Exode
Chapter 39
Louis Segond 1910
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Exode 39

Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Avec les étoffes teintes en bleu, en pourpre et en cramoisi, on fit les vêtements d’office pour le service dans le sanctuaire, et on fit les vêtements sacrés pour Aaron, comme l’Éternel l’avait ordonné à Moïse.
1De ambtsgewaden voor de dienst in het heiligdom vervaardigde men van violet, purper en karmozijn; men vervaardigde de heilige gewaden van Aäron juist zoals Jahweh het Moses bevolen had.
2On fit l’éphod d’or, de fil bleu, pourpre et cramoisi, et de fin lin retors.
2Hij maakte het borstkleed van goud, violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad.
3On étendit des lames d’or, et on les coupa en fils, que l’on entrelaça dans les étoffes teintes en bleu, en pourpre et en cramoisi, et dans le fin lin; il était artistement travaillé.
3Zij pletten het goud tot bladen en sneden het tot draden, om die kunstig tussen het violet, purper, karmozijn en het lijnwaad te weven.
4On y fit des épaulettes qui le joignaient, et c’est ainsi qu’il était joint par ses deux extrémités.
4De schouderbanden, die onderling verbonden waren, hechtte hij aan de twee uiteinden daarvan vast.
5La ceinture était du même travail que l’éphod et fixée sur lui; elle était d’or, de fil bleu, pourpre et cramoisi, et de fin lin retors, comme l’Éternel l’avait ordonné à Moïse.
5De band, die het borstkleed omsloot, was uit één stuk, en van hetzelfde maaksel: van goud, violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
6On entoura de montures d’or des pierres d’onyx, sur lesquelles on grava les noms des fils d’Israël, comme on grave les cachets.
6De beide onyxstenen, waarin de namen van Israëls zonen waren gegrift, zoals men in zegelstenen snijdt, vatte men in gouden zettingen.
7On les mit sur les épaulettes de l’éphod, en souvenir des fils d’Israël, comme l’Éternel l’avait ordonné à Moïse.
7Hij hechtte ze op de schouderbanden van het borstkleed als gedachtenisstenen voor Israëls zonen, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
8On fit le pectoral, artistement travaillé, du même travail que l’éphod, d’or, de fil bleu, pourpre et cramoisi, et de fin lin retors.
8Hij maakte de borsttas kunstig bewerkt van dezelfde stof als het borstkleed: van goud, violet, purper, karmozijn, en getwijnd lijnwaad.
9Il était carré; on fit le pectoral double: sa longueur était d’un empan, et sa largeur d’un empan; il était double.
9De borsttas was vierkant, en men vouwde haar dubbel; en dubbelgevouwen was zij een span lang en een span breed.
10On le garnit de quatre rangées de pierres: première rangée, une sardoine, une topaze, une émeraude;
10Men bezette haar met vier rijen edelstenen; op de eerste rij: een robijn, een topaas en een smaragd;
11seconde rangée, une escarboucle, un saphir, un diamant;
11op de tweede rij: een karbonkel, een saffier en een sardonix;
12troisième rangée, une opale, une agate, une améthyste;
12op de derde rij: een hyacint, een agaat en een ametist;
13quatrième rangée, une chrysolithe, un onyx, un jaspe. Ces pierres étaient enchâssées dans leurs montures d’or.
13en op de vierde rij: een chrysoliet, een onyx en een jaspis. Bij het zetten werden ze in gouden zettingen gevat.
14Il y en avait douze, d’après les noms des fils d’Israël; elles étaient gravées comme des cachets, chacune avec le nom de l’une des douze tribus.
14Deze stenen beantwoordden aan de namen van Israëls zonen; ze waren evenals hun namen twaalf in getal, en in iedere steen was de naam van één der twaalf stammen gegrift, zoals men een zegel snijdt.
15On fit sur le pectoral des chaînettes d’or pur, tressées en forme de cordons.
15Aan de borsttas maakte men kettinkjes van zuiver goud als koorden gevlochten.
16On fit deux montures d’or et deux anneaux d’or, et on mit les deux anneaux aux deux extrémités du pectoral.
16Men vervaardigde ook twee gouden ringen, die men aan de beide boveneinden van de borsttas vasthechtte.
17On passa les deux cordons d’or dans les deux anneaux aux deux extrémités du pectoral;
17Dan bevestigde men de twee gouden snoeren aan de beide ringen, die aan de boveneinden van de borsttas zaten.
18on arrêta par devant les bouts des deux cordons aux deux montures placées sur les épaulettes de l’éphod.
18De beide einden van de twee snoeren maakte men aan de beide zettingen vast, en hechtte ze aan de voorkant der schouderbanden van het borstkleed.
19On fit encore deux anneaux d’or, que l’on mit aux deux extrémités du pectoral, sur le bord intérieur appliqué contre l’éphod.
19Vervolgens maakte men nog twee gouden ringen, en bevestigde die aan de beide benedeneinden van de borsttas en wel aan de binnenrand, die tegen het borstkleed lag;
20On fit deux autres anneaux d’or, que l’on mit au bas des deux épaulettes de l’éphod, sur le devant, près de la jointure, au-dessus de la ceinture de l’éphod.
20bovendien nog twee gouden ringen, die men onder aan de voorkant van het borstkleed hechtte, boven de band van het borstkleed en vlak bij de sluiting.
21On attacha le pectoral par ses anneaux aux anneaux de l’éphod avec un cordon bleu, afin que le pectoral fût au-dessus de la ceinture de l’éphod et qu’il ne pût pas se séparer de l’éphod, comme l’Éternel l’avait ordonné à Moïse.
21Dan bond men de ringen van de borsttas met een purperen snoer aan de ringen van het borstkleed vast, zodat de borsttas boven de band van het borstkleed bleef hangen, en niet op het borstkleed kon verschuiven: zoals Jahweh het Moses bevolen had.
22On fit la robe de l’éphod, tissée entièrement d’étoffe bleue.
22Hij maakte over het borstkleed een kunstig geweven schoudermantel, geheel van violet.
23Il y avait, au milieu de la robe, une ouverture comme l’ouverture d’une cotte de mailles, et cette ouverture était bordée tout autour, afin que la robe ne se déchirât pas.
23De opening van de mantel was in het midden als de hals van een wapenrok, en was rondom gezoomd, zodat ze niet kon inscheuren.
24On mit sur la bordure de la robe des grenades de couleur bleue, pourpre et cramoisi, en fil retors;
24Aan de onderrand van de schoudermantel bracht men violette, purperen en karmozijnen granaatappeltjes aan.
25on fit des clochettes d’or pur, et on mit les clochettes entre les grenades, sur tout le tour de la bordure de la robe, entre les grenades:
25Men maakte belletjes van zuiver goud, en zette die tussen de granaatappeltjes, rond de onderrand van de schoudermantel;
26une clochette et une grenade, une clochette et une grenade, sur tout le tour de la bordure de la robe, pour le service, comme l’Éternel l’avait ordonné à Moïse.
26dus om beurt telkens een belletje en een granaatappeltje rond de onderrand van de schoudermantel, die voor de eredienst was bestemd, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
27On fit les tuniques de fin lin, tissées, pour Aaron et pour ses fils;
27Vervolgens maakte men voor Aäron en zijn zonen de tunieken van lijnwaad, kunstig bewerkt,
28la tiare de fin lin, et les bonnets de fin lin servant de parure; les caleçons de lin, de fin lin retors;
28de tulband en de hoofddoeken van lijnwaad, de linnen heupkleren van getwijnd lijnwaad,
29la ceinture de fin lin retors, brodée, et de couleur bleue, pourpre et cramoisi, comme l’Éternel l’avait ordonné à Moïse.
29en de kunstig bewerkte gordel van getwijnd lijnwaad, van violet, purper en karmozijn, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
30On fit d’or pur la lame, diadème sacré, et l’on y écrivit, comme on grave un cachet: Sainteté à l’Éternel.
30Tenslotte vervaardigde men de plaat, de heilige diadeem, van zuiver goud, en men grifte daarin, als in een zegel: Aan Jahweh gewijd.
31On l’attacha avec un cordon bleu à la tiare, en haut, comme l’Éternel l’avait ordonné à Moïse.
31Met een purperen snoer maakte men ze aan de tulband vast, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
32Ainsi furent achevés tous les ouvrages du tabernacle, de la tente d’assignation. Les enfants d’Israël firent tout ce que l’Éternel avait ordonné à Moïse; ils firent ainsi.
32Zo werd heel het werk van de tabernakel, de openbaringstent, voltooid en voerden de Israëlieten alles nauwkeurig uit, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
33On amena le tabernacle à Moïse: la tente et tout ce qui en dépendait, les agrafes, les planches, les barres, les colonnes et les bases;
33Toen brachten zij de tabernakel naar Moses, de Tent met al haar toebehoren, de haken, schotten en bindlatten, en de palen met hun voetstukken;
34la couverture de peaux de béliers teintes en rouge, la couverture de peaux de dauphins, et le voile de séparation;
34het dek van rood geverfde ramsvellen en het dekkleed van gelooide huiden en het afsluittapijt;
35l’arche du témoignage et ses barres, et le propitiatoire;
35de ark des Verbonds met haar handbomen en het verzoendeksel;
36la table, tous ses ustensiles, et les pains de proposition;
36de tafel met toebehoren en de toonbroden;
37le chandelier d’or pur, ses lampes, les lampes préparées, tous ses ustensiles, et l’huile pour le chandelier;
37de kandelaar van zuiver goud met zijn lampen er bovenop, met alle benodigdheden en de olie voor de kandelaar;
38l’autel d’or, l’huile d’onction et le parfum odoriférant, et le rideau de l’entrée de la tente;
38het gouden altaar, de zalfolie, de geurige wierook en het tapijt voor de ingang van de Tent;
39l’autel d’airain, sa grille d’airain, ses barres, et tous ses ustensiles; la cuve avec sa base;
39het bronzen altaar met zijn bronzen rasterwerk, zijn handbomen en al wat er bij hoort; het wasbekken met zijn onderstel;
40les toiles du parvis, ses colonnes, ses bases, et le rideau de la porte du parvis, ses cordages, ses pieux, et tous les ustensiles pour le service du tabernacle, pour la tente d’assignation;
40de gordijnen en palen, met hun voetstukken voor de voorhof; het tapijt voor de ingang van de voorhof; de touwen en pinnen, en alles wat er nodig was voor de bouw van de tabernakel, de openbaringstent;
41les vêtements d’office pour le sanctuaire, les vêtements sacrés pour le sacrificateur Aaron, et les vêtements de ses fils pour les fonctions du sacerdoce.
41de ambtsgewaden voor de eredienst in het heiligdom, de heilige gewaden voor den priester Aäron, en de priestergewaden voor zijn zonen.
42Les enfants d’Israël firent tous ces ouvrages, en se conformant à tous les ordres que l’Éternel avait donnés à Moïse.
42De kinderen Israëls hadden alles vervaardigd, juist zoals Jahweh het Moses bevolen had.
43Moïse examina tout le travail; et voici, ils l’avaient fait comme l’Éternel l’avait ordonné, ils l’avaient fait ainsi. Et Moïse les bénit.
43Toen Moses dan ook al het werk had gezien, en het bleek, dat zij alles volgens de bevelen van Jahweh hadden vervaardigd, zegende hij hen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.