Titus 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Druk hun op het hart, dat ze aan machthebbers en overheden onderdanig moeten zijn, gehoorzaam en bereid tot ieder goed werk;
1KATAMAN kin irail ren peiki on monjap o me manaman akan, o ren apwali wiawia mau karoj.
2dat ze niemand moeten lasteren, niet strijdlustig, maar inschikkelijk zijn, en zich heel zachtmoedig moeten tonen voor alle mensen.
2Der lalaue amen, der akamai, a en kamantik, o opampap on aramaj akan karoj.
3Want ook wij zijn vroeger onverstandig geweest, ongehoorzaam, verdwaald, slaaf van allerlei begeerten en lusten, voortlevend in boosheid en afgunst, zelf hatelijk en elkander hatend.
3Pwe kitail pil pweipwei maj o, o jopeik, o jalonala, o papa jon en inon o madon jued akan, kokoa me jued, o peirin, pakailok, o kailonki amen amen.
4Maar toen de goedertierenheid en mensenliefde van God onzen Zaligmaker zich had geopenbaard,
4A kalanan o limpok en Kot atail Jaundor lao pwarado,
5toen heeft Hij ons verlost, niet op grond van gerechte werken, die we hadden gedaan, doch op grond van zijn eigen barmhartigheid, door het bad van wedergeboorte en door de vernieuwing van den heiligen Geest.
5A kotin dore kitail la kaidin pweki pein atail wiawia pun, a pein a kupur ki paptaij en kaipwi kap o kawilia kap ren Nen jaraui.
6Overvloedig heeft Hij dien over ons uitgestort door Jesus Christus onzen Verlosser,
6Me a kotin kupura don kitail kaualap ren Iejuj Krijtuj atail Jaundor.
7opdat wij, door zijn genáde gerechtvaardigd, door de hóóp erfgenamen zouden worden van het eeuwige leven.
7Pwe kitail en pun kila a mak, pwen jojoki maur joutuk duen at kaporopor.
8Dit woord is waarachtig; en ik verlang, dat ge krachtig optreedt voor dit alles; opdat zij, die in God geloven, zich met zorg toeleggen op goede werken. Dit alles is schoon en nuttig voor de mensen.
8Melel padak pot et o i men, koe en nantion kaweweda, pwe irail, me pojonla Kot, en kadoke kin ir wiawia mau, mepukat me mau o kon on aramaj akan.
9Ge moet u niet ophouden met dwaze navorsingen en geslachtslijsten, noch met twist- en strijdvragen over de Wet; want dit is nutteloos en ijdel.
9A liki jan peidok mal akan, o padok en tiak kan, o akamai, o akamai ki kapun, pwe mepukat jota kadepa o me mal.
10Een ketters mens moet ge na een eerste en tweede vermaning vermijden;
10Aramaj likin panau amen, panaui pan mepak de ria pak ap muei jan i.
11want ge weet, dat zo iemand door en door bedorven is, dat hij zondigt, en zijn eigen oordeel in zich draagt.
11Pwe koe aja, me i me japun o kin wia dip, a kadeikada pein i.
12Wanneer ik Artemas en Túchicus tot u zend, kom dan spoedig bij me te Nikópolis; want ik heb besloten, daar de winter door te brengen.
12I lao kadar won uk Artemaj de Tikikuj, koe madan don ia, Nikopolij, pwe i kileledier me i pan kaujon waja o ni anjaun kapau.
13Zorg goed voor de reis van Zenas, den wetgeleerde, en Apollo, zodat het hun aan niets ontbreekt.
13Jaunkawewe Jenaj o Apoloj kadara don ia madan. Jauaja ira, pwe ira de anane meakot.
14Ook de ònzen moeten leren, zich toe te leggen op goede werken, om in noodzakelijke behoeften te voorzien; anders blijven ze zonder vrucht.
14O naitail akan en porijok o koiokki on wiawia mau, pwe ren der jo wa ’rail.
15Allen, die bij me zijn, groeten u. Groet hen, die ons liefhebben in het geloof. De genade zij met u allen!
15Karoj, me mi re i, kin ranamau won uk. Ranamau won karoj, me kin pok on kit ni pojon. Mak o en mi re omail karoj!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.