Apokalyps 18
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Berean Standard Bible
1Daarna zag ik een anderen engel uit de hemel nederdalen, toegerust met grote macht, en de aarde werd verlicht door zijn luister.
1After this I saw another angel descending from heaven with great authority, and the earth was illuminated by his glory.
2Hij riep met machtige stem, en hij sprak: Gevallen, gevallen het grote Bábylon! Het is een woonplaats van duivels geworden, Een schuiloord van allerlei onreine geesten, Een toevlucht van allerlei onreine, afschuwelijke vogels.
2And he cried out in a mighty voice: “Fallen, fallen is Babylon the great! She has become a lair for demons and a haunt for every unclean spirit, every unclean bird, and every detestable beast.
3Want alle volken hebben de driftwijn harer ontucht gedronken, De koningen der aarde hebben met haar geboeleerd; De kooplieden der aarde hebben zich verrijkt Door haar ontzaglijke weelde.
3All the nations have drunk the wine of the passion of her immorality. The kings of the earth were immoral with her, and the merchants of the earth have grown wealthy from the extravagance of her luxury.”
4Toen hoorde ik een andere stem uit de hemel, die sprak: Gaat uit van haar, o mijn volk! Om geen deel te nemen aan haar zonden, En geen deel te krijgen van haar plagen.
4Then I heard another voice from heaven say: “Come out of her, My people, so that you will not share in her sins or contract any of her plagues.
5Want tot de hemel zijn opgestapeld haar zonden, En God gedenkt haar ongerechtigheid.
5For her sins are piled up to heaven, and God has remembered her iniquities.
6Zet haar betaald, zoals zij betaald heeft, Geeft haar het dubbele terug van haar werken. In de beker, waarin zij gemengd heeft, Mengt haar het dubbele terug.
6Give back to her as she has done to others; pay her back double for what she has done; mix her a double portion in her own cup.
7In zoveel glorie en weelde zij baadde, Geeft haar evenveel kwelling en rouw. Omdat ze zegt in haar hart: “Ik troon als koningin, Ben geen weduwe, en ken geen rouw;”
7As much as she has glorified herself and lived in luxury, give her the same measure of torment and grief. In her heart she says, ‘I sit as queen; I am not a widow and will never see grief.’
8Daarom zullen op één dag haar plagen komen: Dood en rouw en hongersnood, En met vuur zal ze worden verbrand; Want God de Heer, die haar oordeelt, is machtig!
8Therefore her plagues will come in one day— death and grief and famine— and she will be consumed by fire, for mighty is the Lord God who judges her.”
9En de koningen der aarde, die met haar ontucht hebben bedreven en in weelde gebaad, ze zullen wenen en klagen over haar, als ze de rook aanschouwen van haar brand.
9Then the kings of the earth who committed sexual immorality and lived in luxury with her will weep and wail at the sight of the smoke rising from the fire that consumes her.
10Van verre zullen ze blijven staan uit vrees voor haar plagen, en roepen: Wee, Wee, de grote stad, Bábylon, de machtige stad; In één uur is uw oordeel gekomen!
10In fear of her torment, they will stand at a distance and cry out: “Woe, woe to the great city, the mighty city of Babylon! For in a single hour your judgment has come.”
11Ook de kooplieden der aarde zullen wenen en klagen over haar, omdat niemand hun lading meer koopt:
11And the merchants of the earth will weep and mourn over her, because there is no one left to buy their cargo—
12Lading van goud en van zilver, van edelstenen en paarlen, Van fijn linnen en purper, van zijde en scharlaken, Allerlei reukhout en allerlei werk van ivoor, Van het kostbaarste hout, van koper, ijzer en marmer.
12cargo of gold, silver, precious stones, and pearls; of fine linen, purple, silk, and scarlet; of all kinds of citron wood and every article of ivory, precious wood, bronze, iron, and marble;
13Kaneel en geurige zalf, reukwerk, balsem en wierook, Wijn, olie, meelbloem en tarwe; Runderen en schapen, paarden en wagens, Mensen-lichamen en mensen-zielen.
13of cinnamon, spice, incense, myrrh, and frankincense; of wine, olive oil, fine flour, and wheat; of cattle, sheep, horses, and chariots; of slaves and souls of men.
14Het ooft, waar uw ziel naar smacht, ging van u heen, Met alles, wat schittert en blinkt; Het is voor u verloren gegaan, En nimmermeer zal men het vinden.
14And they will say: “The fruit of your soul’s desire has departed from you; all your luxury and splendor have vanished, never to be seen again.”
15De handelaars in al deze dingen, die door haar zijn rijk geworden, zullen van verre blijven staan uit vrees voor haar plagen, en zullen roepen, wenend en klagend:
15The merchants who sold these things and grew their wealth from her will stand at a distance, in fear of her torment. They will weep and mourn,
16Wee, Wee, de grote stad, Die gekleed was in linnen, purper, scharlaken, Gesmukt met goud, edelstenen en paarlen:
16saying: “Woe, woe to the great city, clothed in fine linen and purple and scarlet, adorned with gold and precious stones and pearls!
17In één uur is al die rijkdom verwoest! En alle stuurlieden, kustvaarders, scheepsvolk, en al wie zee bouwt, ook zij zullen van verre blijven staan,
17For in a single hour such fabulous wealth has been destroyed!” Every shipmaster, passenger, and sailor, and all who make their living from the sea, will stand at a distance
18en roepen bij het zien van de rook van haar brand: “Welke stad is gelijk aan die Grote?”
18and cry out at the sight of the smoke rising from the fire that consumes her. “What city was ever like this great city?” they will exclaim.
19En ze zullen stof op hun hoofden strooien, en roepen wenend en klagend: Wee, Wee, de grote stad, Waarin allen, die schepen bezitten op zee, Rijk zijn geworden door haar weelde: Want in één uur werd ze verwoest!
19Then they will throw dust on their heads as they weep and mourn and cry out: “Woe, woe to the great city, where all who had ships on the sea were enriched by her wealth! For in a single hour she has been destroyed.”
20Maar gij, hemel, verheug u om haar, gij heiligen, apostelen, profeten; want God heeft aan haar uw vonnis voltrokken!
20Rejoice over her, O heaven, O saints and apostles and prophets, because God has pronounced for you His judgment against her.
21Toen hief een machtige engel een steen op, groot als een molensteen; hij wierp hem in zee, en hij sprak: Zó zal met één slag Bábylon worden neergeworpen, De grote stad; Men zal haar nimmermeer vinden!
21Then a mighty angel picked up a stone the size of a great millstone and cast it into the sea, saying: “With such violence the great city of Babylon will be cast down, never to be seen again.
22Geen muziek van citerspelers en muzikanten, Van fluitspelers en trompetters zal in u worden gehoord, Geen beoefenaar van enige kunst In u nog worden gevonden, Het geluid van een molen zal nooit meer worden gehoord,
22And the sound of harpists and musicians, of flute players and trumpeters, will never ring out in you again. Nor will any craftsmen of any trade be found in you again, nor the sound of a millstone be heard in you again.
23Het licht ener lamp nooit meer in u schijnen, De stem van bruidegom en bruid Nooit meer in u worden vernomen. Want uw kooplieden waren de groten der aarde, En door uw toverdrank werden alle volkeren verleid;
23The light of a lamp will never shine in you again, and the voices of a bride and bridegroom will never call out in you again. For your merchants were the great ones of the earth, because all the nations were deceived by your sorcery.”
24In haar werd het bloed van profeten en heiligen gevonden, Van allen, die vermoord zijn op aarde.
24And there was found in her the blood of prophets and saints, and of all who had been slain on the earth.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.