عزرا 8
Old Persian Version (ترجمه قدیم)Translation
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1و اینانند روسای آبای ایشان و این است نسب نامه آنانی که در سلطنت ارتحشستاپادشاه، با من از بابل برآمدند:
1Dit zijn de familiehoofden met hun stamlijst, die met mij uit Babel zijn weggetrokken onder de regering van koning Artaxerxes.
2از بنی فینحاس، جرشوم و از بنیایتامار، دانیال و از بنی داود، حطوش.
2Van de zonen van Pinechas: Gersjom; van de zonen van Itamar: Daniël; van de zonen van David: Chattoesj,
3و از بنی شکنیا از بنی فروش، زکریا و بااو صد و پنجاه نفر از ذکوران به نسب نامه شمرده شدند.
3de zoon van Sjekanja; van de zonen van Parosj: Zekarja en met hem honderd vijftig man, die in de stamlijst stonden ingeschreven.
4از بنی فحت، موآب الیهو عینای ابن زرحیا و با او دویست نفر از ذکور.
4Van de zonen van Pachat-Moab: Eljehoënai, de zoon van Zerachja met tweehonderd man;
5از بنی شکنیا، ابن یحزیئیل و با او سیصد نفر از ذکور.
5van de zonen van Sjekanja: de zoon van Jachaziël met driehonderd man;
6ازبنی عادین، عابد بن یوناتان و با او پنجاه نفر ازذکور.
6van de zonen van Adin: Ébed, de zoon van Jonatan met vijftig man.
7از بنی عیلام، اشعیا ابن عتلیا و با او هفتادنفر از ذکور.
7Van de zonen van Elam: Jesjaja, de zoon van Atalja met zeventig man;
8از بنی شفطیا، زبدیا ابن میکائیل و بااو هشتاد نفر از ذکور.
8van de zonen van Sjefatja: Zebadja, de zoon van Mikaël met tachtig man;
9از بنی یوآب، عوبدیا ابن یحئیل و با او دویست و هجده نفر از ذکور.
9van de zonen van Joab: Obadja, de zoon van Jechiël met tweehonderd achttien man;
10واز بنی شلومیت بن یوسفیا و با او صد وشصت نفراز ذکور.
10van de zonen van Sjelomit: de zoon van Josifja met honderd zestig man;
11و از بنی بابای، زکریا ابن بابای و با او بیست و هشت نفر از ذکور.
11van de zonen van Bebai: Zekarja, de zoon van Bebai met acht en twintig man;
12و از بنی عزجد، یوحانان بن هقاطان و با او صد و ده نفر از ذکور.
12van de zonen van Azgad: Jochanan, de zoon van Hakkatan met honderd en tien man.
13و موخران از بنی ادونیقام بودند و این است نامهای ایشان: الیفلط ویعیئیل و شمعیا و با ایشان شصت نفر از ذکور.
13Van de zonen van Adonikam: enige hoofden van mindere rang, Elifélet, Jeïël en Sjemaja genaamd, met zestig man.
14و از بنی بغوای، عوتای وزبود و با ایشان هفتاد نفر از ذکور.
14Van de zonen van Bigwai: Oetai en Zakkoer met zeventig man.
15پس ایشان را نزد نهری که به اهوا میرودجمع کردم و در آنجا سه روز اردو زدیم و چون قوم و کاهنان را بازدید کردم، از بنی لاوی کسی رادر آنجا نیافتم.
15Ik verzamelde hen bij de rivier, die naar Ahawa stroomt, en wij kampeerden daar drie dagen. Maar toen ik daar volk en priesters overzag, ontdekte ik niemand van de zonen van Levi.
16پس نزد الیعزر و اریئیل وشمعیا و الناتان و یاریب و الناتان و ناتان و زکریا ومشلام که روسا بودند و نزد یویاریب و الناتان که علما بودند، فرستادم.
16Daarom zond ik de hoofden Eliézer, Ariël, Sjemaja, Elnatan, Jarib, Elnatan, Natan, Zekarja, Mesjoellam en de schriftgeleerden Jojarib en Elnatan
17و پیغامی برای عدوی رئیس، در مکان کاسفیا بهدست ایشان فرستادم وسخنانی که باید به عدو و برادرانش نتینیم که درمکان کاسقیا بودند بگویند، به ایشان القا کردم تاخادمان به جهت خانه خدای ما نزد ما بیاورند.
17met een boodschap voor Iddo, het hoofd in de plaats Kasifja, en legde de woorden in hun mond, die ze spreken moesten tot Iddo, zijn broeders en de tempelknechten van Kasifja, om ons bedienaren voor het huis van onzen God te zenden.
18و از دست نیکوی خدای ما که با ما میبود، شخصی دانشمند از پسران محلی ابن لاوی ابن اسرائیل برای ما آوردند، یعنی شربیا را با پسران وبرادرانش که هجده نفر بودند.
18En daar de hand van onzen God vol goedheid op ons rustte, zonden zij ons verstandige mannen. Van de zonen van Machli, zoon van Levi, zoon van Israël: Sjerebja met zijn zonen en broeders, achttien man.
19و حشبیا را نیز وبا او از بنی مراری اشعیا را. و برادران او و پسران ایشان را که بیست نفر بودند.
19Van de zonen van Merari: Chasjabja en Jesjaja,
20و از نتینیم که داودو سروران، ایشان را برای خدمت لاویان تعیین نموده بودند. از نتینیم دویست و بیست نفر که جمیع به نام ثبت شده بودند.
20met hun broeders en zonen, twintig man. Van de tempelknechten, die David en de vorsten voor de dienst der levieten hadden geschonken: tweehonderd twintig tempelknechten, allen met name vermeld.
21پس من در آنجانزد نهر اهوا به روزه داشتن اعلان نمودم تاخویشتن را در حضور خدای خود متواضع نموده، راهی راست برای خود و عیال خویش وهمه اموال خود از او بطلبیم.
21Nu kondigde ik daar, bij de rivier Ahawa, een vasten af, om ons voor onzen God te vernederen, en een gelukkige reis van Hem af te smeken voor ons, onze kinderen en voor onze have.
22زیرا خجالت داشتم که سپاهیان و سواران از پادشاه بخواهیم تاما را از دشمنان در راه اعانت کنند، چونکه به پادشاه عرض کرده، گفته بودیم که دست خدای ما بر هرکه او را میطلبد، به نیکویی میباشد، اماقدرت و غضب او به ضد آنانی که او را ترک میکنند.
22Want ik schaamde mij, den koning soldaten en ruiters te vragen, om ons onderweg tegen den vijand te beschermen. Want wij hadden aan den koning gezegd: De hand van onzen God rust vol goedheid op allen, die Hem zoeken, maar zijn macht en toorn zijn tegen allen gericht, die Hem verlaten.
23پس روزه گرفته، خدای خود را برای این طلب نمودیم و ما را مستجاب فرمود.
23Daarom vastten wij en riepen onzen God aan; en Hij heeft ons verhoord.
24ودوازده نفر از روسای کهنه، یعنی شربیا و حشبیا وده نفر از برادران ایشان را با ایشان جدا کردم.
24Daarna koos ik twaalf priesterhoofden uit: Sjerebja en Chasjabja met tien van hun broeders.
25ونقره و طلا و ظروف هدیه خدای ما را که پادشاه ومشیران و سرورانش و تمامی اسرائیلیانی که حضور داشتند داده بودند، به ایشان وزن نمودم.
25Ik woog hun het zilver, het goud en het vaatwerk af, dat de koning, zijn raadsheren en magnaten, en heel Israël, dat zich daar nog bevond, geschonken hadden als offergave voor het huis van onzen God.
26پس ششصد و پنجاه وزنه نقره و صد وزنه ظروف نقره و صد وزنه طلا بهدست ایشان وزن نمودم.
26Na het afgewogen te hebben, stelde ik hun zeshonderd vijftig talenten aan zilver ter hand, voor honderd talenten zilveren vaten, honderd talenten aan goud,
27و بیست طاس طلا هزار درهم و دوظرف برنج صیقلی خالص که مثل طلا گرانبها بود.
27twintig gouden bekers ter waarde van duizend darieken, en twee prachtige vaten van geglansd koper, zo kostbaar als goud.
28و به ایشان گفتم: «شما برای خداوند مقدس میباشید و ظروف نیز مقدس است و نقره و طلا به جهت یهوه خدای پدران شما هدیه تبرعی است.
28En ik sprak tot hen: Gij zijt Jahweh toegewijd; maar ook de vaten zijn heilig, en het zilver en goud is een vrijwillige gave aan Jahweh, den God uwer vaderen.
29پس بیدار باشید و اینها را حفظ نمایید تا به حضور روسای کهنه و لاویان و سروران آبای اسرائیل در اورشلیم، به حجره های خانه خداوندبه وزن بسپارید.»
29Bewaart ze dus zorgvuldig, totdat gij ze kunt afwegen en overdragen aan de hoofden der priesters en levieten, en aan de familiehoo fden van Israël te Jerusalem in de vertrekken van de tempel van Jahweh.
30آنگاه کاهنان و لاویان وزن طلا و نقره وظروف را گرفتند تا آنها را به خانه خدای ما به اورشلیم برسانند.
30Toen namen de priesters en levieten het afgewogen zilver en goud en de vaten in ontvangst, om ze naar Jerusalem te brengen, naar de tempel van onzen God.
31پس در روز دوازدهم ماه اول از نهر اهوا کوچ کرده، متوجه اورشلیم شدیم و دست خدای ما با ما بود و ما را از دست دشمنان و کمین نشینندگان سر راه خلاصی داد.
31Op de twaalfde dag van de eerste maand vertrokken wij van de rivier Ahawa, om naar Jerusalem te gaan. De hand van onzen God bleef op ons rusten, en behoedde ons onderweg voor vijand en rover.
32و چون به اورشلیم رسیدیم سه روز درآنجاتوقف نمودیم.
32Zo kwamen wij te Jerusalem aan. En nadat wij er drie dagen rust hadden genomen,
33و در روز چهارم، نقره و طلا و ظروف را در خانه خدای ما بهدست مریموت بن اوریای کاهن وزن کردند و العازار بن فینحاس با اوبود و یوزاباد بن یشوع و نوعدیا ابن بنوی لاویان باایشان بودند.
33werden op de vierde dag in het huis van onzen God het zilver, goud en het vaatwerk gewogen, en den priester Meremot, den zoon van Oeri-ja ter hand gesteld, in tegenwoordigheid van Elazar, den zoon van Pinechas, en van de levieten Jozabad, den zoon van Jesjóea, en Noadja, den zoon van Binnoej.
34همه را به شماره و به وزن (حساب کردند) و وزن همه در آن وقت نوشته شد.
34Alles werd geteld en gewogen, en het hele gewicht werd opgetekend.
35و اسیرانی که از اسیری برگشته بودند، قربانی های سوختنی برای خدای اسرائیل گذرانیدند، یعنی دوازده گاو و نود و شش قوچ وهفتاد و هفت بره و دوازده بز نر، به جهت قربانی گناه، برای تمامی اسرائیل که همه اینها قربانی سوختنی برای خداوند بود.
35Terzelfdertijd droegen de ballingen, die uit de gevangenschap waren teruggekeerd, twaalf stieren voor heel Israël als een brandoffer op aan Israëls God; daarenboven zes en negentig rammen, zeven en zeventig lammeren, twaalf bokken voor een zondeoffer: alles als een brandoffer voor Jahweh.
36و چون فرمانهای پادشاه را به امرای پادشاه و والیان ماورای نهردادند، ایشان قوم و خانه خدا را اعانت نمودند.
36Ook overhandigden zij de bevelschriften van den koning aan de koninklijke satrapen en de landvoogden van de overzijde der Rivier, en dezen verleenden hun steun aan het volk, en aan de tempel van God.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.