ΔΑΝΙΗΛ (Ελληνικά) 11
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)Original language
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Καὶ ἐγὼ ἐν ἔτει πρώτῳ Κύρου ἔστην εἰς κράτος καὶ ἰσχύν.
1ik zelf heb hem geholpen in het eerste jaar van Darius den Mediër, en hem gesterkt en gesteund. Maar ik wil u toch eerst openbaren wat opgetekend staat in het boek van de waarheid.
2Καὶ νῦν ἀλήθειαν ἀναγγελῶ σοι· ἰδοὺ ἔτι τρεῖς βασιλεῖς ἀναστήσονται ἐν τῇ Περσίδι, καὶ ὁ τέταρτος πλουτήσει πλοῦτον μέγαν παρὰ πάντας· καὶ μετὰ τὸ κρατῆσαι αὐτὸν τοῦ πλούτου αὐτοῦ, ἐπαναστήσεται πάσαις βασιλείαις Ἑλλήνων.
2Ik ga u dus de waarheid verkondigen: Zie, er zullen nog drie koningen van Perzië opstaan. En de vierde zal alle andere in rijkdom overtreffen; en als hij zich sterk voelt door zijn rijkdom, zal hij alles in beweging brengen tegen het rijk van de Grieken.
3Καὶ ἀναστήσεται βασιλεὺς δυνατὸς, καὶ κυριεύσει κυρείας πολλῆς, καὶ ποιήσει κατὰ τὸ θέλημα αὐτοῦ.
3Maar er zal een heldenkoning opstaan, die over een ontzaglijk rijk zal heersen, en die zal doen wat hij wil.
4Καὶ ὡς ἂν στῇ ἡ βασιλεία αὐτοῦ, συντριβήσεται, καὶ διαιρεθήσεται εἰς τοὺς τέσσαρας ἀνέμους τοῦ οὐρανοῦ, καὶ οὐκ εἰς τὰ ἔσχατα αὐτοῦ, οὐδὲ κατὰ τὴν κυρείαν αὐτοῦ, ἣν ἐκυρίευσεν, ὅτι ἐκτιλήσεται ἡ βασιλεία αὐτοῦ, καὶ ἑτέροις ἐκτὸς τούτων.
4Doch nauwelijks is hij opgestaan, of zijn rijk wordt in stukken gebroken en naar de vier hemelwinden verdeeld. Het zal niet aan zijn nazaat behoren, noch de macht bezitten, waarmee hij heeft geheerst; want zijn rijk wordt aan flarden gescheurd, en valt aan heel anderen ten deel.
5Καὶ ἐνισχύσει ὁ βασιλεὺς τοῦ Νότου· καὶ εἷς τῶν ἀρχόντων αὐτῶν ἐνισχύσει ἐπʼ αὐτὸν, καὶ κυριεύσει κυρίαν πολλήν.
5Dan zal de koning van het zuiden machtig worden. Maar een van zijn veldheren zal nog sterker worden dan hij; hij zal heersen, en zijn macht zal geweldig zijn.
6Καὶ μετὰ τὰ ἔτη αὐτοῦ συμμιγήσονται, καὶ θυγάτηρ βασιλέως τοῦ Νότου εἰσελεύσεται πρὸς βασιλέα τοῦ Βοῤῥᾶ, τοῦ ποιῆσαι συνθήκας μετʼ αὐτοῦ, καὶ οὐ κρατήσει ἰσχύος βραχίονος, καὶ οὐ στήσεται τὸ σπέρμα αὐτοῦ, καὶ παραδοθήσεται αὕτη, καὶ οἱ φέροντες αὐτὴν, καὶ ἡ νεάνις, καὶ ὁ κατισχύων αὐτὴν ἐν τοῖς καιροῖς.
6Na verloop van vele jaren zullen zij een verbond met elkander sluiten, en de dochter van den koning van het zuiden zal naar den koning van het noorden gaan, om de vrede te verzekeren. Doch die hulp zal niet baten en standhouden; want zij zal worden prijsgegeven met hen die haar brachten, en met haar zoon en gemaal.
7Ἀναστήσεται ἐκ τοῦ ἄνθους τῆς ῥίζης αὐτῆς, τῆς ἑτοιμασίας αὐτοῦ, καὶ ἥξει πρὸς τὴν δύναμιν, καὶ εἰσελεύσεται εἰς τὰ ὑποστηρίγματα τοῦ βασιλέως τοῦ Βοῤῥᾶ, καὶ ποιήσει ἐν αὐτοῖς, καὶ κατισχύσει.
7Maar na enige tijd zal een spruit uit haar wortels zijn plaats innemen. Hij zal oprukken tegen het leger van den koning van het noorden, zijn vesting binnentrekken, verwarring onder hen stichten, en hun zijn macht doen voelen.
8Καί γε τοὺς θεοὺς αὐτῶν μετὰ τῶν χωνευτῶν αὐτῶν, πᾶν σκεῦος ἐπιθυμητὸν αὐτῶν, ἀργυρίου καὶ χρυσίου, μετὰ αἰχμαλωσίας οἴσει εἰς Αἴγυπτον, καὶ αὐτὸς στήσεται ὑπὲρ βασιλέα τοῦ Βοῤῥᾶ.
8Zelfs hun goden en beelden, met hun kostbare vaten van zilver en goud zal hij als buit naar Egypte voeren, en jarenlang zal hij den koning van het noorden de baas zijn.
9Καὶ εἰσελεύσεται εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ βασιλέως τοῦ Νότου, καὶ ἀναστρέψει εἰς τὴν γῆν αὐτοῦ.
9Dan zal deze wel het rijk van den koning van het zuiden binnenvallen, maar naar zijn land moeten terugkeren.
10Καὶ οἱ υἱοὶ αὐτοῦ συνάξουσιν ὄχλον ἀναμέσον πολλῶν· καὶ ἐλεύσεται ἐρχόμενος καὶ κατακλύζων, καὶ παρελεύσεται, καὶ καθίεται, καὶ συμπροσπλακήσεται ἕως τῆς ἰσχύος αὐτοῦ.
10Maar zijn zoon zal zich ten strijde rusten, en geweldige legers bijeenbrengen, tegen hem oprukken, hem overstromen en overstelpen, en bij een tweede gelegenheid doordringen zelfs tot zijn vesting.
11Καὶ ἀγριανθήσεται βασιλεὺς τοῦ Νότου, καὶ ἐξελεύσεται, καὶ πολεμήσει μετὰ τοῦ βασιλέως τοῦ Βοῤῥᾶ, καὶ στήσει ὄχλον πολύν, καὶ παραδοθήσεται ὁ ὄχλος ἐν χειρὶ αὐτοῦ,
11Hierover verbitterd zal de koning van het zuiden uitrukken, en slag leveren met den koning van het noorden. Deze zal een talrijk leger op de been brengen, maar dat leger zal aan den ander worden overgeleverd.
12καὶ λήψεται τὸν ὄχλον, καὶ ὑψωθήσεται ἡ καρδία αὐτοῦ, καὶ καταβαλεῖ μυριάδας, καὶ οὐ κατισχύσει.
12Maar als dan die andere dat leger heeft verslagen, zal hij overmoedig worden; en al zal hij tienduizenden hebben geveld, sterk blijft hij niet.
13Καὶ ἐπιστρέψει ὁ βασιλεὺς τοῦ Βοῤῥᾶ, καὶ ἄξει ὄχλον πολὺν ὑπὲρ τὸν πρότερον· καὶ εἰς τὸ τέλος τῶν καιρῶν ἐνιαυτῶν ἐπελεύσεται εἰσόδια ἐν δυνάμει μεγάλῃ, καὶ ἐν ὑπάρξει πολλῇ.
13Dan zal de koning van het noorden opnieuw een leger uitrusten, nog ontzaglijker dan het eerste, en na verloop van enige jaren tegen den ander optrekken met grote macht en geweldige tros.
14Καὶ ἐν τοῖς καιροῖς ἐκείνοις πολλοὶ ἐπαναστήσονται ἐπὶ βασιλέα τοῦ Νότου, καὶ οἱ υἱοὶ τῶν λοιμῶν τοῦ λαοῦ σου ἐπαρθήσονται, τοῦ στῆσαι ὅρασιν, καὶ ἀσθενήσουσι.
14In die tijd zullen velen in opstand komen tegen den koning van het zuiden, en onder uw eigen volk zullen verraders het hoofd opsteken, om een visioen te vervullen; maar ze komen ten val.
15Καὶ εἰσελεύσεται βασιλεὺς τοῦ Βοῤῥᾶ, καὶ ἐκχεεῖ πρόσχωμα, καὶ συλλήψεται πόλεις ὀχυρὰς, καὶ οἱ βραχίονες τοῦ βασιλέως τοῦ Νότου στήσονται, καὶ ἀναστήσονται οἱ ἐκλεκτοὶ αὐτοῦ, καὶ οὐκ ἔσται ἰσχὺς τοῦ στῆναι.
15En als de koning van het noorden is uitgerukt, zal hij een wal opwerpen en een vesting bemachtigen; de strijdmachten van het zuiden zullen geen stand kunnen houden, en zelfs zijn keurtroepen zullen geen weerstand bieden.
16Καὶ ποιήσει ὁ εἰσπορευόμενος πρὸς αὐτὸν κατὰ τὸ θέλημα αὐτοῦ, καὶ οὐκ ἔστιν ἑστὼς κατὰ πρόσωπον αὐτοῦ· καὶ στήσεται ἐν τῇ γῇ τοῦ Σαβεὶ, καὶ τελεσθήσεται ἐν τῇ χειρὶ αὐτοῦ.
16Dan zal de aanvaller doen wat hij wil, en niemand zal hem weerstaan. Zo zal hij vaste voet krijgen in het Heerlijke Land, en het geheel in zijn macht hebben.
17Καὶ τάξει τὸ πρόσωπον αὐτοῦ εἰσελθεῖν ἐν ἰσχύϊ πάσης τῆς βασιλείας αὐτοῦ, καὶ εὐθεῖα πάντα μετʼ αὐτοῦ ποιήσει· καὶ θυγατέρα τῶν γυναικῶν δώσει αὐτῷ διαφθεῖραι αὐτὴν, καὶ οὐ μὴ παραμείνῃ, καὶ οὐκ αὐτῷ ἔσται.
17Daarna zal hij beproeven, het hele rijk van den ander onder zijn heerschappij te krijgen; hij zal een vergelijk met hem treffen, en hem een meisje tot vrouw geven, om hem in het verderf te storten. En wanneer dit geen stand houdt, en het hem niet gelukt,
18Καὶ ἐπιστρέψει τὸ πρόσωπον αὐτοῦ εἰς τὰς νήσους, καὶ συλλήψεται πολλὰς, καὶ καταπαύσει ἄρχοντας ὀνειδισμοῦ αὐτῶν, πλὴν ὀνειδισμὸς αὐτοῦ ἐπιστρέψει αὐτῷ.
18zal hij zich tegen de kustlanden keren, en er velen veroveren. Maar een veldheer zal aan een geleden smaad een einde maken, en hem zijn belediging betaald zetten.
19Καὶ ἐπιστρέψει τὸ πρόσωπον αὐτοῦ εἰς τὴν ἰσχὺν τῆς γῆς αὐτοῦ, καὶ ἀσθενήσει, καὶ πεσεῖται, καὶ οὐκ εὑρεθήσεται.
19Dan zal hij zich tegen de vestingen van zijn eigen land moeten wenden, maar struikelen, vallen en spoorloos verdwijnen.
20Καὶ ἀναστήσεται ἐκ τῆς ῥίζης αὐτοῦ φυτὸν τῆς βασιλείας ἐπὶ τὴν ἑτοιμασίαν αὐτοῦ παραβιβάζων, πράσσων δόξαν βασιλείας· καὶ ἐν ταῖς ἡμέραις ἐκείναις ἔτι συντριβήσεται, καὶ οὐκ ἐν προσώποις, οὐδὲ ἐν πολέμῳ.
20In zijn plaats zal er een opstaan, die door het Heerlijke Land een afperser zal laten rondgaan; maar na enkele dagen zal hij worden gebroken, en nog niet eens door gramschap of strijd.
21Στήσεται ἐπὶ τὴν ἑτοιμασίαν αὐτοῦ, ἐξουδενώθη, καὶ οὐκ ἔδωκαν ἐπʼ αὐτὸν δόξαν βασιλείας· καὶ ἥξει ἐν εὐθηνίᾳ, καὶ κατισχύσει βασιλείας ἐν ὀλισθήμασι,
21Maar in zijn plaats treedt een uitvaagsel op, voor wien de koninklijke waardigheid niet was bestemd, maar die onverhoeds komt, en door huichelarij zich van het koningschap meester zal maken.
22καὶ βραχίονες τοῦ κατακλύζοντος κατακλυσθήσονται ἀπὸ προσώπου αὐτοῦ, καὶ συντριβήσονται, καὶ ἡγούμενος διαθήκης·
22Hele legers zullen voor hem worden weggespoeld en vernield. Zelfs een vorst, waarmee hij een verbond heeft gesloten,
23Καὶ ἀπὸ τῶν συναναμίξεων πρὸς αὐτὸν ποιήσει δόλον, καὶ ἀναβήσεται, καὶ ὑπερισχύσει αὐτοὺς ἐν ὀλίγῳ ἔθνει.
23zal hij bedriegen, zo gauw hij zich met hem heeft verbonden; zo klimt hij omhoog, en wordt machtig, met een klein beetje volk.
24Καὶ ἐν εὐθηνίᾳ, καὶ ἐν πίοσι χώραις ἥξει, καὶ ποιήσει ἃ οὐκ ἐποίησαν οἱ πατέρες αὐτοῦ καὶ τατέρες τῶν πατέρων αὐτοῦ· προνομὴν καὶ σκῦλα καὶ ὕπαρξιν αὐτοῖς διασκορπιεῖ, καὶ ἐπʼ Αἴγυπτον λογιεῖται λογισμοὺς καὶ ἕως καιροῦ.
24Verraderlijk valt hij de vruchtbaarste landstreken binnen, en zal er mee doen wat zijn vaderen en voorvaderen niet hebben gedaan, en roof, buit en hun rijkdom verkwisten; zelfs tegen vestingen zal hij aanslagen smeden, maar slechts voor een tijd.
25Καὶ ἐξεγερθήσεται ἡ ἰσχὺς αὐτοῦ, καὶ ἡ καρδία αὐτοῦ ἐπὶ βασιλέα τοῦ Νότου ἐν δυνάμει μεγάλῃ· καὶ ὁ βασιλεὺς τοῦ Νότου συνάψει πόλεμον ἐν δυνάμει μεγάλῃ καὶ ἰσχυρᾷ σφόδρα, καὶ οὐ στήσονται, ὅτι λογιοῦνται ἐπʼ αὐτὸν λογισμοὺς,
25Dan zal hij met een machtig leger tegen den koning van het zuiden al zijn kracht en moed verzamelen. Maar ook de koning van het zuiden zal zich ten strijde rusten met een grote en geweldige krijgsmacht; doch hij zal geen stand kunnen houden. Want men zal hem verraden,
26καὶ φάγονται τὰ δέοντα αὐτοῦ, καὶ συντρίψουσιν αὐτὸν, καὶ δυνάμεις κατακλύσει, καὶ πεσοῦνται τραυματίαι πολλοί.
26en zijn eigen disgenoten zullen hem breken; zijn leger zal worden weggespoeld, en veel doden zullen er vallen.
27Καὶ ἀμφότεροι οἱ βασιλεῖς, αἱ καρδίαι αὐτῶν εἰς πονηρίαν, καὶ ἐπὶ τραπέζῃ μιᾷ ψευδῆ λαλήσουσι, καὶ οὐ κατευθυνεῖ, ὅτι ἔτι πέρας εἰς καιρόν.
27Dan zullen die koningen kwaad in hun schild voeren, en leugens verzinnen, aan één tafel gezeten. Maar het zal niet gelukken; want het einde blijft nog een tijdlang uit.
28Καὶ ἐπιστρέψει εἰς τὴν γῆν αὐτοῦ ἐν ὑπάρξει πολλῇ, καὶ ἡ καρδία αὐτοῦ ἐπὶ διαθήκην ἁγίαν, καὶ ποιήσει, καὶ ἐπιστρέψει εἰς τὴν γῆν αὐτοῦ.
28Daarna zal hij, vergezeld van een geweldige tros, naar zijn land terugkeren, met boze plannen tegen het heilig Verbond; hij zal ze eerst ten uitvoer brengen, dan gaat hij terug naar zijn land.
29Εἰς τὸν καιρὸν ἐπιστρέψει, καὶ ἥξει ἐν τῷ Νότῳ, καὶ οὐκ ἔσται ὡς ἡ πρώτη καὶ ἡ ἐσχάτη.
29Te bestemder tijd valt hij opnieuw in het zuiden; maar het zal de tweede keer niet gaan, als de eerste.
30Καὶ εἰσελεύσονται ἐν αὐτῷ οἱ ἐκπορευόμενοι Κίτιοι, καὶ ταπεινωθήσεται, καὶ ἐπιστρέψει, καὶ θυμωθήσεται ἐπὶ διαθήκην ἁγίαν· καὶ ποιήσει, καὶ ἐπιστρέψει, καὶ συνήσει ἐπὶ τοὺς καταλιπόντας διαθήκην ἁγίαν.
30Want schepen van Cyprus zullen tegen hem uitvaren, zodat hij vernederd terugkeren moet. Daarom zal hij in zijn woede zich vergrijpen aan het heilig Verbond; en na zijn terugkeer omzien naar verraders van het heilig Verbond.
31Καὶ σπέρματα ἐξ αὐτοῦ ἀναστήσονται, καὶ βεβηλώσουσι τὸ ἁγίασμα τῆς δυναστείας, καὶ μεταστήσουσι τὸν ἐνδελεχισμὸν, καὶ δώσουσι βδέλυγμα ἠφανισμένον.
31En hij zal bezettingen leggen, die het heiligdom en de burcht zullen ontwijden; hij zal het dagelijks offer doen staken en de ontzettende gruwel oprichten.
32Καὶ οἱ ἀνομοῦντες διαθήκην ἐπάξουσιν ἐν ὀλισθήμασι· καὶ λαὸς γινώσκοντες Θεὸν αὐτοῦ κατισχύσουσι, καὶ ποιήσουσι,
32Die het Verbond al overtraden, zal hij door vleierij tot afval verleiden; maar het volk, dat zijn God blijft erkennen, zal zich moedig verzetten.
33καὶ οἱ συνετοὶ τοῦ λαοῦ συνήσουσιν εἰς πολλὰ, καὶ ἀσθενήσουσιν ἐν ῥομφαίᾳ, καὶ ἐν φλογὶ, καὶ ἐν αἰχμαλωσίᾳ, καὶ ἐν διαρπαγῇ ἡμερῶν.
33En de vromen onder het volk zullen velen tot bezinning brengen, maar vallen door zwaard en vuur, door kerker en roof, een hele tijd lang.
34Καὶ ἐν τῷ ἀσθενῆσαι αὐτοὺς, βοηθήσονται βοήθειαν μικρὰν, καὶ προστεθήσονται πρὸς αὐτοὺς πολλοὶ ἐν ὀλισθήμασι.
34Maar door hun val zullen ze een kleine hulp doen ontstaan, doch daarbij sluiten zich ook veel huichelaars aan.
35Καὶ ἀπὸ τῶν συνιέντων ἀσθενήσουσι, τοῦ πυρῶσαι αὐτοὺς, καὶ τοῦ ἐκλέξασθαι, καὶ τοῦ ἀποκαλυφθῆναι ἕως καιροῦ πέρας, ὅτι ἔτι εἰς καιρόν.
35En van de vromen zullen er nog velen vallen, om ze te louteren, te reinigen, te zuiveren, totdat de tijd van het einde zal komen; want dit blijft nog een tijdlang uit.
36Καὶ ποιήσει κατὰ τὸ θέλημα αὐτοῦ· καὶ ὁ βασιλεὺς ὑψωθήσεται καὶ μεγαλυνθήσεται ἐπὶ πάντα θεόν, καὶ λαλήσει ὑπέρογκα, καὶ κατευθυνεῖ μέχρις οὗ συντελεσθῇ ἡ ὀργὴ, εἰς γὰρ συντέλειαν γίνεται.
36Maar de koning zal doen wat hij wil. Hij zal zich opblazen van trots, en zich boven al wat god is verheffen; zelfs tegen den God der goden zal hij ongelooflijke dingen durven zeggen. Toch zal hij voorspoed genieten, totdat de gramschap haar einde bereikt; want wat besloten is, moet geschieden.
37Καὶ ἐπὶ πάντος θεοὺς τῶν πατέρων αὐτοῦ οὐ συνήσει, καὶ ἐπιθυμία γυναικῶν, καὶ ἐπὶ πᾶν θεὸν οὐ συνήσει, ὅτι ἐπὶ πάντας μεγαλυνθήσεται.
37Noch de goden zijner vaderen, noch den lievelingsgod van de vrouwen zal hij ontzien; neen, niemand der goden zal hij achten, maar zich boven allen verheffen.
38Καὶ θεὸν Μαωζεὶμ ἐπὶ τόπου αὐτοῦ δοξάσει, καὶ θεὸν ὃν οὐκ ἔγνωσαν οἱ πατέρες αὐτοῦ, δοξάσει ἐν χρυσῷ καὶ ἀργύρῳ καὶ λίθῳ τιμίῳ, καὶ ἐν ἐπιθυμήμασι.
38Maar in hun plaats zal hij den burchtgod vereren; den god, dien zijn vaders niet hebben gekend, zal hij eren met goud en zilver, met diamanten en juwelen.
39Καὶ ποιήσει τοῖς ὀχυρώμασι τῶν καταφυγῶν μετὰ θεοῦ ἀλλοτρίου, καὶ πληθυνεῖ δόξαν, καὶ ὑποτάξει αὐτοῖς πολλοὺς, καὶ γῆν διελεῖ ἐν δώροις.
39De burchten zal hij bezetten met het volk van den vreemden god; wie dezen erkennen, zal hij met eer overladen, over velen doen heersen, en hun tot beloning land toewijzen.
40Καὶ ἐν καιροῦ πέρατι συγκερατισθήσεται μετὰ τοῦ βασιλέως τοῦ Νότου· καὶ συναχθήσεται ἐπʼ αὐτὸν βασιλεὺς τοῦ Βοῤῥᾶ ἐν ἅρμασι καὶ ἐν ἱππεῦσι καὶ ἐν ναυσὶ πολλαῖς, καὶ εἰσελεύσονται εἰς τὴν γῆν, καὶ συντρίψει, καὶ παρελεύσεται,
40Maar in de tijd van het einde zal de koning van het zuiden de strijd tegen hem ontketenen. De koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en ruiters en talloze schepen. Dan zal hij landen binnenvallen, overstromen en overstelpen.
41καὶ εἰσελεύσεται εἰς τὴν γῆν τοῦ Σαβαεὶμ, καὶ πολλοὶ ἀσθενήσουσι· καὶ οὗτοι διασωθήσονται ἐκ χειρὸς αὐτοῦ, Ἐδὼμ, καὶ Μωὰβ, καὶ ἀρχὴ υἱῶν Ἀμμών.
41Dan dringt hij binnen in het Heerlijke Land, en tienduizenden zullen er vallen; Edom alleen, met Moab en de rest van de zonen van Ammon zullen aan zijn greep ontkomen.
42Καὶ ἐκτενεῖ τὴν χεῖρα ἐπὶ τὴν γῆν, καὶ γῆ Αἰγύπτου οὐκ ἔσται εἰς σωτηρίαν.
42Dan zal hij naar de landen zijn hand blijven uitstrekken, en ook het land van Egypte zal niet veilig meer zijn.
43Καὶ κυριεύσει ἐν τοῖς ἀποκρύφοις τοῦ χρυσοῦ καὶ τοῦ ἀργύρου, καὶ ἐν πᾶσιν ἐπιθυμητοῖς Αἰγύπτου, καὶ Λιβύων, καὶ Αἰθιόπων, ἐν τοῖς ὀχυρώμασιν αὐτῶν.
43Dan maakt hij zich meester van de gouden en zilveren schatten en alle kostbaarheden van Egypte, en trekken Lybiërs en Koesjieten mee in zijn stoet.
44Καὶ ἀκοαὶ καὶ σπουδαὶ ταράξουσιν αὐτὸν ἐξ ἀνατολῶν καὶ ἀπὸ Βοῤῥᾶ· καὶ ἥξει ἐν θυμῷ πολλῷ, τοῦ ἀφανίσαι πολλούς.
44Maar dan zullen geruchten uit oosten en noorden hem verontrusten. Dan trekt hij in grimmige woede er nogmaals opuit, om velen te verdelgen en te vernielen;
45Καὶ πήξει τὴν σκηνὴν αὐτοῦ Ἐφαδανῶ, ἀναμέσον τῶν θαλασσῶν εἰς ὄρος Σαβαεὶν ἅγιον, ἥξει ἕως μέρους αὐτοῦ, καὶ οὐκ ἔστιν ὁ ῥυόμενος αὐτόν.
45en zijn vorstelijke tent zal hij spannen tussen de zee en de heilige Heerlijke Berg. Maar dan komt zijn einde, en er is niemand, die hem kan helpen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.