2 Korintiers 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Als medearbeiders vermanen we u bovendien, om Gods genade niet vruchteloos te ontvangen.
1Y ASÍ nosotros , como ayudadores juntamente con él , os exhortamos también á que no recibáis en vano la gracia de Dios,
2Want Hij zegt: “Op gunstige tijd heb ik u verhoord, En op de dag van heil u geholpen.” Ziet, nu is het de gunstige tijd; ziet, nu is het de dag van heil.
2(Porque dice: En tiempo aceptable te he oído, y en día de salud te he socorrido: he aquí ahora el tiempo aceptable; he aquí ahora el día de salud:)
3Op geen enkel punt geven we aanstoot, opdat er geen smet op de bediening valt.
3No dando á nadie ningún escándalo, porque el ministerio nuestro no sea vituperado:
4Integendeel, op alle punten strekken we onszelf tot aanbeveling, als dienaren Gods: Door het grootste geduld, In verdrukking, nood en benauwdheid;
4Antes habiéndonos en todas cosas como ministros de Dios, en mucha paciencia, en tribulaciones, en necesidades, en angustias;
5In slagen, gevangenschap en woeling, In arbeid, nachtwaken en vasten;
5En azotes, en cárceles, en alborotos, en trabajos, en vigilias, en ayunos;
6Door reinheid, kennis en lankmoedigheid, Door goedheid, heilige geest en ongeveinsde liefde;
6En castidad, en ciencia, en longanimidad, en bondad, en Espíritu Santo, en amor no fingido;
7Door prediking der waarheid, En goddelijke kracht; Met de wapenen der gerechtigheid In rechterhand en linkerhand;
7En palabra de verdad, en potencia de Dios, en armas de justicia á diestro y á siniestro;
8In eer en in schande, In kwade en goede faam. Als bedriegers, toch zijn we oprecht;
8Por honra y por deshonra, por infamia y por buena fama; como engañadores, mas hombres de verdad;
9Als onbekenden, toch overal bekend; Als stervenden, en zie, toch zijn we in leven; Als getuchtigden, en toch niet gedood;
9Como ignorados, mas conocidos; como muriendo, mas he aquí vivimos; como castigados, mas no muertos;
10Als treurenden, toch steeds verheugd; Als armen, en velen maken we rijk; Als bezitlozen, toch bezitten we alles.
10Como doloridos, mas siempre gozosos; como pobres, mas enriqueciendo á muchos; como no teniendo nada, mas poseyéndolo todo.
11Korintiërs; onze mond heeft zich voor u ontsloten, maar wagenwijd staat open ons hart.
11Nuestra boca está abierta á vosotros, oh Corintios: nuestro corazón es ensanchado.
12Niet in ons is het u eng, maar in uw eigen binnenste is het benauwd.
12No estáis estrechos en nosotros, mas estáis estrechos en vuestras propias entrañas.
13Ik zeg het u als tot mijn kinderen: ook gij op uw beurt moet ruimer worden.
13Pues, para corresponder al propio modo (como á hijos hablo), ensanchaos también vosotros.
14Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want wat hebben gerechtigheid en ongerechtigheid gemeen, of wat heeft het licht met duisternis te maken;
14No os juntéis en yugo con los infieles: porque ¿qué compañía tiene la justicia con la injusticia? ¿y qué comunión la luz con las tinieblas?
15wat overeenkomst is er tussen Christus en Bélial, of wat heeft de gelovige met den ongelovige gemeen?
15¿Y qué concordia Cristo con Belial? ¿ó qué parte el fiel con el infiel?
16En wat heeft een tempel Gods met afgoden uit te staan? Welnu, wij zijn een tempel van den levenden God! Daarom heeft God gesproken: “Ik zal onder hen wonen en wandelen, Ik zal hun God zijn, zij mijn volk.
16¿Y qué concierto el templo de Dios con los ídolos? porque vosotros sois el templo del Dios viviente, como Dios dijo: Habitaré y andaré en ellos; y seré el Dios de ellos, y ellos serán mi pueblo.
17Daarom dan, gaat van hen weg, Zondert u af, zegt de Heer. Raakt niets aan wat onrein is.
17Por lo cual salid de en medio de ellos, y apartaos, dice el Señor, y no toquéis lo inmundo; y yo os recibiré,
18Dan zal Ik u aannemen, En u tot Vader zijn, Gij Mij tot zonen en dochters; Zegt de almachtige Heer.”
18Y seré á vosotros Padre, y vosotros me seréis á mí hijos é hijas, dice el Señor Todopoderoso.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.