дня смерти своей, живя как вдовы.
3Toen David in zijn paleis te Jerusalem was teruggekeerd, liet de koning de tien bijvrouwen, die hij achtergelaten had, om het paleis te bewaken, in een huis van bewaring zetten; hij onderhield ze wel, maar had geen gemeenschap met haar, zodat ze tot haar dood als onbestorven weduwen bleven opgesloten.
4И сказал Давид Амессаю: созови ко мне Иудеев в течение трех дней и сам явись сюда.
4Daarop sprak de koning tot Amasa: Roep de Judeërs bijeen; binnen drie dagen moet ge weer hier zijn!
5И пошел Амессай созвать Иудеев, но промедлил более назначенного ему времени.
5Amasa vertrok dus, om Juda bijeen te roepen. Maar toen hij langer dan de vastgestelde tijd uitbleef,
6Тогда Давид сказал Авессе: теперь наделает нам зла Савей, сын Бихри, больше нежели Авессалом; возьми ты слуг господина твоего и преследуй его, чтобы он не нашел себе укрепленных городов и не скрылся от глаз наших.
6sprak David tot Abisjai: Nu zal Sjéba, de zoon van Bikri, ons nog gevaarlijker worden dan Absalom! Neem dus de eigen soldaten van uw heer en zet Sjéba achterna; anders verovert hij nog versterkte steden en ontsnapt hij ons.
7И вышли за ним люди Иоавовы, и Хелефеи и Фелефеи, и все храбрые пошли из Иерусалима преследовать Савея, сына Бихри.
7Zo trokken onder het bevel van Amasa zowel Joab als de Kretenzen en Peletiërs en de hele keurbende uit, en verlieten Jerusalem, om Sjéba, den zoon van Bikri, te achtervolgen.
8И когда они были близ большого камня, что у Гаваона, то встретился с ними Амессай. Иоав был одет в воинское одеяние свое и препоясан мечом, который висел при бедре в ножнах и который легко выходил из них и входил.
8Toen ze bij de grote steen in Gibon waren gekomen, kwam Amasa hun tegemoet. Nu had Joab onder zijn gewaad een dolk gegord. Maar boven zijn gordel had Joab over zijn heup een zwaard gebonden, dat in de schede stak; en terwijl Joab dit eruit liet glijden, zodat het op de grond viel,
9И сказал Иоав Амессаю: здоров ли ты, брат мой? И взял Иоав правою рукою Амессая за бороду, чтобы поцеловать его.
9sprak hij tot Amasa: Gaat het u goed, mijn broeder? En met de rechterhand greep hij Amasa bij de baard, om hem te omhelzen.
10Амессай же не остерегся меча, бывшего в руке Иоава, и тот поразил его им в живот, так что выпали внутренности его на землю, и не повторил ему удара, и он умер. Иоав и Авесса, брат его, погнались за Савеем, сыном Бихри.
10Daar Amasa niet bedacht was op de dolk, die Joab in de linkerhand hield, stak deze hem er zo mee in de buik, dat zijn ingewanden uitpuilden tot over de grond, en hij zonder een tweede stoot dood was. Daarop zetten Joab en zijn broer Abisjai de achtervolging voort van Sjéba, den zoon van Bikri.
11Один из отроков Иоавовых стоял над Амессаем и говорил: тот, кто предан Иоаву и кто за Давида, пусть идет за Иоавом!
11Een van Joabs soldaten ging bij Amasa staan, en riep: Al wie het houdt met Joab en David, volge Joab!
12Амессай же мертвый лежал в крови среди дороги; и тот человек, увидев, что весь народ останавливается над ним, стащил Амессая с дороги в поле и набросил на него одежду, так как он видел, что всякий проходящий останавливался над ним.
12Maar daar Amasa badend in zijn bloed midden op de weg lag, bleef iedereen, die voorbij kwam, staan kijken. Toen de soldaat dus bemerkte, dat al het volk bleef stilstaan, sleepte hij Amasa van de weg af, de berm op, en wierp een kleed over hem heen.
13Но когда он был стащен с дороги, то весь народ Израильский пошел вслед за Иоавом преследовать Савея, сына Бихри.
13Zodra hij nu van de weg was verwijderd, trokken alle manschappen verder achter Joab aan, om Sjéba, den zoon van Bikri, te achtervolgen.
14А он прошел чрез все колена Израильские до Авела-Беф-Мааха и чрез весь Берим; и все жители городов собирались и шли за ним.
14Deze had alle stammen van Israël doorkruist, maar men wilde niets van hem weten; zo kwam hij te Abel-Bet-Maäka, gevolgd door al de Bikrieten.
15И пришли и осадили его в Авеле-Беф-Маахе; и насыпали вал пред городом и подступили к стене, и все люди, бывшие с Иоавом, старались разрушить стену.
15Maar de mannen van Joab kwamen hem in Abel-Bet-Maäka belegeren, wierpen een wal om de stad, en ondermijnden de muur, om hem te laten instorten.
16Тогда одна умная женщина закричала со стены города: послушайте, послушайте, скажите Иоаву, чтоб он подошел сюда, и я поговорю с ним.
16Toen ging een wijze vrouw uit de stad op de verschansing staan, en riep: Luistert, luistert! Zegt tegen Joab, dat hij hierheen komt; ik moet met hem spreken!
17И подошел к ней Иоав, и сказала женщина: ты ли Иоав? И сказал: я. Она сказала: послушай слов рабы твоей. И сказал он: слушаю.
17Toen deze naderbij was gekomen, vroeg de vrouw: Zijt gij Joab? Hij antwoordde: Ja! Ze zeide tot hem: Luister dan naar uw dienstmaagd. Hij antwoordde: Ik luister.
18Она сказала: прежде говаривали: “кто хочет спросить, спроси в Авеле”; и так решали дело.
18Toen begon ze: Vroeger was men gewend te zeggen: Laat men in Abel en Dan gaan vragen, of er ooit afgeschaft wordt,
19Я из мирных, верных городов Израиля; а ты хочешь уничтожить город, и притом мать городов в Израиле; для чего тебе разрушать наследие Господне?
19wat de echte Israëlieten hebben vastgesteld. Wilt gij dus een stad vernietigen, die als een moederstad geldt in Israël? Waarom wilt ge het erfdeel van Jahweh vernielen?
20И отвечал Иоав и сказал: да не будет этого от меня, чтобы я уничтожил или разрушил!
20Joab antwoordde: Ik denk er niet aan, iets te vernietigen of te vernielen;
21Это не так; но человек с горы Ефремовой, по имени Савей, сын Бихри, поднял руку свою на царя Давида; выдайте мне его одного, и я отступлю от города. И сказала женщина Иоаву: вот, голова его будет тебе брошена со стены.
21dit is mijn bedoeling niet. Maar iemand uit het gebergte van Efraïm, Sjéba genaamd en zoon van Bikri, heeft zijn hand opgeheven tegen koning David. Hem alleen hebt ge uit te leveren; dan trek ik weg van de stad. Toen zeide de vrouw tot Joab: Wacht maar; zijn hoofd zal u over de muur worden toegeworpen.
22И пошла женщина по всему народу со своим умным словом и говорила ко всему городу, чтобы отсекли голову Савею, сыну Бихри; и отсекли голову Савею, сыну Бихри, и бросили Иоаву. Тогда Иоав затрубил трубою, и разошлись от города все люди по своим шатрам; Иоав же возвратился в Иерусалим к царю.
22De vrouw keerde terug naar de stad, en wist met al haar slimheid de bevolking te overreden; ze sloegen Sjéba het hoofd af, en wierpen het Joab toe. Toen liet deze de trompet steken; en allen trokken weg van de stad naar hun woonplaats, en Joab keerde naar den koning in Jerusalem terug.
23И был Иоав поставлен над всем войском Израильским, а Ванея, сын Иодаев, - над Хелефеями и над Фелефеями;
23Joab stond over heel de legermacht van Israël; Benaja, de zoon van Jehojada, over de Kretenzen en de Peletiërs;
24Адорам - над сбором податей; Иосафат, сын Ахилуда - дееписателем;
24Adoram over de herendiensten. Jehosjafat, de zoon van Achiloed was kanselier;
25Суса - писцом; Садок и Авиафар - священниками;
25Sjewa was schrijver, en Sadok en Ebjatar waren priesters.
26также и Ира Иаритянин был священником у Давида.
26Ook Ira, de Jaïriet, was priester voor David.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.