Joshua 2
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And Joshua the son of Nun sent out of Shittim two spies secretly, saying: 'Go view the land, and Jericho.' And they went, and came into the house of a harlot whose name was Rahab, and lay there.
1Daarna zond Josuë, de zoon van Noen, van Sjittim uit heimelijk twee verkenners met de opdracht: Gaat het land en vooral Jericho verkennen. Dezen trokken er dus op uit, en namen hun intrek in het huis van een deerne, die Rachab heette, om er te overnachten.
2And it was told the king of Jericho, saying: 'Behold, there came men in hither to-night of the children of Israel to search out the land.'
2Men berichtte aan den koning van Jericho: Er zijn vannacht Israëlieten hier gekomen, om het land te verspieden.
3And the king of Jericho sent unto Rahab, saying: 'Bring forth the men that are come to thee, that are entered into thy house; for they are come to search out all the land.'
3Nu liet de koning van Jericho Rachab aanzeggen: Lever de mannen uit, die naar u toe kwamen, en uw huis zijn binnengegaan; want ze zijn gekomen, om heel het land te verspieden.
4And the woman took the two men, and hid them; and she said: 'Yea, the men came unto me, but I knew not whence they were;
4Doch de vrouw nam de beide mannen mee, verborg ze, en zeide: Die mannen zijn wel bij me geweest, maar ik heb niet geweten, waar ze vandaan kwamen.
5and it came to pass about the time of the shutting of the gate, when it was dark, that the men went out; whither the men went I know not; pursue after them quickly; for ye shall overtake them.'
5En juist, toen men tegen het donker de poort wilde sluiten, zijn die mannen vertrokken; ik weet niet, waar ze gebleven zijn. Zet ze vlug achterna, dan kunt ge ze nog inhalen.
6But she had brought them up to the roof, and hid them with the stalks of flax, which she had spread out upon the roof.
6Maar zij had de mannen naar het dak gebracht, en ze verborgen onder vlasstengels, die zij op het dak had uitgespreid.
7And the men pursued after them the way to the Jordan unto the fords; and as soon as they that pursued after them were gone out, the gate was shut.
7De mannen achtervolgden hen dan naar de Jordaan, in de richting van de doorwaadbare plaatsen, en men sloot de poort, zodra hun vervolgers eruit waren gegaan.
8And before they were laid down, she came up unto them upon the roof;
8Maar eer de mannen gingen slapen, klom ze bij hen op het dak,
9and she said unto the men: 'I know that the LORD hath given you the land, and that your terror is fallen upon us, and that all the inhabitants of the land melt away before you.
9en zeide tot hen: Ik weet, dat Jahweh dit land voor u bestemd heeft, en dat wij angst voor u hebben, en alle bewoners van het land voor u beven.
10For we have heard how the LORD dried up the water of the Red Sea before you, when ye came out of Egypt; and what ye did unto the two kings of the Amorites, that were beyond the Jordan, unto Sihon and to Og, whom ye utterly destroyed.
10Want we hebben vernomen, hoe bij uw uittocht uit Egypte Jahweh het water van de Rode Zee voor u heeft doen opdrogen, en hoe gij de twee amorietische koningen aan de overzijde van de Jordaan hebt behandeld, Sichon en Og, die ge met de ban hebt geslagen.
11And as soon as we had heard it, our hearts did melt, neither did there remain any more spirit in any man, because of you; for the LORD your God, He is God in heaven above, and on earth beneath.
11Toen we dat hoorden, is ons de schrik om het hart geslagen, en is iedereen de moed ontzonken uit angst voor u. Want Jahweh, uw God, is God in de hemel daarboven en op de aarde beneden.
12Now therefore, I pray you, swear unto me by the LORD, since I have dealt kindly with you, that ye also will deal kindly with my father's house — and give me a true token —
12Zweert me nu bij Jahweh dat gij u over mijn familie zult ontfermen, zoals ik mij over u heb ontfermd. Geeft me ook een vertrouwbaar teken,
13and save alive my father, and my mother, and my brethren, and my sisters, and all that they have, and deliver our lives from death.'
13dat ge mijn vader en moeder, mijn broers en zusters, en al de hunnen zult sparen, en ons van de dood zult redden.
14And the men said unto her: 'Our life for yours, if ye tell not this our business; and it shall be, when the LORD giveth us the land, that we will deal kindly and truly with thee.'
14De mannen antwoordden haar: Wij staan met ons leven voor u in. Als gij onze plannen niet aanbrengt, dan zullen wij, wanneer Jahweh ons het land heeft overgeleverd, ons zeker over u ontfermen.
15Then she let them down by a cord through the window; for her house was upon the side of the wall, and she dwelt upon the wall.
15Toen liet ze hen langs een touw door het venster naar beneden zakken; want haar huis stond tegen de binnenkant van de stadsmuur, zodat ze eigenlijk in de muur woonde.
16And she said unto them: 'Get you to the mountain, lest the pursuers light upon you; and hide yourselves there three days, until the pursuers be returned; and afterward may ye go your way.'
16Ze sprak tot hen: Gaat het gebergte in, opdat de vervolgers u niet tegenkomen; houdt u daar drie dagen schuil, totdat ze zijn teruggekeerd, en gaat dan verder uws weegs.
17And the men said unto her: 'We will be guiltless of this thine oath which thou hast made us to swear.
17De mannen zeiden tot haar:
18Behold, when we come into the land, thou shalt bind this line of scarlet thread in the window which thou didst let us down by; and thou shalt gather unto thee into the house thy father, and thy mother, and thy brethren, and all thy father's household.
18Als we het land binnentrekken, moet ge dit rode koord aan het venster binden, waardoor ge ons omlaag hebt gelaten, en uw vader en moeder, uw broers en heel uw familie in dit huis bij elkaar brengen.
19And it shall be, that whosoever shall go out of the doors of thy house into the street, his blood shall be upon his head, and we will be guiltless; and whosoever shall be with thee in the house, his blood shall be on our head, if any hand be upon him.
19Als dan iemand de deur van uw huis uitgaat, dan komt zijn bloed op zijn eigen hoofd neer, en zullen wij er geen schuld aan hebben; maar slaat men de hand aan iemand, die in uw huis is, dan komt zijn bloed op ons hoofd.
20But if thou utter this our business, then we will be guiltless of thine oath which thou hast made us to swear.'
20Als ge echter onze plannen verraadt, zijn wij van de eed ontslagen, die ge ons hebt doen zweren.
21And she said: 'According unto your words, so be it.' And she sent them away, and they departed; and she bound the scarlet line in the window.
21Zij antwoordde: Afgesproken, zoals ge gezegt hebt! Ze liet hen vertrekken, en bond het rode koord aan het venster.
22And they went, and came unto the mountain, and abode there three days, until the pursuers were returned; and the pursuers sought them throughout all the way, but found them not.
22Zij gingen heen, trokken het gebergte in, en bleven daar drie dagen, totdat de achtervolgers waren teruggekeerd; dezen hadden overal gezocht, maar niets gevonden.
23Then the two men returned, and descended from the mountain, and passed over, and came to Joshua the son of Nun; and they told him all that had befallen them.
23Toen maakten de twee mannen rechtsomkeert, daalden het gebergte af, trokken de Jordaan over, en begaven zich naar Josuë, den zoon van Noen, wien ze alles vertelden, wat ze hadden beleefd.
24And they said unto Joshua: 'Truly the LORD hath delivered into our hands all the land; and moreover all the inhabitants of the land do melt away before us.'
24En ze zeiden tot Josuë: Jahweh heeft ons het hele land in handen geleverd; alle bewoners van het land zijn voor ons met schrik geslagen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.