Numeri 32
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bible Mutal (Kosraean)
1De zonen van Ruben en Gad bezaten zeer talrijke kudden. En daar de Rubenieten en Gadieten zagen, dat het land Jazer en het land Gilad een zeer geschikte streek voor vee was,
1Arulana pus cow nutin sruf lal Reuben ac Gad. Na ke elos liye lah wo acn Jazer ac Gilead nu ke tohf cow
2gingen ze naar Moses, den priester Elazar en de aanvoerders van de gemeenschap en zeiden:
2elos utyak nu yorol Moses, Eleazar, ac mwet kol saya lun mwet Israel ac fahk,
3Atarot, Dibon, Jazer, Nimra, Chesjbon, Elale, Sibma, Nebo en Báal-Meon,
3“Acn Ataroth, Dibon, Jazer, Nimrah, Heshbon, Elealeh, Sibmah, Nebo, ac Beon
4het land, dat Jahweh aan de gemeenschap van Israël heeft onderworpen, is een land van veeteelt, en uw dienaren oefenen veeteelt uit.
4LEUM GOD El tuh kasrekut eisla. Acn inge wona nu ke tohf kosro, ac arulana pus kosro natusr uh.
5En zij vervolgden: Zo wij genade hebben gevonden in uw ogen, laat dan dit land aan uw dienaren als bezitting worden gegeven, en voer ons niet over de Jordaan.
5Nunak munas ase acn inge in ma lasr, ac tia sap kut in alukela Infacl Jordan in muta layen roto.”
6Maar Moses gaf de zonen van Gad en Ruben ten antwoord: Wilt gij dan hier blijven wonen, terwijl uw broeders ten strijde trekken?
6Tusruktu Moses el topuk ac fahk, “Ya ma liwos ac som mweun, a kowos ac mutana inge?
7Waarom wilt ge de Israëlieten de moed benemen, om naar de overkant te trekken, naar het land, dat Jahweh hun heeft gegeven?
7Efu kowos ku srike in akmunasye nunkun mwet Israel tuh elos in tia lungse fahsr aliki Infacl Jordan nu in facl se su LEUM GOD El sang nu selos?
8Zo hebben uw vaders gedaan, toen ik hen uitzond van Kadesj-Barnéa, om het land te verkennen.
8Pa ingan ma papa tomowos ah tuh oru ke nga supwalosla liki Kadesh Barnea in kalngeyuk nu in acn sac.
9Zij trokken op tot de Esjkol-vallei, en zij verkenden het land; maar toen ontnamen zij de kinderen Israëls de moed, om het land binnen te trekken, dat Jahweh hun had gegeven.
9Elos som nwe sun Infahlfal Eshcol ac liye facl sac, tusruktu ke elos foloko, elos akmunasye mwet uh in tia utyak nu in facl se su LEUM GOD El sang nu selos.
10Maar toen ook ontbrandde de gramschap van Jahweh, en zwoer Hij:
10LEUM GOD El tuh kasrkusrakak ke len sac, ac orala wulela se inge:
11De mannen van twintig jaar oud en daarboven, die uit Egypte zijn opgetrokken, zullen het land niet aanschouwen, dat Ik aan Abraham, Isaäk en Jakob onder ede beloofd heb, omdat zij Mij niet trouw zijn gebleven!
11‘Nga fulahk lah, mweyen elos tia inse pwayena nu sik, wangin sie sin mwet su matwa yac longoulyak su illa liki acn Egypt fah utyak nu in facl se su nga wuleang kac nu sel Abraham, Isaac ac Jacob.’
12Uitgezonderd werden Kaleb, de Kenizziet, de zoon van Jefoenne, en Josuë, de zoon van Noen; want zij bleven Jahweh getrouw.
12Kas inge ma nu sin mwet nukewa, sayal Caleb wen natul Jephunneh mwet Ken, ac Joshua wen natul Nun. Eltal mukena inse pwayena nu sin LEUM GOD .
13Zo ontstak de toorn van Jahweh tegen Israël en liet Hij ze veertig jaar lang in de woestijn zwerven, tot heel het geslacht, dat kwaad had gedaan in de ogen van Jahweh, was gestorven.
13LEUM GOD El kasrkusrakak sin mwet uh ac oru elos in forfor yen mwesis ke yac angngaul, nwe ke na fwil nufon se ma oru ma koluk ye mutal ah misa.
14En nu neemt gij de plaats van uw vaderen in, zondig gebroed, en roept gij de grimmige toorn van Jahweh over Israël weer af.
14Ac inge kowos sie fwil sasu su aolla papa matu tomowos in oru ma koluk, ac akyokye kasrkusrak lun LEUM GOD nu fin Israel.
15Zo ge u van Hem afwendt, zal Hij het nog langer in de woestijn laten zwerven, en stort gij heel dit volk in het verderf.
15Mwet Reuben ac Gad, kowos fin forla lukel inge, El ac sifilpa fahsr liki mwet inge nukewa yen mwesis uh, na mwatan ma koluk ma ac sikyak inge ac fah oan fowos.”
16Maar zij traden op hem toe, en zeiden: Wij willen hier enkel schaapskooien bouwen voor onze kudden en steden voor onze kinderen;
16Na elos kalukyang nu yorol Moses ac fahk, “Kut siyuk tuh kut in etoak kutu kalkal eot nu ke sheep natusr uh, ac musai kutu siti ke pot ku nu sin sou lasr uh.
17maar wij zelf zullen strijdvaardig aan de spits van de Israëlieten optrekken, totdat wij ze naar hun bestemming hebben gebracht; intussen zullen onze kinderen dan in versterkte steden kunnen blijven, om tegen de bewoners van het land beveiligd te zijn.
17Na kut ac fah akola in wi mwet Israel wiasr som nu ke mweun, ac kut fah fahsr meet in kololos nwe ke kut oakelosi fin acn su ac fah ma lalos. In pacl ingan, sou lasr uh fah muta inge in siti kalkalyak ke pot ku, ac tia sensen ke mwet in facl se inge.
18Wij keren niet naar huis terug, eer ieder van Israëls kinderen zijn aandeel heeft bekomen.
18Kut fah tia foloko nu yen sesr nwe ke mwet Israel nukewa elos oakwuki in acn ma itukyang nu selos.
19Ook zullen we geen erfbezit bij hen krijgen aan de overkant van de Jordaan, zo wij ons erfdeel hebben gekregen aan deze zijde, ten oosten van de Jordaan.
19Kut fah tia eis kutena acn sesr layen roto in Infacl Jordan, mweyen kut eis tari ip lasr inge layen kutulap in Infacl Jordan.”
20Toen sprak Moses tot hen: Wanneer gij dit woord gestand doet, en u voor Jahweh ten strijde gordt,
20Moses el topuk, “Fin pwayena ma kowos fahk, na inge ye mutun LEUM GOD , kowos akola in som nu ke mweun.
21en gij allen welbewapend de Jordaan overtrekt voor het aanschijn van Jahweh, totdat Hij zijn vijanden voor Zich heeft uitgedreven,
21Mwet mweun lowos nukewa in fahsr sasla Infacl Jordan, na ye koko lun LEUM GOD elos in mweun lain mwet lokoalok lasr nwe ke LEUM GOD El kutangulosla
22en eerst terugkeert als het land aan Jahweh is onderworpen, dan gaat ge vrij uit voor Jahweh en Israël, en zal dit land voor het aanschijn van Jahweh uw eigendom zijn.
22ac eis acn sac. Toko kowos ac ku in foloko, mweyen kowos akfalyela tari ma kunowos nu sin LEUM GOD ac nu sin mwet Israel wiowos. Na LEUM GOD El fah akkalemye lah acn se inge kutulap in Infacl Jordan ma lowos.
23Maar doet ge het niet, dan zondigt ge tegen Jahweh, en zult ge de gevolgen van uw zonde ondervinden.
23Tusruktu kowos fin tia oru oana ma kowos wulela inge, nga akkalemye nu suwos lah kowos orekma koluk lain LEUM GOD . Kowos in arulana etu lah ac fah kaiyuk kowos ke ma koluk lowos.
24Bouwt dus steden voor uw kinderen en kooien voor uw schapen, maar doet, wat ge beloofd hebt.
24Ke ma inge, musai siti nu sin sou lowos ac kalkal nu ke sheep ac nani nutuwos an, tusruktu kowos in oru na ma kowos wulela kac!”
25Toen zeiden de zonen van Gad en Ruben tot Moses: Uw dienaren zullen doen, zoals mijn heer heeft bevolen.
25Na mukul ke sruf lal Gad ac Reuben elos fahk, “Moses, kut ac oru oana kom sapkin.
26Onze kinderen en vrouwen, ons vee, en al onze runderen zullen in de steden van Gilad blijven,
26Mutan kiasr, tulik natusr, cow natusr, ac sheep natusr fah mutana inge ke siti in acn Gilead.
27maar uw dienaren zullen allen, welbewapend, naar de overkant trekken, om voor Jahweh te strijden, zoals mijn heer heeft gezegd.
27A kut nukewa ac akola in som nu ke mweun ye kolyuk lun LEUM GOD . Kut ac fahla alukela Infacl Jordan ac mweun, oana ke kom fahk.”
28Nu gaf Moses den priester Elazar en Josuë, den zoon van Noen, met de familiehoofden van Israëls stammen zijn bevelen betreffende hen.
28Ouinge Moses el sang ma sap inge nu sel Eleazar, Joshua, ac mwet kol saya lun mwet Israel:
29Moses zeide: Wanneer de zonen van Gad en van Ruben, allen welbewapend, met u de Jordaan overtrekken, om voor Jahweh te strijden, en het land aan u onderworpen is, dan moet ge hun het land Gilad in eigendom geven;
29“Mukul ke sruf lun Gad ac Reuben fin fahsr aliki Infacl Jordan ac akola nu ke mweun ke sap lun LEUM GOD , ac kowos fin eisla acn sac ke sripen kasru lalos, na kowos fah sang nu selos acn Gilead tuh in ma lalos.
30maar zo ze niet welbewapend met u naar de overkant trekken, dan moeten zij worden gedwongen zich onder u in het land Kanaän te vestigen.
30Tusruktu elos fin tia fahla alukela Infacl Jordan ac wi kowos mweun, elos ac fah eis na acn selos inmasrlowos fin acn Canaan.”
31De zonen van Gad en Ruben verzekerden: Wat Jahweh uw dienaars bevolen heeft, zullen ze doen.
31Mukul ke sruf lun Gad ac Reuben elos topuk, “Kut ac oru oana ma LEUM GOD El sapkin.
32Voor Jahweh’s aanschijn zullen wij welbewapend naar het land Kanaän trekken, en eerst dan zullen we aan deze zijde van de Jordaan vaste bezittingen verkrijgen.
32Ye kolyuk lal, kut fah fahla aliki nu in facl Canaan ac mweun, tuh acn inge kutulap in Infacl Jordan in ma lasr.”
33Zo gaf Moses aan de zonen van Gad en Ruben en aan de helft van de stam van Manasse, den zoon van Josef, het rijk van Sichon, den koning der Amorieten, en het rijk van Og, den koning van Basjan, zowel de steden van het land als het grondgebied rondom de steden.
33Ouinge Moses el oakiya acn nukewa ke facl sel Tokosra Sihon lun acn Amor, ac facl sel Tokosra Og lun acn Bashan, weang siti srisrik ac acn nukewa ma raunela, tuh in ma lun sruf lun Gad ac Reuben ac tafu sruf lal Manasseh.
34De zonen van Gad herbouwden de vestingsteden Dibon, Atarot en Aroër,
34Sruf lun Gad sifil musaela pot ku in siti Dibon, Ataroth, Aroer,
35Atrot-Sjofan, Jazer en Jogbeha,
35Atroth, Shophan, Jazer, Jogbehah,
36Bet-Nimra, Bet-Haran met haar schaapskooien.
36Beth Nimrah, ac Beth Haran.
37De zonen van Ruben herbouwden Chesjbon, Elale en Kirjatáim,
37Sruf lun Reuben sifil musaela Heshbon, Elealeh, Kiriathaim,
38Nebo, Báal-Meon (onder een andere naam) en Sibma, en gaven aan de steden, die ze bouwden, andere namen.
38Nebo, Baal Meon (ayaolla inen acn se inge), ac Sibmah. Elos sang ine sasu nu ke siti ma elos sifil musaela.
39De zonen van Makir, den zoon van Manasse, trokken naar Gilad, veroverden het en verdreven de Amorieten, die daar woonden.
39Sou lulap lal Machir, wen natul Manasseh, mweun ac eisla acn Gilead, ac elos lusla mwet Amor su muta we.
40Moses gaf Gilad aan Makir, den zoon van Manasse, die zich daar vestigde.
40Ke ma inge Moses el sang acn Gilead nu sin sou lal Machir, ac elos muta we.
41Ook Jaïr, de zoon van Manasse, trok op, veroverde hun kampementen en noemde ze kampementen van Jaïr.
41Jair, ke sruf lal Manasseh, el mweun ac sruokya kutu siti srisrik we, ac sang ine sasu se inge nu kac: “Siti Srisrik lun Jair.”
42Ook Nóbach trok op, veroverde Kenat met zijn onderhorige plaatsen, en noemde het Nóbach naar zijn eigen naam.
42Nobah el mweun ac sruokya acn Kenath ac siti srisrik raunela, ac sang inel sifacna nu ke acn inge: Nobah.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.