ΔΑΝΙΗΛ (Ελληνικά) 5
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)Original language
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Βαλτάσαρ ὁ βασιλεὺς ἐποίησε δεῖπνον μέγα τοῖς μεγιστᾶσιν αὐτοῦ χιλίοις, καὶ κατέναντι τῶν χιλίων ὁ οἶνος,
1Koning Belsjassar richtte eens een groot feestmaal aan voor duizend man van zijn hof. Toen Belsjassar ten aanschouwen van die duizend man zich aan de wijn had bedronken,
2καὶ πίνων Βαλτάσαρ εἶπεν ἐν τῇ γεύσει τοῦ οἴνου, τοῦ ἐνεγκεῖν τὰ σκεύη τὰ χρυσᾶ καὶ τὰ ἀργυρᾶ, ἃ ἐξήνεγκε Ναβουχοδονόσορ ὁ πατὴρ αὐτοῦ ἐκ τοῦ ναοῦ τοῦ ἐν Ἰερουσαλὴμ, καὶ πιέτωσαν ἐν αὐτοῖς ὁ βασιλεὺς, καὶ οἱ μεγιστᾶνες αὐτοῦ, καὶ αἱ παλλακαὶ αὐτοῦ, καὶ αἱ παράκοιτοι αὐτοῦ.
2beval hij in zijn roes, de gouden en zilveren vaten te halen, die zijn vader Nabukodonosor uit de tempel van Jerusalem had weggenomen, daar de koning met zijn hof, zijn vrouwen en bijvrouwen, daaruit wilde drinken.
3Καὶ ἠνέχθησαν τὰ σκεύη τὰ χρυσᾶ καὶ τὰ ἀργυρᾶ, ἃ ἐξήνεγκεν ἐκ τοῦ ναοῦ τοῦ Θεοῦ τοῦ ἐν Ἰερουσαλὴμ, καὶ ἔπινον ἐν αὐτοῖς ὁ βασιλεὺς, καὶ οἱ μεγιστᾶνες αὐτοῦ, καὶ αἱ παλλακαὶ αὐτοῦ, καὶ αἱ παράκοιτοι αὐτοῦ.
3Men bracht dus de gouden en zilveren tempelvaten, die uit het huis van God in Jerusalem waren weggeroofd; en de koning met zijn hof, zijn vrouwen en bijvrouwen, dronken eruit.
4Ἔπινον οἶνον· καὶ ᾔνεσαν τοὺς θεοὺς τοὺς χρυσοῦς, καὶ ἀργυροῦς, καὶ χαλκοῦς, καὶ σιδηροῦς, καὶ ξυλίνους, καὶ λιθίνους.
4En onder het drinken van de wijn verheerlijkten ze hun goden van goud en zilver, koper en ijzer, hout en steen.
5Ἐν αὐτῇ τῇ ὥρᾳ ἐξῆλθον δάκτυλοι χειρὸς ἀνθρώπου, καὶ ἔγραφον κατέναντι τῆς λαμπάδος ἐπὶ τὸ κονίαμα τοῦ τοίχου τοῦ οἴκου τοῦ βασιλέως, καὶ ὁ βασιλεὺς ἐθεώρει τοὺς ἀστραγάλους τῆς χειρὸς τῆς γραφούσης.
5Maar eensklaps kwamen er vingers van een mensenhand te voorschijn, en schreven iets op de gepleisterde muur van het koninklijk paleis, juist tegenover de lichtkroon, zodat de koning de schrijvende hand kon zien.
6Τότε τοῦ βασιλέως ἡ μορφὴ ἠλλοιώθη, καὶ οἱ διαλογισμοὶ αὐτοῦ συνετάρασσον αὐτὸν, καὶ οἱ σύνδεσμοι τῆς ὀσφύος αὐτοῦ διελύοντο, καὶ τὰ γόνατα αὐτοῦ συνεκροτοῦντο.
6De koning verschoot van kleur en raakte helemaal onthutst; zijn lendespieren verslapten en zijn knieën knikten tegen elkander.
7Καὶ ἐβόησεν ὁ βασιλεὺς ἐν ἰσχύϊ, τοῦ εἰσαγαγεῖν μάγους, Χαλδαίους, γαζαρηνούς· καὶ εἶπε τοῖς σοφοῖς Βαβυλῶνος, ὃς ἂν ἀναγνῷ τὴν γραφὴν ταύτην, καὶ τὴν σύγκρισιν γνωρίσῃ μοι, πορφύραν ἐνδύσεται, καὶ ὁ μανιάκης ὁ χρυσοῦς ἐπὶ τὸν τράχηλον αὐτοῦ, καὶ τρίτος ἐν τῇ βασιλείᾳ μου ἄρξει.
7En de koning gilde het uit, dat men de waarzeggers, magiërs en sterrenwichelaars zou gaan halen, en dat men hun uit naam van den koning moest zeggen: Wie dit schrift lezen kan, en mij er de uitleg van geeft, zal met purper worden bekleed, met een gouden keten om zijn hals, en de derde heerser zijn in het rijk.
8Καὶ εἰσεπορεύοντο πάντες οἱ σοφοὶ τοῦ βασιλέως, καὶ οὐκ ἠδύναντο τὴν γραφὴν ἀναγνῶναι, οὐδὲ τὴν σύγκρισιν γνωρίσαι τῷ βασιλεῖ.
8Maar ofschoon alle wijzen des konings verschenen, konden ze toch het schrift niet lezen, en den koning er geen uitleg van geven.
9Καὶ ὁ βασιλεὺς Βαλτάσαρ ἐταράχθη, καὶ ἡ μορφὴ αὐτοῦ ἠλλοιώθη ἐν αὐτῷ, καὶ οἱ μεγιστᾶνες αὐτοῦ συνεταράσσοντο.
9Koning Belsjassar werd bleek van angst en ontzetting, en ook zijn hof was ontsteld.
10Καὶ εἰσῆλθεν ἡ βασίλισσα εἰς τὸν οἶκον τοῦ πότου, καὶ εἶπε, βασιλεῦ, εἰς τὸν αἰῶνα ζῆθι· μὴ ταρασσέτωσάν σε οἱ διαλογισμοί σου, καὶ ἡ μορφή σου μὴ ἀλλοιούσθω.
10Op het gillen van koning en hof kwam de koningin de feestzaal binnen. En de koningin sprak: De koning leve voor eeuwig! Laat uw gedachten u niet verontrusten, en uw kleur niet verschieten.
11Ἔστιν ἀνὴρ ἐν τῇ βασιλείᾳ σου, ἐν ᾧ πνεῦμα Θωοῦ· καὶ ἐν ταῖς ἡμέραις τοῦ πατρός σου, γρηγόρησις καὶ σύνεσις εὑρέθη ἐν αὐτῷ, καὶ ὁ βασιλεὺς Ναβουχοδονόσορ ὁ πατήρ σου ἄρχοντα ἐπαοιδῶν, μάγων, Χαλδαίων, γαζαρηνῶν, κατέστησεν αὐτὸν,
11Er is een man in uw rijk, die met de geest der heilige goden vervuld is, en in wien in de dagen van uw vader inzicht, scherpzinnigheid en haast goddelijke wijsheid werden gevonden. Koning Nabukodonosor, uw vader, heeft hem tot leider der zieners, waarzeggers, magiërs en sterrenwichelaars aangesteld;
12ὅτι πνεῦμα περισσὸν ἐν αὐτῷ, καὶ φρόνησις καὶ σύνεσις ἐν αὐτῷ, συγκρίνων ἐνύπνια, καὶ ἀναγγέλλων κρατούμενα, καὶ λύων συνδέσμους, Δανιήλ· καὶ ὁ βασιλεὺς ἐπέθηκεν ὄνομα αὐτῷ, Βαλτάσαρ· νῦν οὖν κληθήτω, καὶ τὴν σύγκρισιν αὐτοῦ ἀναγγελεῖ σοι.
12want de koning, uw vader, had in Daniël, dien de koning Beltsjassar genoemd had, een buitengewone geest gevonden, met kennis en inzicht in het verklaren van dromen, het oplossen van raadsels en het ontwarren van knopen. Laat dus Daniël ontbieden, en hij zal u de uitleg geven.
13Τότε Δανιὴλ εἰσήχθη ἐνώπιον τοῦ βασιλέως· καὶ εἶπεν ὁ βασιλεὺς τῷ Δανιὴλ, σὺ εἶ Δανιὴλ, ὁ ἀπὸ τῶν υἱῶν τῆς αἰχμαλωσίας τῆς Ἰουδαίας, ἧς ἤγαγεν ὁ βασιλεὺς ὁ πατήρ μου;
13Toen dan Daniël voor den koning gebracht was, sprak de koning tot Daniël: Gij zijt dus Daniël, die tot de joodse ballingen behoort, welke mijn koninklijke vader uit Juda heeft overgebracht?
14Ἤκουσα περὶ σοῦ ὅτι πνεῦμα Θεοῦ ἐν σοί, καὶ γρηγόρησις, καὶ σύνεσις, καὶ σοφία περισσὴ εὑρέθη ἐν σοί.
14Ik heb van u gehoord, dat de geest der goden op u rust, en dat er inzicht, scherpzinnigheid en buitengewone wijsheid in u worden gevonden.
15Καὶ νῦν εἰσῆλθον ἐνώπιόν μου οἱ σοφοὶ, μάγοι, γαζαρηνοὶ, ἵνα τὴν γραφὴν ταύτην ἀναγνῶσι, καὶ τὴν σύγκρισιν γνωρίσωσί μοι, καὶ οὐκ ἠδυνήθησαν ἀναγγεῖλαί μοι.
15Zo juist zijn de wijzen en waarzeggers voor mij gebracht, om dit schrift te lezen, en mij er de uitleg van te geven, maar ze konden de zaak niet verklaren.
16Καὶ ἐγὼ ἤκουσα περὶ σοῦ, ὅτι δύνασαι κρίματα συγκρῖναι· νῦν οὖν ἐὰν δυνηθῇς τὴν γραφὴν ἀναγνῶναι, καὶ τὴν σύγκρισιν αὐτῆς γνωρίσαι μοι, πορφύραν ἐνδύσῃ, καὶ ὁ μανιάκης ὁ χρυσοῦς ἔσται ἐπὶ τῷ τραχήλῳ σου, καὶ τρίτος ἐν τῇ βασιλείᾳ μου ἄρξεις.
16Maar ik heb van u gehoord, dat gij raadsels kunt oplossen en knopen ontwarren. Welnu, zo gij in staat zijt, het schrift te lezen, en mij er de uitleg van geeft, zult ge met purper worden bekleed, met een gouden keten om uw hals, en zult ge de derde heerser zijn in het rijk.
17Καὶ εἶπε Δανιὴλ ἐνώπιον τοῦ βασιλέως, τὰ δόματά σου σοὶ ἔστω, καὶ τὴν δωρεὰν τῆς οἰκίας σου ἑτέρῳ δὸς, ἐγὼ δὲ τὴν γραφὴν ἀναγνώσομαι, καὶ τὴν σύγκρισιν αὐτῆς γνωρίσω σοι,
17Toen nam Daniël het woord, en sprak tot den koning: Houd uw geschenken, en geef uw gaven aan anderen. Ik zal zó wel het schrift voor den koning gaan lezen, en hem er de uitleg van geven.
18βασιλεῦ· ὁ Θεὸς ὁ ὕψιστος τὴν βασιλείαν, καὶ τὴν μεγαλωσύνην, καὶ τὴν τιμὴν, καὶ τὴν δόξαν ἔδωκε Ναβουχοδονόσορ τῷ πατρί σου·
18De allerhoogste God, o koning, had uw vader Nabukodonosor koningschap en majesteit, glorie en luister verleend.
19Καὶ ἀπὸ τῆς μεγαλωσύνης ἧς ἔδωκεν αὐτῷ πάντες οἱ λαοὶ, φυλαὶ, γλῶσσαι ἦσαν τρέμοντες καὶ φοβούμενοι ἀπὸ προσώπου αὐτοῦ· οὓς ἠβούλετο αὐτὸς ἀνῄρει, καὶ οὓς ἠβούλετο αὐτὸς ἔτυπτε, καὶ οὓς ἠβούλετο αὐτὸς ὕψου, καὶ οὓς ἠβούλετο αὐτὸς ἐταπείνου.
19Voor de majesteit, die Hij hem gaf, beefden en sidderden alle volken, naties en tongen: wien hij wilde kon hij doden, en wien hij wilde schonk hij het leven; wien hij wilde hief hij omhoog, en wien hij wilde kon hij vernederen.
20Καὶ ὅτε ὑψώθη ἡ καρδία αὐτοῦ, καὶ τὸ πνεῦμα αὐτοῦ ἐκραταιώθη τοῦ ὑπερηφανεύσασθαι, κατηνέχθη ἀπὸ τοῦ θρόνου τῆς βασιλείας, καὶ ἡ τιμὴ ἀφῃρέθη ἀπʼ αὐτοῦ,
20Maar toen zijn hart zich opblies van trots, en zijn geest zich tot hoogmoed verstompte, werd hij verdreven van den troon van zijn rijk, en van zijn glorie beroofd;
21καὶ ἀπὸ τῶν ἀνθρώπων ἐξεδιώχθη, καὶ ἡ καρδία αὐτοῦ μετὰ τῶν θηρίων ἐδόθη, καὶ μετὰ τῶν ὀνάγρων ἡ κατοικία αὐτοῦ, καὶ χόρτον ὡς βοῦν ἐψώμιζον αὐτὸν, καὶ ἀπὸ τῆς δρόσου τοῦ οὐρανοῦ τὸ σῶμα αὐτοῦ ἐβάφη, ἕως οὗ ἔγνω ὅτι κυριεύει ὁ Θεὸς ὕψιστος τῆς βασιλείας τῶν ἀνθρώπων, καὶ ᾧ ἂν δόξῃ δώσει αὐτήν.
21hij werd uit de gemeenschap der mensen gestoten, en zijn hart werd gelijk aan dat van een dier; hij kreeg bij de wilde ezels een woonplaats, men gaf hem gras te eten als runderen, en zijn lichaam werd door de dauw uit de hemel bevochtigd, totdat hij erkende, dat de allerhoogste God de macht heeft over het rijk van de mensen, en daarover aanstelt wien Hij wil.
22Καὶ σὺ οὖν ὁ υἱὸς αὐτοῦ Βαλτάσαρ οὐκ ἐταπείνωσας τὴν καρδίαν σου κατενώπιον τοῦ Θεοῦ· οὐ πάντα ταῦτα ἔγνως;
22En gij Belsjassar, zijn zoon, ofschoon u dit alles bekend was, hebt uw hart niet vernederd,
23Καὶ ἐπὶ τὸν Κύριον Θεὸν τοῦ οὐρανοῦ ὑψώθης, καὶ τὰ σκεύη τοῦ οἴκου αὐτοῦ ἤνεγκαν ἐνώπιόν σου, καὶ σὺ καὶ οἱ μεγιστᾶνές σου, καὶ αἱ παλλακαί σου, καὶ αἱ παράκοιτοί σου οἶνον ἐπίνετε ἐν αὐτοῖς· καὶ τοὺς θεοὺς τοὺς χρυσοῦς, καὶ ἀργυροῦς, καὶ χαλκοῦς, καὶ σιδηροῦς, καὶ ξυλίνους, καὶ λιθίνους, οἳ οὐ βλέπουσι, καὶ οἳ οὐκ ἀκούουσι, καὶ οὐ γινώσκουσιν, ᾔνεσας, καὶ τὸν Θεὸν οὗ ἡ πνοή σου ἐν χειρὶ αὐτοῦ καὶ πᾶσαι αἱ ὁδοί σου, αὐτὸν οὐκ ἐδόξασας.
23maar den Heer van de hemel getrotseerd; men heeft u de vaten van zijn tempel gebracht, en gij hebt er met uw hof, uw vrouwen en bijvrouwen, wijn uit gedronken; gij hebt goden verheerlijkt van zilver en goud, van koper en ijzer, van hout en van steen, die niet zien, niet horen, niet kennen; maar gij hebt den God niet vereerd, in wiens hand uw adem ligt en heel uw lot.
24Διατοῦτο ἐκ προσώπου αὐτοῦ ἀπεστάλη ἀστράγαλος χειρὸς, καὶ τὴν γραφὴν ταύτην ἐνέταξε.
24Daarom heeft Hij die hand gezonden, en dit schrift laten tekenen.
25Καὶ αὕτη ἡ γραφὴ ἐντεταγμένη, Μανὴ, Θεκὲλ, Φάρες.
25Dit is het, wat er getekend staat: Mene, tekel oeparsin.
26Τοῦτο τὸ σύγκριμα τοῦ ῥήματος· Μανὴ, ἐμέτρησεν ὁ Θεὸς τὴν βασιλείαν σου, καὶ ἐπλήρωσεν αὐτήν.
26En dit is de uitleg er van. Mene: “geteld” heeft God uw koningschap, en er een eind aan gemaakt.
27Θεκὲλ, ἐστάθη ἐν ζυγῷ, καὶ εὑρέθη ὑστεροῦσα.
27Tekel: “gewogen” zijt gij op de weegschaal, maar gij zijt te licht bevonden.
28Φάρες, διήρηται ἡ βασιλεία σου, καὶ ἐδόθη Μήδοις καὶ Πέρσαις.
28Peres: “losgescheurd” is uw rijk, en aan de Meden en Perzen gegeven.
29Καὶ εἶπε Βαλτάσαρ, καὶ ἐνέδυσαν τον Δανιὴλ πορφύραν, καὶ τὸν μανιάκην τὸν χρυσοῦν περιέθηκαν περὶ τὸν τράχηλον αὐτοῦ, καὶ ἐκήρυξε περὶ αὐτοῦ, εἶναι αὐτὸν ἄρχοντα τρίτον ἐν τῇ βασιλείᾳ.
29Toen werd Daniël op bevel van Belsjassar met purper bekleed, met een gouden keten om zijn hals, en werd hij uitgeroepen tot derde heerser in het rijk.
30Ἐν αὐτῇ τῇ νυκτὶ ἀνῃρέθη Βαλτάσαρ ὁ βασιλεὺς ὁ Χαλδαῖος,
30Maar in diezelfde nacht werd Belsjassar, de koning der Chaldeën, gedood;
no verse 31 in this text
31en Darius, de Mediër, nam het rijk in bezit, toen hij twee en zestig jaar oud was.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.