اول سموئیل 21
Old Persian Version (ترجمه قدیم)Translation
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1و داود به نوب نزد اخیملک کاهن رفت، و اخیملک لرزان شده، به استقبال داودآمده، گفت: «چرا تنها آمدی و کسی با تونیست؟»
1Toen stond David op en vertrok, terwijl Jonatan naar de stad terugkeerde. David ging nu naar Nob, naar den priester Achimélek. Ontsteld liep Achimélek David tegemoet, en vroeg hem: Waarom zijt ge alleen, en is er niemand bij u?
2داود به اخیملک کاهن گفت: «پادشاه مرا بهکاری مامور فرمود و مرا گفت: از این کاری که تو را میفرستم و از آنچه به تو امر فرمودم کسی اطلاع نیابد، و خادمان را به فلان و فلان جا تعیین نمودم.
2David gaf den priester Achimélek ten antwoord: De koning heeft mij iets opgedragen en tot mij gezegd: “Niemand mag ook maar iets weten van de zaak, waarvoor ik u uitzend, en die ik u heb opgedragen”. Daarom heb ik mijn knechten naar die en die plaats besteld.
3پس الان چه در دست داری، پنج قرص نان یا هرچه حاضر است به من بده.»
3Nu iets anders; wat hebt gij in voorraad? Geef mij vijf broden mee, of wat ge bij de hand hebt.
4کاهن در جواب داود گفت: «هیچ نان عام دردست من نیست، لیکن نان مقدس هست اگرخصوص خادمان، خویشتن را از زنان بازداشته باشند.»
4De priester antwoordde David: Gewoon brood heb ik niet in voorraad; wel is er heilig brood. Maar hebben de knechten zich wel van vrouwen onthouden?
5داود در جواب کاهن گفت: «به درستی که در این سه روز زنان از ما دور بودهاند و چون بیرون آمدم ظروف جوانان مقدس بود، و آن بطوری عام است خصوص چونکه امروز دیگری در ظرف مقدس شده است.»
5David verzekerde den priester: Ja; vrouwen zijn ons ontzegd. Want steeds als ik uittrek, zijn de knechten op dat punt rein; en dan is dat nog maar een gewone tocht. Hoeveel te meer zullen ze dan nu op dat punt rein zijn.
6پس کاهن، نان مقدس را به او داد زیرا که در آنجا نانی نبود غیر ازنان تقدمه که از حضور خداوند برداشته شده بود، تا در روز برداشتنش نان گرم بگذارند.
6Toen gaf de priester hem heilig brood; want er was geen ander brood, dan de toonbroden, die uit Jahweh’s tegenwoordigheid worden weggenomen, om ze dan telkens door vers brood te vervangen.
7و در آن روز یکی از خادمان شاول که مسمی به دوآغ ادومی بود، به حضور خداوند اعتکاف داشت، و بزرگترین شبانان شاول بود.
7Nu was daar die dag één van Sauls dienaren, die voor het aanschijn van Jahweh moest blijven. Het was Doëg, de Edomiet, het hoofd van de wachters van Saul.
8و داود به اخیملک گفت: «آیا اینجا دردستت نیزه یا شمشیر نیست زیرا که شمشیر وسلاح خویش را با خود نیاوردهام چونکه کارپادشاه به تعجیل بود.»
8Daarna vroeg David aan Achimélek: Is hier niet een lans of een zwaard bij de hand; want er was zoveel haast bij de opdracht des konings, dat ik zwaard noch wapenen heb kunnen meenemen.
9کاهن گفت: «اینک شمشیر جلیات فلسطینی که در دره ایلاه کشتی، در پشت ایفود بهجامه ملفوف است. اگرمی خواهی آن را بگیری بگیر، زیرا غیر از آن دراینجا نیست.» داود گفت: «مثل آن، دیگری نیست. آن را به من بده.»
9De priester antwoordde: Ja, het zwaard van Goliat, den Filistijn, dien ge in het Terebintendal verslagen hebt. Daar staat het, in een doek gewikkeld achter de efod. Als ge dat wilt, neem het dan mee; want hier is geen ander. En David sprak: Er is geen beter; geef het me mee. En hij gaf het hem.
10پس داود آن روز برخاسته، از حضورشاول فرار کرده، نزد اخیش، ملک جت آمد.
10Nog diezelfde dag maakte David zich uit de voeten; en op zijn vlucht voor Saul kwam hij bij Akisj, den koning van Gat.
11و خادمان اخیش او را گفتند: «آیا این داود، پادشاه زمین نیست؟ و آیا در باره او رقصکنان سرودخوانده، نگفتند که شاول هزاران خود را و داود ده هزاران خود را کشت؟»
11Nu zeiden de dienaren van Akisj: Dat is toch David, de koning van het land! Op hem hebben ze toch in reidans gezongen: Saul sloeg ze bij duizenden neer, Maar David bij tienduizenden!
12و داود این سخنان رادر دل خود جا داده، از اخیش، ملک جت بسیاربترسید.
12Die woorden knoopte David in het oor, en in zijn grote angst voor Akisj, den koning van Gat,
13و در نظر ایشان رفتار خود راتغییرداده، به حضور ایشان خویشتن را دیوانه نمود، وبر لنگه های در خط میکشید و آب دهنش را برریش خود میریخت.
13stelde hij zich openlijk als een waanzinnige aan, en deed hij als een dolleman, toen ze hem grepen. Hij trommelde op de poortdeuren en kwijlde in zijn baard,
14و اخیش به خادمان خود گفت: «اینک این شخص را میبینید که دیوانه است، او را چرا نزد من آوردید؟
14zodat Akisj zijn dienaren verweet: Ziet ge niet, dat het een dolleman is? Waarom brengt ge hem bij me?
15آیامحتاج به دیوانگان هستم که این شخص راآوردید تا نزد من دیوانگی کند؟ و آیا این شخص داخل خانه من بشود؟»
15Heb ik dan geen gekken genoeg, dat ge mij met dezen dolleman opscheept? Moet die soms in mijn huis komen?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.