ΔΑΝΙΗΛ (Ελληνικά)
Chapter 7

ΔΑΝΙΗΛ (Ελληνικά)

Septuagint (Brenton Gree…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΔΑΝΙΗΛ (Ελληνικά) 7

Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ἐν ἔτει τρώτῳ τῷ Βαλτάσαρ βασιλέως Χαλδαίων, Δανιὴλ ἐνύπνιον εἶδε, καὶ αἱ ὁράσεις τῆς κεφαλῆς αὐτοῦ ἐπὶ τῆς κοίτης αὐτοῦ· καὶ τὸ ἐνύπνιον αὐτοῦ ἔγραψεν.
1In het eerste jaar van Belsjassar, koning van Babel, had Daniël op zijn legerstede een droom met visioenen. Hij schreef de droom in hoofdzaken op.
2Ἐγὼ Δανιὴλ ἐθεώρουν· καὶ ἰδοὺ οἱ τέσσαρες ἄνεμοι τοῦ οὐρανοῦ προσέβαλον εἰς τὴν θάλασσαν τὴν μεγάλην·
2Daniël nam het woord en sprak: Ik zag in mijn nachtelijk visioen: Zie, de vier winden van de hemel brachten de grote zee in beroering;
3Καὶ τέσσαρα θηρία μεγάλα ἀνέβαινον ἐκ τῆς θαλάσσης, διαφέροντα ἀλλήλων.
3en vier geweldige beesten, allen verschillend, stegen op uit de zee.
4Τὸ πρῶτον ὡσεὶ λέαινα, καὶ πτερὰ αὐτῆς ὡς ἀετοῦ· ἐθεώρουν ἕως οὗ ἐξετίλη τὰ πτερὰ αὐτῆς· καὶ ἐξῄρθη ἀπὸ τῆς γῆς, καὶ ἐπὶ ποδῶν ἀνθρώπου ἐστάθη, καὶ καρδία ἀνθρώπου ἐδόθη αὐτῇ.
4Het eerste was als een leeuw, maar met adelaarsvleugels. Maar terwijl ik er naar keek, werden zijn vleugels uitgetrokken; het werd opgeraapt van de grond, op zijn poten gezet als een mens, en van een mensenhart voorzien.
5Καὶ ἰδοὺ θηρίον δεύτερον ὅμοιον ἄρκτῳ, καὶ εἰς μέρος ἓν ἐστάθη, καὶ τρεῖς πλευραὶ ἐν τῷ στόματι αὐτῆς, ἀναμέσον τῶν ὀδόντων αὐτῆς· καὶ οὕτως ἔλεγον αὐτῇ, ἀνάστηθι, φάγε σάρκας πολλάς.
5Een tweede beest kwam te voorschijn: het leek op een beer, stond half overeind, en hield in zijn muil drie ribben tussen de tanden. Men riep het toe: Op, verslind veel vlees.
6Ὀπίσω τούτου ἐθεώρουν, καὶ ἰδοὺ θηρίον ἕτερον ὡσεὶ παρδάλις· καὶ αὐτῇ πτερὰ τέσσαρα πετεινοῦ ὑπεράνω αὐτῆς, καὶ τέσσαρες κεφαλαὶ τῷ θηρίῳ, καὶ ἐξουσία ἐδόθη αὐτῇ.
6Nog bleef ik toezien. Een ander beest kwam te voorschijn: het beest was als een panter; maar het had vier vogelvleugels op zijn rug, en het had vier koppen bovendien. Het kreeg macht.
7Ὀπίσω τούτου ἐθεώρουν, καὶ ἰδοὺ θηρίον τέταρτον φοβερὸν καὶ ἔκθαμβον, καὶ ἰσχυρὸν περισσῶς, καὶ οἱ ὀδόντες αὐτοῦ σιδηροῖ, ἐσθίον, καὶ λεπτύνον, καὶ τὰ ἐπίλοιπα τοῖς ποσὶν αὐτοῦ συνεπάτει, καὶ αὐτὸ διάφορον περισσῶς παρὰ πάντα τὰ θηρία τὰ ἔμπροσθεν αὐτοῦ· καὶ κέρατα δέκα αὐτῷ.
7Nog bleef ik staren op mijn nachtelijk visioen. Een vierde beest kwam te voorschijn. Het was ontstellend en vreselijk, en ongehoord sterk. Het had geweldige ijzeren tanden, en klauwen van koper; het vrat en verscheurde, en wat het overliet, vertrapte het nog met zijn poten. Het verschilde veel van al de voorafgaande beesten: want het had tien horens.
8Προσενόουν τοῖς κέρασιν αὐτοῦ, καὶ ἰδοὺ κέρας ἕτερον μικρὸν ἀνέβη ἐν μέσῳ αὐτῶν, καὶ τρία κέρατα τῶν ἔμπροσθεν αὐτοῦ ἐξεῤῥιζώθη ἀπὸ προσώπου αὐτοῦ· καὶ ἰδοὺ ὀφθαλμοὶ, ὡσεὶ ὀφθαλμοὶ ἀνθρώπου ἐν τῷ κέρατι τούτῳ, καὶ στόμα λαλοῦν μεγάλα.
8Terwijl ik naar die horens keek, zie: daar schoot nog een andere horen tussen hen op; hij was klein, maar verdrong toch drie van de vorige horens. Zie, die horen had ogen als die van een mens. maar ook een mond vol onbeschaamdheid.
9Ἐθεώρουν ἕως ὅτου οἱ θρόνοι ἐτέθησαν, καὶ παλαιὸς ἡμερῶν ἐκάθητο, καὶ τὸ ἔνδυμα αὐτοῦ λευκὸν ὡσεὶ χιὼν, καὶ ἡ θρὶξ τῆς κεφαλῆς αὐτοῦ ὡσεὶ ἔριον καθαρόν, ὁ θρόνος αὐτοῦ φλὸξ πυρός, οἱ τροχοὶ αὐτοῦ πῦρ φλέγον.
9Ik zag toe: Toen werden er tronen geplaatst, en een Hoogbejaarde zette zich neer; zijn kleed was wit als sneeuw, zijn hoofdhaar blank als wol. Zijn troon gloeide als vlammen, de raderen ervan als laaiend vuur.
10Ποταμὸς πυρὸς εἷλκεν ἔμπροσθεν αὐτοῦ· χίλιαι χιλιάδες ἐλειτούργουν αὐτῷ, καὶ μύριαι μυριάδες παρειστήκεισαν αὐτῷ· κριτήριον ἐκάθισε, καὶ βίβλοι ἠνεῴχθησαν.
10Een stroom van vuur rolde aan, en golfde voor Hem uit. Duizendmaal duizenden dienden Hem, en tienduizendmaal tienduizenden waren Hem dienstbaar. Het gerechtshof zette zich neer, en de boeken werden geopend.
11Ἐθεώρουν τότε ἀπὸ φωνῆς τῶν λόγων τῶν μεγάλων, ὧν τὸ κέρας ἐκεῖνο ἐλάλει, ἕως ἀνῃρέθη τὸ θηρίον, καὶ ἀπώλετο, καὶ τὸ σῶμα αὐτοῦ ἐδόθη εἰς καῦσιν πυρός.
11En terwijl ik bleef letten op de onbeschaamde taal, die door de horen werd uitgeslagen, zag ik, dat het beest werd gedood, en zijn lijk werd weggesmeten en in de vlammen gegooid.
12Καὶ τῶν λοιπῶν θηρίων μετεστάθη ἡ ἀρχὴ, καὶ μακρότης ζωῆς ἐδόθη αὐτοῖς ἕως καιροῦ καὶ καιροῦ.
12En ook de overige beesten werden beroofd van hun macht, ofschoon hun een levensduur voor tijd en wijle was geschonken.
13Ἐθεώρουν ἐν ὁράματι τῆς νυκτός, καὶ ἰδοὺ μετὰ τῶν νεφελῶν τοῦ οὐρανοῦ, ὡς υἱὸς ἀνθρώπου ἐρχόμενος, καὶ ἕως τοῦ παλαιοῦ τῶν ἡμερῶν ἔφθασε, καὶ προσηνέχθη αὐτῷ.
13Ik bleef staren op het nachtelijk visioen: En zie, met de wolken des hemels kwam iemand als een mensenzoon. Hij trad tot voor den Hoogbejaarde, en werd vóór Hem geleid.
14Καὶ αὐτῷ ἐδόθη ἡ ἀρχὴ καὶ ἡ τιμὴ καὶ ἡ βασιλεία, καὶ πάντες οἱ λαοὶ, φυλαὶ, καὶ γλῶσσαι αὐτῷ δουλεύσουσιν· ἡ ἐξουσία αὐτοῦ, ἐξουσία αἰώνιος, ἥτις οὐ παρελεύσεται, καὶ ἡ βασιλεία αὐτοῦ οὐ διαφθαρήσεται.
14Hem werd de heerschappij gegeven, met heerlijkheid en koningschap; alle volken, naties en tongen moesten Hem dienen. Zijn macht is een eeuwige macht, die nooit zal vergaan; en zijn koninkrijk is een rijk, dat nooit wordt verwoest.
15Ἔφριξε τὸ πνεῦμά μου ἐν τῇ ἕξει μου, ἐγὼ Δανιὴλ, καὶ αἱ ὁράσεις τῆς κεφαλῆς μου ἐτάρασσόν με.
15Toen werd ik, Daniël, hierdoor in mijn geest verontrust, en de visioenen joegen mij angst aan.
16Καὶ προσῆλθον ἑνὶ τῶν ἑστηκότων, καὶ τὴν ἀκρίβειαν ἐζήτουν παρʼ αὐτοῦ μαθεῖν περὶ πάντων τούτων· καὶ εἶπέ μοι τὴν ἀκρίβειαν, καὶ τὴν σύγκρισιν τῶν λόγων ἐγνώρισέ μοι.
16Ik trad op een van de aanwezigen toe, en vroeg hem, wat dit alles beduidde. Hij sprak mij toe, en gaf mij deze uitleg:
17Ταῦτα τὰ θηρία τὰ τέσσαρα, τέσσαρες βασιλεῖαι ἀναστήσονται ἐπὶ τῆς γῆς, αἳ ἀρθήσονται·
17Deze vier geweldige beesten zijn vier koningen, die zullen opstaan uit de aarde.
18καὶ παραλήψονται τὴν βασιλείαν ἅγιοι ὑψίστου, καὶ καθέξουσιν αὐτὴν ἕως αἰῶνος τῶν αἰώνων.
18Maar dàn zullen de heiligen van den Allerhoogste het koningschap ontvangen, en dit koningschap voor eeuwig behouden, voor altijd en immer!
19Καὶ ἐζήτουν ἀκριβῶς περὶ τοῦ θηοίου τοῦ τετάρτου· ὃτι ἦν διαφέρον παρὰ πᾶν θηρίον, φοβερὸν περισσῶς, οἱ ὀδόντες αὐτοῦ σιδηροῖ, καὶ ὄνυχες αὐτοῦ χαλκοῖ, ἐσθίον, καὶ λεπτῦνον, καὶ τὰ ἐπίλοιπα τοῖς ποσὶν αὐτοῦ συνεπάτει·
19Maar ik wilde vooral zekerheid hebben over het vierde beest, dat van alle andere verschilde: dat zo ontstellend en vreselijk was, dat ijzeren tanden had en klauwen van koper, dat vrat en verscheurde, en wat het overliet nog met zijn poten vertrapte.
20Καὶ περὶ τῶν κεράτων αὐτοῦ τῶν δέκα τῶν ἐν τῇ κεφαλῇ αὐτοῦ, καὶ τοῦ ἐτέρου τοῦ ἀναβάντος, καὶ ἐκτινάξαντος τῶν πρώτων, ᾧ οἱ ὀφθαλμοὶ καὶ στόμα λαλοῦν μεγάλα, καὶ ἡ ὅρασις αὐτοῦ μείζων τῶν λοιπῶν.
20Ook over de tien horens op zijn kop. En over die andere horen, die opschoot, en waarvoor er drie moesten wijken; over die horen, die ogen had en een mond vol onbeschaamdheid; die geweldiger was dan de andere.
21Ἐθεώρουν, καὶ τὸ κέρας ἐκεῖνο ἐποίει πόλεμον μετὰ τῶν ἁγίων, καὶ ἴσχυσε πρὸς αὐτοὺς,
21Want ik had gezien, dat die horen strijd voerde met de heiligen en de overhand op hen had,
22ἕως οὗ ἦλθεν ὁ παλαιὸς ἡμερῶν, καὶ τὸ κρίμα ἔδωκεν ἁγίοις ὑψίστου· καὶ ὁ καιρὸς ἔφθασε, καὶ τὴν βασιλείαν κατέσχον οἱ ἅγιοι.
22totdat de Hoogbejaarde kwam en aan de heiligen van den Allerhoogste recht verschafte, en totdat de tijd was aangebroken, waarop de heiligen het koningschap blijvend behielden.
23Καὶ εἶπε, τὸ θηρίον τὸ τέταρτον, βασιλεία τετάρτη ἔσται ἐν τῇ γῇ, ἥτις ὑπερέξει πάσας τὰς βασιλείας, καὶ καταφάγεται πᾶσαν τὴν γῆν, καὶ συμπατήσει αὐτὴν καὶ κατακόψει.
23Zo sprak hij: Het vierde beest is een vierde rijk, dat op aarde zal zijn, en verschillen zal van alle andere rijken. Het zal de hele aarde verslinden, haar vertrappen, verscheuren.
24Καὶ τὰ δέκα κέρατα αὐτοῦ, δέκα βασιλεῖς ἀναστήσονται, καὶ ὀπίσω αὐτῶν ἀναστήσεται ἕτερος, ὃς ὑπεροίσει κακοῖς πάντας τοὺς ἔμπροσθεν, καὶ τρεῖς βασιλεῖς ταπεινώσει,
24De tien horens zijn tien koningen, die uit dat rijk zullen opstaan. Maar na hen zal er een andere opstaan, die van de vorige zal verschillen. Drie koningen zal hij doen vallen,
25καὶ λόγους πρὸς τὸν ὕψιστον λαλήσει, καὶ τοὺς ἁγίους ὑψίστου παλαιώσει, καὶ ὑπονοήσει τοῦ ἀλλοιῶσαι καιροὺς καὶ νόμον, καὶ δοθήσεται ἐν χειρὶ αὐτοῦ ἕως καιροῦ καὶ καιρῶν καί γε ἥμισυ καιροῦ.
25en een hoge toon tegen den Allerhoogste aanslaan. Hij zal de heiligen van den Allerhoogste mishandelen, en zich vermeten, feesttijden en wet te veranderen. Zij zullen aan zijn greep worden overgeleverd: één tijd en tijden en een halve tijd.
26Καὶ τὸ κριτήριον ἐκάθισε, καὶ τὴν ἀρχὴν μεταστήσουσι τοῦ ἀφανίσαι, καὶ τοῦ ἀπολέσαι ἕως τέλους.
26Maar als het gerechtshof zich nederzet, zal men hem zijn macht ontnemen, die verwoesten en voor altijd vernielen.
27Καὶ ἡ βασιλεία καὶ ἡ ἐξουσία καὶ ἡ μεγαλωσύνη τῶν βασιλέων τῶν ὑποκάτω παντὸς τοῦ οὐρανοῦ, ἐδόθη ἁγίοις ὑψίστου· καὶ ἡ βασιλεία αὐτοῦ, βασιλεία αἰώνιος, καὶ πᾶσαι αἱ ἀρχαὶ αὐτῷ δουλεύσουσι καὶ ὑπακούσονται. Ἕως ὧδε τὸ πέρας τοῦ λόγου·
27Maar de heerschappij, het gezag en de macht over de koninkrijken onder de ganse hemel zal gegeven worden aan het volk, aan de heiligen van den Allerhoogste. Hun rijk zal een rijk zijn voor eeuwig, en alle machten zullen hen in gehoorzaamheid dienen.
28ἐγὼ Δανιήλ, οἱ διαλογισμοί μου ἐπὶ πολὺ συνετάρασσόν με, καὶ ἡ μορφή μου ἠλλοιώθη, καὶ τὸ ῥῆμα ἐν τῇ καρδίᾳ μου διετήρησα.
28Dit was het einde van het gezicht. Ik, Daniël, werd er in mijn geest zozeer van ontsteld, dat mijn kleur er van verschoot. Toch bewaarde ik het in mijn hart.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.