Leviticus
Chapter 15
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Berean Standard Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Berean Standard Bible
1Jahweh sprak tot Moses en Aäron:
1And the LORD said to Moses and Aaron,
2Zegt tot de kinderen Israëls: Wanneer een man aan ziekelijke vloeiing lijdt uit zijn vlees, dan is dat vocht onrein.
2“Say to the Israelites, ‘When any man has a bodily discharge, the discharge is unclean.
3En het is voor zijn onreinheid bij zijn vloeiing gelijk, of zijn vlees het vocht laat lopen of niet; hij is onrein.
3This uncleanness is from his discharge, whether his body allows the discharge to flow or blocks it. So his discharge will bring about uncleanness.
4Ieder bed, waarop zulk een lijder gaat liggen, en alles waarop hij gaat zitten, is onrein.
4Any bed on which the man with the discharge lies will be unclean, and any furniture on which he sits will be unclean.
5Wie zijn bed aanraakt, moet zijn kleren wassen, een bad nemen, en is tot de avond onrein.
5Anyone who touches his bed must wash his clothes and bathe with water, and he will be unclean until evening.
6En wie ergens op gaat zitten, waarop zulk een lijder heeft gezeten, moet eveneens zijn kleren wassen, een bad nemen, en is tot de avond onrein.
6Whoever sits on furniture on which the man with the discharge was sitting must wash his clothes and bathe with water, and he will be unclean until evening.
7Ook wie het lichaam van zulk een lijder aanraakt, moet zijn kleren wassen, een bad nemen, en is tot de avond onrein.
7Whoever touches the body of the man with a discharge must wash his clothes and bathe with water, and he will be unclean until evening.
8Wanneer iemand, die aan vloeiing lijdt, op een ander spuwt, die rein is, dan moet die ander zijn kleren wassen, een bad nemen, en is tot de avond onrein.
8If the man with the discharge spits on one who is clean, that person must wash his clothes and bathe with water, and he will be unclean until evening.
9Elk zadel, waarop zulk een lijder rijdt, is onrein.
9Any saddle on which the man with the discharge rides will be unclean.
10Iedereen, die iets aanraakt, wat onder hem is geweest, is tot de avond onrein; en wie het draagt, moet zijn kleren wassen, een bad nemen, en is tot de avond onrein.
10Whoever touches anything that was under him will be unclean until evening, and whoever carries such things must wash his clothes and bathe with water, and he will be unclean until evening.
11Wanneer zulk een lijder een ander aanraakt, zonder zijn handen te hebben afgespoeld, dan moet de ander zijn kleren wassen, een bad nemen, en is tot de avond onrein.
11If the man with the discharge touches anyone without first rinsing his hands with water, the one who was touched must wash his clothes and bathe with water, and he will be unclean until evening.
12Een aarden vat, dat de lijder aanraakt, moet worden gebroken, en elk houten vat met water worden afgespoeld.
12Any clay pot that the man with the discharge touches must be broken, and any wooden utensil must be rinsed with water.
13Wanneer zulk een lijder weer van zijn kwaal is genezen, moet hij nog zeven dagen wachten, eer hij rein is; daarna moet hij zijn kleren wassen en zich in stromend water baden; dan is hij rein.
13When the man has been cleansed from his discharge, he must count off seven days for his cleansing, wash his clothes, and bathe himself in fresh water, and he shall be clean.
14Op de achtste dag moet hij twee tortels of twee jonge duiven nemen, voor het aanschijn van Jahweh bij de ingang van de openbaringstent komen, en ze aan den priester geven.
14On the eighth day he is to take two turtledoves or two young pigeons, come before the LORD at the entrance to the Tent of Meeting, and give them to the priest.
15De priester moet ze offeren; de een als zonde(-), de ander als brandoffer. Zo zal de priester voor hem verzoening verkrijgen voor het aanschijn van Jahweh, en is hij bevrijd van zijn kwaal.
15The priest is to sacrifice them, one as a sin offering and the other as a burnt offering. In this way the priest will make atonement for the man before the LORD because of his discharge.
16Wanneer een man een uitstorting heeft gehad, moet hij heel zijn lichaam baden, en is tot de avond onrein.
16When a man has an emission of semen, he must bathe his whole body with water, and he will be unclean until evening.
17Elk kledingstuk en leren voorwerp, dat er door wordt bezoedeld, moet worden gewassen, en is tot de avond onrein.
17Any clothing or leather on which there is an emission of semen must be washed with water, and it will remain unclean until evening.
18Wanneer een man gemeenschap met een vrouw heeft gehad, moeten beiden een bad nemen, en zijn tot de avond onrein.
18If a man lies with a woman and there is an emission of semen, both must bathe with water, and they will remain unclean until evening.
19Wanneer een vrouw haar stonden heeft, verkeert zij zeven dagen in staat van onreinheid. Wie haar aanraakt, is tot de avond onrein;
19When a woman has a discharge consisting of blood from her body, she will be unclean due to her menstruation for seven days, and anyone who touches her will be unclean until evening.
20alles waarop zij in die toestand gaat liggen of zitten, wordt onrein.
20Anything on which she lies or sits during her menstruation will be unclean,
21Wie haar bed aanraakt, moet zijn kleren wassen, een bad nemen, en is tot de avond onrein;
21and anyone who touches her bed must wash his clothes and bathe with water, and he will be unclean until evening.
22wie iets aanraakt, waarop zij heeft gezeten, moet zijn kleren wassen, een bad nemen en is tot de avond onrein.
22Whoever touches any furniture on which she was sitting must wash his clothes and bathe with water, and he will be unclean until evening.
23Zelfs wie iets aanraakt, dat op het bed heeft gelegen, of op iets waarop zij heeft gezeten, is tot de avond onrein.
23And whether it is a bed or furniture on which she was sitting, whoever touches it will be unclean until evening.
24Wanneer een man gemeenschap met haar houdt en door haar wordt bezoedeld, is hij zeven dagen onrein, en elk bed, waarop hij ligt, wordt onrein.
24If a man lies with her and her menstrual flow touches him, he will be unclean for seven days, and any bed on which he lies will become unclean.
25Wanneer de vrouw buiten de tijd van haar stonden langere tijd aan vloeiing lijdt, of haar stonden langer dan gewoonlijk duren, dan is zij al die tijd even onrein als tijdens haar stonden.
25When a woman has a discharge of her blood for many days at a time other than her menstrual period, or if it continues beyond her period, she will be unclean all the days of her unclean discharge, just as she is during the days of her menstruation.
26Voor elk bed, waarop zij al de tijd van haar kwaal gaat liggen, zal hetzelfde gelden als voor het bed van haar stonden; en alles, waarop zij gaat zitten, zal even onrein zijn.
26Any bed on which she lies or any furniture on which she sits during the days of her discharge will be unclean, like her bed during her menstrual period.
27Wie iets ervan aanraakt, zal onrein zijn; hij moet zijn kleren wassen, een bad nemen, en is tot de avond onrein.
27Anyone who touches these things will be unclean; he must wash his clothes and bathe with water, and he will be unclean until evening.
28Wanneer zij van haar kwaal is genezen, moet ze nog zeven dagen wachten, eer ze weer rein is.
28When a woman is cleansed of her discharge, she must count off seven days, and after that she will be ceremonially clean.
29Op de achtste dag moet zij twee tortels of twee jonge duiven nemen, en die naar den priester bij de ingang van de openbaringstent brengen.
29On the eighth day she is to take two turtledoves or two young pigeons and bring them to the priest at the entrance to the Tent of Meeting.
30De priester moet de een als zonde(-), de ander als brandoffer opdragen; zo zal de priester voor haar verzoening verkrijgen voor het aanschijn van Jahweh, en is zij bevrijd van haar onreine kwaal.
30The priest is to sacrifice one as a sin offering and the other as a burnt offering. In this way the priest will make atonement for her before the LORD for her unclean discharge.
31Vermaant dus de kinderen Israëls, zich voor onreinheid te hoeden, opdat zij niet wegens hun onreinheid sterven, door mijn tabernakel, dat te midden van hen staat, te bezoedelen.
31You must keep the children of Israel separate from their uncleanness, so that they do not die by defiling My tabernacle, which is among them.
32Dit is de wet voor hem, die aan vloeiing lijdt, of uitstorting heeft, waardoor hij onrein wordt;
32This is the law of him who has a discharge, of the man who has an emission of semen whereby he is unclean,
33ook voor haar, die door haar stonden onrein is. Ze geldt zowel voor den man als de vrouw, die aan vloeiing lijdt en voor iedereen, die gemeenschap heeft met de onreine.
33of a woman in her menstrual period, of any male or female who has a discharge, and of a man who lies with an unclean woman.’”

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.