Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Maar nu deelde men Holoférnes, den opperbevelhebber van het assyrische leger, mee, dat de Israëlieten hun maatregelen hadden getroffen, om weerstand te bieden en dat zij de bergpassen bezet hielden.
1Then was it declared to Holofernes, the chief captain of the army of Assur, that the children of Israel had prepared for war, and had shut up the passages of the hill country, and had fortified all the tops of the high hills and had laid impediments in the champaign countries:
2Toen ontstak hij in hevige woede, ontbood alle vorsten en hoofden van Moab en Ammon,
2Wherewith he was very angry, and called all the princes of Moab, and the captains of Ammon, and all the governors of the sea coast,
3en sprak tot hen: Zegt mij eens, wat is dat voor een volk, dat in de bergen woont; wat voor steden hebben zij, hoe zien die er uit, en hoe groot zijn ze? Hoe groot en hoe sterk is hun leger, en wie is hun aanvoerder?
3And he said unto them, Tell me now, ye sons of Chanaan, who this people is, that dwelleth in the hill country, and what are the cities that they inhabit, and what is the multitude of their army, and wherein is their power and strength, and what king is set over them, or captain of their army;
4Waarom zijn ze van alle volken in het westen de enigen, die geweigerd hebben, ons tegemoet te komen en ons in vrede te ontvangen?
4And why have they determined not to come and meet me, more than all the inhabitants of the west.
5Toen antwoordde Achior, het hoofd van alle Ammonieten: Zo ge naar mij wilt luisteren, zal ik u de waarheid zeggen over dit volk, dat in de bergen woont en komt er geen leugen uit mijn mond.
5Then said Achior, the captain of all the sons of Ammon, Let my lord now hear a word from the mouth of thy servant, and I will declare unto thee the truth concerning this people, which dwelleth near thee, and inhabiteth the hill countries: and there shall no lie come out of the mouth of thy servant.
6Dit volk stamt af van de Chaldeën,
6This people are descended of the Chaldeans:
7en woonde eerst in Mesopotamië. Maar omdat zij de goden van hun voorvaders, die in het land der Chaldeën woonden, niet wilden dienen,
7And they sojourned heretofore in Mesopotamia, because they would not follow the gods of their fathers, which were in the land of Chaldea.
8verlieten zij het veelgodendom, de godsdienst van hun voorouders,
8For they left the way of their ancestors, and worshipped the God of heaven, the God whom they knew: so they cast them out from the face of their gods, and they fled into Mesopotamia, and sojourned there many days.
9en dienden den énen God van de hemel, die hun bevel gaf, het land te verlaten en zich in Kanaän te vestigen. Bij het uitbreken van een hongersnood, die het gehele land teisterde, trokken zij naar Egypte af en groeiden daar, in de loop van vierhonderd jaar, tot zulk een menigte aan, dat hun getal niet meer te berekenen was.
9Then their God commanded them to depart from the place where they sojourned, and to go into the land of Chanaan: where they dwelt, and were increased with gold and silver, and with very much cattle.
10Maar toen de koning van Egypte hen onderdrukte, en hen als slaven dwong, klei en tichelstenen te maken voor de bouw van hun steden, riepen zij den Heer aan; en Hij sloeg het gehele land van Egypte met verschillende plagen.
10But when a famine covered all the land of Chanaan, they went down into Egypt, and sojourned there, while they were nourished, and became there a great multitude, so that one could not number their nation.
11Nadat daarom de Egyptenaren hen van zich hadden weggejaagd en de plaag was opgehouden, wilden zij hen echter terughalen, om hen opnieuw tot slaven te maken.
11Therefore the king of Egypt rose up against them, and dealt subtilly with them, and brought them low with labouring in brick, and made them slaves.
12Toen opende de God van de hemel de zee voor de Israëlieten, zodat zij konden vluchten; want als een muur stond het water aan weerskanten onbewegelijk overeind, zodat zij droogvoets hun weg konden vervolgen over de bodem der zee.
12Then they cried unto their God, and he smote all the land of Egypt with incurable plagues: so the Egyptians cast them out of their sight.
13Maar toen een ontelbaar leger van Egyptenaren hun ook hier achterna ging, sloeg het water over de Egyptenaren heen, zodat er niemand overbleef, om het gebeurde aan het nageslacht te vertellen.
13And God dried the Red sea before them,
14Na hun doortocht door de Rode Zee, sloegen de Israëlieten hun legerplaats op in de woestijn van het Sinaïgebergte, waar nog nooit een mens had kunnen wonen en geen mensenkind zich had gevestigd.
14And brought them to mount Sina, and Cades-Barne, and cast forth all that dwelt in the wilderness.
15Daar werden bittere bronnen voor hen in zoet drinkwater veranderd, en kregen zij veertig jaar lang voedsel uit de hemel.
15So they dwelt in the land of the Amorites, and they destroyed by their strength all them of Esebon, and passing over Jordan they possessed all the hill country.
16Overal waar zij binnentrokken zonder pijl en boog, zonder schild en zwaard, streed hun God voor hen en behaalde de zege.
16And they cast forth before them the Chanaanite, the Pherezite, the Jebusite, and the Sychemite, and all the Gergesites, and they dwelt in that country many days.
17Niemand was bij machte, dit volk te weerstaan, behalve wanneer het was afgeweken van de dienst van den Heer, zijn God.
17And whilst they sinned not before their God, they prospered, because the God that hateth iniquity was with them.
18Want telkens, wanneer zij iemand anders dan hun eigen God vereerden, werden zij prijsgegeven aan plundering, zwaard en verachting.
18But when they departed from the way which he appointed them, they were destroyed in many battles very sore, and were led captives into a land that was not their’s, and the temple of their God was cast to the ground, and their cities were taken by the enemies.
19Maar zodra zij berouw toonden, dat zij de dienst van hun God hadden verlaten, gaf de God van de hemel hun de kracht terug, om weerstand te bieden.
19But now are they returned to their God, and are come up from the places where they were scattered, and have possessed Jerusalem, where their sanctuary is, and are seated in the hill country; for it was desolate.
20Zo versloegen zij ten slotte de koningen der Kanaänieten, Jeboesieten, Perizzieten, Chittieten, Chiwwieten, Amorieten en alle machthebbers van Chesjbon, en namen hun landen en steden in bezit.
20Now therefore, my lord and governor, if there be any error against this people, and they sin against their God, let us consider that this shall be their ruin, and let us go up, and we shall overcome them.
21Zolang zij dus voor het aanschijn van hun God geen zonde bedreven, hadden zij voorspoed; want hun God haat de ongerechtigheid.
21But if there be no iniquity in their nation, let my lord now pass by, lest their Lord defend them, and their God be for them, and we become a reproach before all the world.
22Toen zij dan ook jaren geleden van de weg, die God hun had voorgeschreven, waren afgeweken, werden zij in een groot aantal oorlogen door de volkeren vernietigd en de meesten van hen gevangen weggevoerd naar een vreemd land.
22And when Achior had finished these sayings, all the people standing round about the tent murmured, and the chief men of Holofernes, and all that dwelt by the sea side, and in Moab, spake that he should kill him.
23Maar omdat ze zich toen tot hun God hebben bekeerd, zijn ze onlangs uit de wijde verstrooiing weer bijeen gekomen, hebben zich weer overal in de bergen gevestigd en zijn opnieuw in het bezit van Jerusalem, waar hun heiligdom is.
23For, say they, we will not be afraid of the face of the children of Israel: for, lo, it is a people that have no strength nor power for a strong battle
24Mijn heer dient dus een onderzoek in te stellen. Als zij zich tegenover hun God aan een of andere zonde hebben schuldig gemaakt, moeten wij tegen hen optrekken; want dan zal hun God hen zeker aan u overleveren, en zullen zij zich moeten buigen onder het juk van uw macht.
24Now therefore, lord Holofernes, we will go up, and they shall be a prey to be devoured of all thine army.
25Maar als dit volk niet tegen zijn God heeft gezondigd, zullen wij niet tegen hen bestand zijn; want dan zal hun God ze verdedigen, en zullen wij voor de gehele wereld te schande staan.
no verse 25 in this text
26Toen Achior deze toespraak geëindigd had, waren alle legeraanvoerders van Holoférnes woedend, en wilden hem doden. Ze riepen tot elkander:
no verse 26 in this text
27Hoe durft die man beweren, dat de Israëlieten weerstand kunnen bieden aan koning Nabukodonosor en zijn leger? Het zijn maar ongewapende en hulpeloze mensen, die niets van krijgskunst verstaan.
no verse 27 in this text
28Laat ons het gebergte intrekken; dan kan Achior zien, dat hij ons bedriegt. En als wij hun voornaamste mannen hebben gevangen genomen, zal hij tegelijk met hen door het zwaard worden gedood.
no verse 28 in this text
29Dan zullen alle volkeren moeten erkennen, dat Nabukodonosor de god der wereld is, dat hij alleen god is en niemand anders.
no verse 29 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.