מתיו 10
Modern Hebrew BibleTranslation
Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ויקרא אליו את שנים עשר תלמידיו ויתן להם שלטן על רוחות הטמאה לגרשם ולרפוא כל חלי וכל מדוה׃
1En toen Hij zijn twaalf leerlingen bijeen had geroepen, gaf Hij hun de macht, om de onreine geesten uit te drijven, en alle ziekten en kwalen te genezen.
2ואלה שמות שנים עשר השליחים הראשון שמעון הנקרא פטרוס ואנדרי אחיו יעקב בן זבדי ויוחנן אחיו׃
2De namen der twaalf apostelen zijn: De eerste, Simon, die Petrus wordt genoemd, en Andreas zijn broer;
3פילפוס ובר תלמי תומא ומתי המוכס יעקב בן חלפי ולבי המכנה תדי׃
3Jakobus, zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes; Filippus en Bartolomeüs; Tomas en Matteüs de tollenaar; Jakobus, zoon van Alfeüs, en Taddeüs;
4שמעון הקני ויהודה איש קריות אשר גם מסר אתו׃
4Simon de ijveraar en Judas Iskáriot, die Hem verraden heeft.
5את שנים העשר האלה שלח ישוע ויצו אתם לאמר אל דרך הגוים אל תלכו ואל עיר השמרונים אל תבאו׃
5Deze twaalf zond Jesus uit, en Hij gebood hun: Slaat niet de weg naar de heidenen in, en treedt de steden van de Samaritanen niet binnen;
6כי אם לכו אל הצאן האבדות לבית ישראל׃
6maar gaat liever tot de verdwaalde schapen uit het huis van Israël.
7ובלכתכם קראו לאמר למכות השמים קרבה לבוא׃
7Gaat, preekt hun, en zegt: Het rijk der hemelen is nabij!
8רפאו את החולים טהרו את המצרעים הקימו את המתים ואת השדים גרשו חנם לקחתם חנם תתנו׃
8Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij ontvangen; geeft om niet.
9לא תקחו זהב ולא כסף ולא נחשת בחגוריכם׃
9Goud-, zilver- noch kopergeld moogt gij in uw gordels dragen,
10ולא תרמיל לדרך ולא שתי כתנות ולא נעלים ולא מטה כי שוה הפעל די מחיתו׃
10geen tas, geen twee onderkleren, geen schoeisel, geen reisstaf meenemen; want de arbeider heeft recht op zijn onderhoud.
11וכל עיר וכפר אשר תבאו שמה דרשו מי הוא הראוי לזה בתוכה ושם שבו עד כי תצאו׃
11In welke stad of dorp gij ook komt, onderzoekt, wie daar de waardigste is; en blijft bij hem, totdat gij weer afreist.
12ובבואכם אל הבית שאלו לו לשלום׃
12Als gij dat huis binnentreedt, brengt het uw groet.
13והיה אם ראוי הבית יבוא עליו שלומכם ואם איננו ראוי שלומכם אליכם ישוב׃
13En zo dat huis het waardig is, dan daalt uw vrede er over neer; zo niet, dan keert uw vrede terug op u.
14וכל אשר לא יקבל אתכם ולא ישמע לדבריכם צאו לכם מן הבית ההוא ומן העיר ההיא ונערו את עפר רגליכם׃
14En waar men u niet ontvangt en niet luistert naar uw woorden, verlaat dat huis of die stad, en schudt het stof van uw voeten.
15אמן אמר אני לכם כי יקל לארץ סדום ועמרה ביום הדין מן העיר ההיא׃
15Voorwaar, Ik zeg u: voor het land van Sódoma en Gomorra zal het dragelijker zijn op de oordeelsdag dan voor die stad.
16הנני שלח אתכם ככבשים בין הזאבים לכן היו ערומים כנחשים ותמימים כיונים׃
16Ziet, Ik zend u als schapen midden onder de wolven. Weest dus voorzichtig als de slangen, en eenvoudig als de duiven.
17והשמרו לכם מבני האדם כי ימסרו אתכם לסנהדריות ויכו אתכם בשוטים בבתי כנסיותיהם׃
17Wacht u voor de mensen. Want ze zullen u overleveren aan de rechtbanken, en geselen in hun synagogen.
18ולפני משלים ומלכים תובאו למעני לעדות להם ולגוים׃
18Terwille van Mij zult gij voor landvoogden en koningen worden gesleept, om getuigenis af te leggen bij hen en bij de heidenen.
19וכי ימסרו אתכם אל תדאגו איך ומה תדברו כי ינתן לכם בשעה ההיא את אשר תדברו׃
19Maar als ze u overleveren, weest dan niet bezorgd, hoe of wat gij zult spreken; want in dat uur zal u worden ingegeven, wat gij moet zeggen.
20כי לא אתם הם המדברים כי רוח אביכם הוא המדבר בפיכם׃
20Immers niet gij zijt het, die spreekt, maar het is de Geest van uw Vader, die door u spreekt.
21והיה אח ימסר את אחיו למות ואב ימסר את בנו וקמו בנים באבותם וימיתו אותם׃
21De broer zal zijn broer ter dood overleveren, de vader zijn zoon; en de kinderen zullen opstaan tegen hun ouders, en ze doden.
22והייתם שנואים לכל אדם למען שמי והמחכה עד עת קץ הוא יושע׃
22Om mijn Naam zult gij gehaat zijn bij allen; maar wie volhardt ten einde toe, zal zalig worden.
23ואם ירדפו אתכם בעיר אחת נוסו לעיר אחרת כי אמן אמר אני לכם לא תכלו לעבר ערי ישראל עד כי יבוא בן האדם׃
23Als men u vervolgt in de ene stad, vlucht dan naar een andere. Voorwaar, Ik zeg u: gij zult de steden van Israël nog niet hebben afgereisd, wanneer de Mensenzoon komt.
24אין תלמיד עלה על רבו ועבד על אדניו׃
24De leerling staat niet boven zijn meester, de dienaar niet boven zijn heer.
25דיו לתלמיד להיות כרבו ולעבד להיות כאדניו אם לבעל הבית קראו בעל זבוב אף לאנשי ביתו׃
25Voor den leerling is het genoeg, als het hem gaat als zijn meester; voor den dienaar, als het hem gaat als zijn heer. Indien men den heer des huizes Beélzebub heeft genoemd, hoeveel te meer dan zijn huisgenoten.
26על כן לא תיראום כי אין דבר מכסה אשר לא יגלה ואין נעלם אשר לא יודע׃
26Vreest hen dus niet. Want niets is bedekt, dat niet ontdekt, niets verborgen, dat niet bekend zal worden.
27את אשר אני אמר לכם בחשך דברו באור ואשר ילחש לאזניכם השמיעו על הגגות׃
27Wat Ik u zeg in het duister, zegt dat op klaarlichte dag; en wat gij hoort fluisteren, verkondigt dat van de daken.
28ואל תיראי מן ההרגים את הגוף ואת הנפש לא יוכלו להרג אך תיראו את אשר יוכל לאבד גם את הנפש גם את הגוף בגיהנם׃
28Weest niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam doden, doch de ziel niet kunnen doden; vreest liever Hem, die èn ziel èn lichaam in de hel kan verderven.
29הלא תמכרנה שתי צפרים באסר ואחת מהנה לא תפול ארצה מבלעדי אביכם׃
29Worden niet twee mussen voor een penning verkocht? En toch zal er niet één op de grond vallen zonder de wil van uw Vader.
30ואתם גם שערות ראשכם נמנות כלן׃
30En van u zijn alle hoofdharen geteld.
31לכן אל תיראו הנכם יקרים מצפרים רבות׃
31Vreest dus niet; gij zijt meer waard dan een zwerm mussen.
32הן כל אשר יודה בי לפני האדם אודה בו גם אני לפני אבי שבשמים׃
32Wie Mij belijdt voor de mensen, zal ook Ik voor mijn Vader belijden, die in de hemelen is.
33ואשר יכחש בי לפני האדם אכחש בו גם אני לפני אבי שבשמים׃
33Maar wie Mij voor de mensen verloochent, hem zal ook Ik verloochenen voor mijn Vader, die in de hemelen is.
34אל תחשבו כי באתי להטיל שלום בארץ לא באתי להטיל שלום כי אם חרב׃
34Denkt niet, dat Ik vrede ben komen brengen op aarde; geen vrede, maar het zwaard ben Ik komen brengen.
35כי באתי להפריד איש מאביו ובת מאמה וכלה מחמותה׃
35Want Ik ben verdeeldheid komen brengen tussen een man en zijn vader, tussen dochter en moeder, tussen schoondochter en schoonmoeder;
36ואיבי איש אנשי ביתו׃
36en ‘s mensen ergste vijanden zullen zijn huisgenoten zijn.
37האהב את אביו ואת אמו יותר ממני איננו כדי לי והאהב את בנו ובתו יותר ממני איננו כדי לי׃
37Wie zijn vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mijner niet waardig; wie zijn zoon of dochter meer bemint dan Mij, is Mijner niet waardig.
38ואשר לא יקח את צלבו והלך אחרי איננו כדי לי׃
38En wie zijn kruis niet opneemt en Mij niet volgt, is Mijner niet waardig.
39המצא את נפשו יאבדנה והמאבד את נפשו למעני הוא ימצאנה׃
39Wie zijn leven vindt, zal het verliezen; en wie terwille van Mij zijn leven verliest, zal het vinden.
40המקבל אתכם אותי הוא מקבל והמקבל אותי הוא מקבל את אשר שלחני׃
40Wie u opneemt, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt Hem op, die Mij gezonden heeft.
41המקבל נביא לשם נביא שכר נביא יקח והמקבל צדיק לשם צדיק שכר צדיק יקח׃
41Wie een profeet opneemt, omdat hij profeet is, zal het loon van een profeet ontvangen; en wie een rechtvaardige opneemt, omdat hij een rechtvaardige is, zal het loon van een rechtvaardige ontvangen.
42והמשקה את אחד הקטנים האלה רק כוס מים קרים לשם תלמיד אמן אמר אני לכם כי לא יאבד שכרו׃
42En wie slechts een beker koud water te drinken geeft aan een dezer kleinen, omdat hij een leerling is, voorwaar, Ik zeg u: hem zal zijn loon niet ontgaan.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.