ΔΑΝΙΗΛ (Ελληνικά)
Chapter 8

ΔΑΝΙΗΛ (Ελληνικά)

Septuagint (Brenton Gree…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΔΑΝΙΗΛ (Ελληνικά) 8

Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ἐν ἔτει τρίτῳ τῆς βασιλείας Βαλτάσαρ τοῦ βασιλέως ὅρασις ὤφθη πρὸς μέ· ἐγὼ Δανιὴλ μετὰ τὴν ὀφθεῖσάν μοι τὴν ἀρχήν,
1In het derde jaar der regering van koning Belsjassar had ik, Daniël, een visioen na het andere, dat ik vroeger aanschouwd had.
2καὶ ἤμην ἐν Σούσοις τῇ βάρει, ἥ ἐστιν ἐν χώρᾳ Αἰλάμ· καὶ ἤμην ἐπὶ τοῦ Οὐβάλ.
2Ik zag in dit visioen, dat ik mij tijdens het gezicht in de vesting Sjoesjan bevond in de provincie van Elam, en dat ik aan de rivier de Oelai stond, toen ik het visioen aanschouwde.
3Καὶ ᾖρα τοὺς ὀφθαλμούς μου, καὶ ἴδον· καὶ ἰδοὺ κριὸς εἷς ἑστηκὼς πρὸ τοῦ Οὐβάλ· καὶ αὐτῷ κέρατα ὑψηλά· καὶ τὸ ἓν ὑψηλότερον τοῦ ἑτέρου, καὶ τὸ ὑψηλὸν ἀνέβαινεν ἐπʼ ἐσχάτων.
3Ik sloeg mijn ogen op en zag toe: Zie, voor de rivier stond een ram met twee horens; de horens waren beiden groot, maar de een was hoger dan de andere, en de grootste schoot het laatst omhoog.
4Καὶ ἴδον τὸν κριὸν κερατίζοντα κατὰ θάλασσαν, καὶ Βοῤῥᾶν, καὶ Νότον· καὶ πάντα τὰ θηρία οὐ στήσεται ἐνώπιον αὐτοῦ· καὶ οὐκ ἦν ὁ ἐξαιρούμενος ἐκ χειρὸς αὐτοῦ, καὶ ἐποίησε κατὰ τὸ θέλημα αὐτοῦ καὶ ἐμεγαλύνθη.
4Ik zag den ram naar het westen stoten, en naar het noorden en zuiden; geen enkel beest hield het tegen hem vol, of kon zich aan zijn greep ontworstelen. Hij deed wat hij wilde, en groeide in macht.
5Καὶ ἐγὼ ἤμην συνιῶν, καὶ ἰδοὺ τράγος αἰγῶν ἤρχετο ἀπὸ Λιβὸς ἐπὶ πρόσωπον πάσης τῆς γῆς, καὶ οὐκ ἦν ἁπτόμενος τῆς γῆς· καὶ τῷ τράγῳ κέρας μέσον τῶν ὀφθαλμῶν αὐτοῦ.
5Ik bleef toezien: Zie, uit het westen kwam een geitebok over de hele oppervlakte der aarde gelopen, zonder de grond aan te raken. De bok had een heel bijzondere horen tussen zijn ogen.
6Καὶ ἦλθεν ἕως τοῦ κριοῦ τοῦ τὰ κέρατα ἔχοντος, οὗ ἴδον ἑστὼς ἐνώπιον τοῦ Οὐβάλ, καὶ ἔδραμε πρὸς αὐτὸν ἐν ὁρμῇ τῆς ἰσχύος αὐτοῦ.
6Hij ging op den ram met de twee horens af, dien ik voor de rivier had zien staan, en stormde op hem los met onstuimige kracht.
7Καὶ ἴδον αὐτὸν φθάνοντα ἕως τοῦ κριοῦ, καὶ ἐξηγριάνθη πρὸς αὐτόν, καὶ ἔπαισε τὸν κριὸν, καὶ συνέτριψεν ἀμφότερα τὰ κέρατα αὐτοῦ· καὶ οὐκ ἦν ἰσχὺς τῷ κριῷ, τοῦ στῆναι ἐνώπιον αὐτοῦ· καὶ ἔῤῥιψεν αὐτὸν ἐπὶ τὴν γῆν, καὶ συνεπάτησεν αὐτόν, καὶ οὐκ ἦν ὁ ἐξαιρούμενος τὸν κριὸν ἐκ χειρὸς αὐτοῦ.
7Ik zag, hoe hij den ram bereikte, woedend hem aanviel, den ram maar bleef stoten en hem zijn beide horens brak, zodat de ram geen kracht meer bezat, om hem weerstand te bieden. Toen smeet hij hem tegen de grond en trapte er op; en er was niemand, die den ram uit zijn greep kon verlossen.
8Καὶ ὁ τράγος τῶν αἰγῶν ἐμεγαλύνθη ἕως σφόδρα· καὶ ἐν τῷ ἰσχῦσαι αὐτὸν, συνετρίβη τὸ κέρας αὐτοῦ τὸ μέγα· καὶ ἀνέβη ἕτερα τέσσαρα ὑποκάτω αὐτοῦ εἰς τοὺς τέσσαρας ἀνέμους τοῦ οὐρανοῦ.
8Nu werd die geitebok hoe langer hoe sterker; maar op het toppunt van zijn macht brak de grote horen af. Vier andere kwamen in zijn plaats, naar de vier hemelwinden gericht.
9Καὶ ἐκ τοῦ ἑνὸς αὐτῶν ἐξῆλθε κέρας ἓν ἰσχυρόν, καὶ ἐμεγαλύνθη περισσῶς πρὸς τὸν Νότον, καὶ πρὸς τὴν δύναμιν,
9En uit een van die vier kwam een hoorn te voorschijn, die klein begon, maar geweldig groeide naar het zuiden en oosten en het Heerlijke Land.
10καὶ ἐμεγαλύνθη ἕως τῆς δυνάμεως τοῦ οὐρανοῦ· καὶ ἔπεσεν ἐπὶ τὴν γῆν ἀπὸ τῆς δυνάμεως τοῦ οὐρανοῦ καὶ ἀπὸ τῶν ἄστρων, καὶ συνεπάτησαν αὐτά.
10Hij verhief zich tegen het hemels heir, smeet een deel van het heir met een deel van de sterren tegen de grond, en trapte er op.
11Καὶ ἕως οὗ ὁ ἀρχιστράτηγος ῥύσηται τὴν αἰχμαλωσίαν, καὶ διʼ αὐτὸν θυσία ἐταράχθη, καὶ κατευωδώθη αὐτῷ· καὶ τὸ ἅγιον ἐρημωθήσεται.
11Hij verhief zich zelfs tegen den Vorst van het heir, beroofde Hem van zijn dagelijks offer, en vernederde zijn heilige woning.
12Καὶ ἐδόθη ἐπὶ τὴν θυσίαν ἁμαρτία, καὶ ἐῤῥρίφη χαμαὶ ἡ δικαιοσύνη· καὶ ἐποίησε, καὶ εὐωδώθη.
12En het heir werd aan de goddeloosheid prijsgegeven, tegelijk met het offer, en de waarheid tegen de grond geworpen; hij deed wat hij wilde.
13Καὶ ἤκουσα ἑνὸς ἁγίου λαλοῦντος· καὶ εἶπεν εἷς ἅγιος τῷ φελμουνὶ τῷ λαλοῦντι, ἕως πότε ἡ ὅρασις στήσεται, ἡ θυσία ἡ ἀρθεῖσα, καὶ ἡ ἁμαρτία ἐρημώσεως ἡ δοθεῖσα, καὶ τὸ ἅγιον καὶ ἡ δύναμις συμπατηθήσεται;
13Toen hoorde ik een heilige spreken, en die heilige vroeg aan een andere: Hoelang blijft dit visioen nog van kracht? Hoelang wordt het dagelijks offer gestaakt, blijft de gruwel der verwoesting duren, wordt heiligdom en heir vertreden?
14Καὶ εἶπεν αὐτῷ, ἕως ἑσπέρας καὶ πρωῒ ἡμέραι δισχίλιαι καὶ τετρακόσιαι, καὶ καθαρισθήσεται τὸ ἅγιον.
14En hij gaf hem ten antwoord: Tweeduizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom worden gereinigd.
15Καὶ ἐγένετο ἐν τῷ ἰδεῖν με, ἐγὼ Δανιὴλ, τὴν ὅρασιν, καὶ ἐζήτουν σύνεσιν, καὶ ἰδοὺ ἔστη ἐνώπιον ἐμοῦ ὡς ὅρασις ἀνδρός.
15Toen ik, Daniël, het visioen had aanschouwd, en het zocht te begrijpen, zie: daar stond iemand in mijn nabijheid, die de gedaante had van een man.
16Καὶ ἤκουσα φωνὴν ἀνδρὸς ἀναμέσον τοῦ Οὐβὰλ, καὶ ἐκάλεσε, καὶ εἶπε, Γαβριὴλ συνέτισον ἐκεῖνον τὴν ὅρασιν.
16En ik hoorde een mensenstem uit de Oelai roepen: Gabriël, geef hem verklaring van het visioen.
17Καὶ ἦλθε, καὶ ἔστη ἐχόμενος τῆς στάσεώς μου· καὶ ἐν τῷ ἐλθεῖν αὐτὸν ἐθαμβήθην, καὶ πίπτω ἐπὶ πρόσωπόν μου· καὶ εἶπε πρὸς μὲ, σύνες υἱὲ ἀνθρώπου· ἔτι γὰρ εἰς καιροῦ πέρας ἡ ὅρασις·
17Hij kwam naar de plaats waar ik stond; maar toen hij naderde, werd ik bang, en viel op mijn aangezicht neer. Hij zeide tot mij: Let goed op, mensenkind; want het visioen doelt op de tijd van het einde.
18Καὶ ἐν τῷ λαλεῖν αὐτὸν μετʼ ἐμοῦ, πίπτω ἐπὶ πρόσωπόν μου ἐπὶ τὴν γῆν, καὶ ἥψατό μου, καὶ ἔστησέ με ἐπὶ πόδας,
18Maar toen hij mij aansprak, viel ik in zwijm met het gezicht op de grond. Doch hij raakte mij aan, en richtte mij weer overeind.
19καὶ εἶπεν, ἰδοὺ ἐγὼ γνωρίζω σοι τὰ ἐσόμενα ἐπʼ ἐσχάτων τῆς ὀργῆς· ἔτι γὰρ εἰς καιροῦ πέρας ἡ ὅρασις.
19En hij sprak: Zie, ik maak u bekend, wat zal gebeuren in de eindtijd van gramschap; want het visioen doelt op de tijd van het einde.
20Ὁ κριὸς ὃν εἶδες, ὁ ἔχων τὰ κέρατα, βασιλεὺς Μήδων καὶ Περσῶν.
20De ram met de twee horens, dien gij gezien hebt, doelt op de koningen der Meden en Perzen.
21Ὁ τράγος τῶν αἰγῶν, βασιλεὺς Ἑλλήνων· καὶ τὸ κέρας τὸ μέγα ὃ ἦν ἀναμέσον τῶν ὀφθαλμῶν αὐτοῦ, αὐτός ἐστιν ὁ βασιλεὺς ὁ πρῶτος.
21De geitebok beduidt de koningen der Grieken; en de grote horen tussen zijn ogen is de eerste koning.
22Καὶ τοῦ συντριβέντος οὗ ἔστησαν τέσσαρα κέρατα ὑποκάτω, τέσσαρες βασιλεῖς ἐκ τοῦ ἔθνους αὐτοῦ ἀναστήσονται, καὶ οὐκ ἐν τῇ ἰσχύϊ αὐτῶν.
22En dat hij afbrak, en vier anderen in zijn plaats verschenen, betekent: vier koninkrijken zullen uit zijn volk verrijzen, maar zonder zijn kracht.
23Καὶ ἐπʼ ἐσχάτων τῆς βασιλείας αὐτῶν, πληρουμένων τῶν ἁμαρτιῶν αὐτῶν, ἀναστήσεται βασιλεὺς ἀναιδὴς προσώπῳ, καὶ συνιῶν προβλήματα·
23Maar als hun heerschappij ten einde zal zijn, en de maat der misdaden vol: zal een koning opstaan met onbeschaamdheid op zijn gelaat, bedreven in listen,
24καὶ κραταιὰ ἡ ἰσχὺς αὐτοῦ, καὶ θαυμαστὰ διαφθερεῖ, καὶ κατευθυνεῖ, καὶ ποιήσει, καὶ διαφθερεῖ ἰσχυροὺς, καὶ λαὸν ἅγιον.
24en geweldig in kracht. Ongelooflijk kwaad zal hij stichten, en doen wat hij wil. Machtigen zal hij te gronde richten, het volk der heiligen eveneens.
25Καὶ ζυγὸς τοῦ κλοιοῦ αὐτοῦ κατευθυνεῖ, δόλος ἐν τῇ χειρὶ αὐτοῦ, καὶ ἐν καρδίᾳ αὐτοῦ μεγαλυνθήσεται, καὶ δόλῳ διαφθερεῖ πολλοὺς, καὶ ἐπὶ ἀπωλείας πολλῶν στήσεται· καὶ ὡς ὠὰ χειρὶ συντρίψει.
25Zijn sluwheid zal hem doen slagen, met het bedrog dat hij pleegt; dan wordt hij trots in zijn hart, en stort hij velen onverhoeds in het verderf. Zelfs tegen den Vorst der vorsten zal hij opstaan; maar hij zal worden gebroken, zonder dat men een hand naar hem uitsteekt.
26Καὶ ἡ ὅρασις τῆς ἑσπέρας καὶ τῆς πρωΐας τῆς ῥηθείσης ἀληθῶς ἐστι· καὶ σὺ σφράγισον τὴν ὅρασιν, ὅτι εἰς ἡμέρας πολλάς.
26En het visioen van de avonden en morgens is waarachtig, zoals het gezegd is. Maar gij moet het visioen verzegelen; want het wordt eerst na vele dagen vervuld.
27Καὶ ἐγὼ Δανιὴλ ἐκοιμήθην, καὶ ἐμαλακίσθην, καὶ ἀνέστην, καὶ ἐποίουν τὰ ἔργα τοῦ βασιλέως, καὶ ἐθαύμαζον τὴν ὅρασιν, καὶ οὐκ ἦν ὁ συνιῶν.
27Ik Daniël was aan het eind van mijn krachten, en dagen lang ziek. Toen eerst kon ik opstaan, en weer dienst bij den koning verrichten. Maar ik bleef onthutst over het visioen, ofschoon niemand het merkte.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.