1 Kronieken 22
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bible Mutal (Kosraean)
1Daarom besliste David: Dit is voortaan het huis van Jahweh, den Heer, en het brandofferaltaar van Israël.
1Ke ma inge David el fahk, “Pa inge acn se ma Tempul lun LEUM GOD ac fah oan we. Pa inge loang se su mwet Israel ac tufah oru mwe kisa lalos fac.”
2Nu bepaalde David, dat men de vreemdelingen moest oproepen, die in het land Israël woonden; en hij nam hen in dienst als steenhouwers, om steenblokken te houwen voor de bouw van de tempel van God.
2Tokosra David el sap mwetsac nukewa su muta in facl Israel in toeni, ac el sang orekma kunalos. Kutu selos tufahl eot lulap in sang musai Tempul uh.
3Ook bracht David een grote voorraad ijzer bijeen voor de nagels van de poortdeuren en de krammen, benevens een onoverzienbare hoeveelheid koper;
3David el sap in utuku osra lulap mwe orek osra in patput ac osra in kapsreni polosak ke mutunpot, ac oayapa osra bronze na lulap‐wangin mwet ku in etu toasriya.
4daarenboven ontelbare ceders, die door de Sidoniërs en Tyriërs in grote hoeveelheden aan David werden geleverd.
4El sap mwet Tyre ac mwet Sidon in use polosak cedar pukanten.
5David dacht namelijk: Mijn zoon Salomon is nog jong en tenger, en de tempel, die voor Jahweh gebouwd wordt, moet zo groots zijn, dat hij in alle landen bekend en beroemd wordt; laat mij dus alvast de voorbereidende maatregelen treffen. Zo trof David voor zijn dood ontzaglijke voorbereidingen.
5In nunak lal David el nunku mu, “Tempul se su wen nutik Solomon el ac musai inge enenu in arulana oasku ac pwengpeng nu fin faclu nufon. Tuh inge el srakna fusr ac supah ke orekma, na pa nga enenu in akoo kufwen mwe orekma nukewa nu kac.” Ouinge David el akoela kufwen sroasr puspis meet liki el misa.
6Hij riep zijn zoon Salomon bij zich en gaf hem de opdracht, een tempel te bouwen voor Jahweh, den God van Israël.
6El sapla solalma Solomon, wen natul, ac sapkin nu sel tuh elan musai sie tempul nu sin LEUM GOD lun Israel.
7En David zeide tot Salomon: Mijn zoon, ik ben zelf van plan geweest, een tempel te bouwen voor de Naam van Jahweh, mijn God.
7David el fahk nu sel, “Wen nutik, nga tuh kena musaela sie tempul in akfulatye LEUM GOD luk.
8Maar ik kreeg van Jahweh ten antwoord: Gij hebt veel bloed vergoten en zware oorlogen gevoerd. Gij kunt geen tempel bouwen voor mijn Naam; daarvoor hebt ge voor mijn aanschijn te veel bloed ter aarde gestort.
8Tusruktu, LEUM GOD El fahk nu sik lah pusle mwet nga uniya, ac pusle mweun nga oru. Na ke sripen yokla srah nga aksororyela, God El ac tia lela ngan musai sie tempul nu sel.
9Zie, een zoon wordt u geboren, die een vreedzaam mens zal zijn; en Ik zal zorgen, dat al zijn vijanden in het rond hem met vrede laten. Want Salomon zal zijn naam zijn, en vrede en rust zal Ik tijdens zijn regering aan Israël schenken.
9Tusruktu El oru sie wulela nu sik ac fahk, ‘Ac fah oasr sie wen nutum su ac fah leum ke pacl in misla, mweyen nga ac fah akmisye inmasrlol ac mwet lokoalok lal. Inel ac fah pangpang Solomon, mweyen in pacl el leum, nga ac fah oru tuh mwet Israel in okak ac muta in misla.
10Hij is het, die een tempel zal bouwen voor mijn Naam. Hij zal mijn zoon zijn, en Ik een vader voor hem. Ik zal zijn koningstroon in Israël voor altijd bestendigen.
10El ac fah musai sie tempul nu sik. El ac fah wen nutik, ac nga ac fah papa tumal. Fwilin tulik natul ac fah tokosra fin mwet Israel ma pahtpat.’”
11Welnu dan, mijn zoon, moge Jahweh met u zijn, en moogt gij er in slagen, een tempel te bouwen voor Jahweh, uw God, zoals Hij het over u heeft beloofd.
11Na David el sifilpa fahk, “Wen nutik, lela tuh LEUM GOD lom in wi kom, ac finsrak in pwaye wulela lal keim tuh kom in ku in musaela sie tempul nu sel.
12Ja, Jahweh moge u wijsheid geven en doorzicht, wanneer Hij u aanstelt over Israël, om de wet te onderhouden van Jahweh, uw God.
12Oayapa lela tuh LEUM GOD lom Elan asot etauk ac lalmwetmet nu sum, tuh kom fah ku in kol mwet Israel fal nu ke ma sap lal.
13Want dan alleen zult ge slagen, als ge de wetten en voorschriften onderhoudt, die Jahweh voor Israël aan Moses gegeven heeft. Wees kloek en sterk; vrees niet en laat u niet afschrikken.
13Kom fin akos ma sap nukewa ma LEUM GOD El sang nu sel Moses in kol mwet Israel, na kom ac fah kapkapak in ma wo. Kom in ku ac pulaik. Nikmet sangeng ke kutena ma.
14Zie, met al mijn zwoegen heb ik voor de tempel van Jahweh honderdduizend talenten goud bijeengebracht, een millioen talenten zilver, en een hoeveelheid koper en ijzer zo groot, dat ze niet te berekenen valt. Ook heb ik een voorraad hout en stenen opgeslagen, die ge zelf nog kunt aanvullen.
14Ac funu nu ke Tempul uh, sahp sun akosr tausin tuhn in gold oayapa apkuran angngaul tausin tuhn in silver nga sifacna fosrngakin in sang musaela. Sayen ma ingan, arulana pukanten osra bronze ac iron akoeyuk pac tari. Nga orala pac in oasr sak ac eot, tuh kom fah enenu in sifil sokak ma inge in weang pac.
15Bovendien hebt ge de beschikking over een groot aantal werklieden, steenhouwers, metselaars en timmerlieden, en over een ontelbaar aantal kunstenaars
15Pukanten mwet orekma lom. Oasr mwet in tufahl eot, ac mwet orekma ke cement ac mwet sroasr, oayapa pus mwet usrnguk ke kain in orekma nukewa
16voor de meest verschillende bewerking van goud, zilver, koper en ijzer. Welnu dan, sla de hand aan het werk, en moge Jahweh met u zijn!
16ke gold, silver, bronze, ac iron. Inge kom in mutawauk ke orekma se inge, ac lela tuh LEUM GOD Elan wi kom.”
17Verder gaf David aan alle overheden van Israël bevel, zijn zoon Salomon te helpen.
17David el sapkin nu sin mwet kol nukewa in Israel tuh elos in kasrel Solomon.
18Hij sprak: Jahweh, uw God, is met u; Hij heeft gezorgd, dat gij langs alle kanten met rust wordt gelaten. Want Hij heeft de bewoners van het land aan mij overgeleverd, zodat het land aan Jahweh en zijn volk onderworpen is.
18El fahk mu, “ LEUM GOD lowos El tuh wi kowos in pacl e nukewa, ac El oru tuh in oasr misla yen nukewa apunla facl suwos. El oru tuh nga in ku in kutangla mwet nukewa su muta in acn inge meet, ac inge elos muta ye pouwos ac ye poun LEUM GOD .
19Richt thans dus uw hart en uw geest op de dienst van Jahweh, uw God; slaat de hand aan het werk, en bouwt een heiligdom voor Jahweh, den Heer, opdat de verbondsark van Jahweh en de heilige Godgewijde vaten kunnen worden overgebracht naar de tempel, die voor de Naam van Jahweh zal worden gebouwd.
19Inge kowos in kulansupu LEUM GOD lowos ke insiowos kewa ac ke ngunuwos kewa. Kowos in mutawauk musai Tempul an, tuh kowos in ku in filiya Tuptup in Wuleang lun LEUM GOD loac, oayapa ma mutal nukewa ma orekmakinyuk ke pacl kowos alu nu sel.”
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.