2 Petro 2
Londona Biblio (Esperanto, 1910)Translation
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Sed ankaŭ falsaj profetoj troviĝis inter la popolo tiel same, kiel inter vi estos falsaj instruistoj, kiuj sekrete enkondukos herezojn pereigajn, eĉ malkonfesante la Sinjoron, kiu ilin elaĉetis, kaj venigante sur sin rapidan pereon.
1Maar er waren ook valse profeten opgestaan onder het Volk, zoals er ook valse leraars zullen zijn onder ú. Ze zullen verderflijke ketterijen binnensmokkelen, den Meester verloochenen, die hen heeft vrijgekocht, en zich zó een ras verderf berokkenen.
2Kaj ilian senbridecon sekvos multaj, per kiuj la vojo de la vero estos kalumniata.
2En velen zullen hun losbandigheid volgen; door hun toedoen zal de weg der Waarheid worden gelasterd.
3Kaj en avideco per trompaj paroloj ili vin komercos; ilia kondamno nun de post tre longe ne malfruas, kaj ilia pereo ne dormas.
3Ook zullen ze, door winzucht gedreven, u uitbuiten met sluwe woorden. Sinds lang reeds staat hun vonnis klaar, en hun ondergang sluimert niet in.
4Ĉar se Dio ne indulgis anĝelojn pekintajn, sed, eninferiginte ilin en kavernojn de mallumo, transdonis ilin rezervatajn por la juĝo;
4Want wanneer God de zondige engelen niet spaarde, maar ze naar de hel verwees, en opsloot in donkere holen, om ze vast te houden voor het oordeel;
5kaj ne indulgis la mondon antikvan, sed gardis Noan kun sep aliaj, predikanton de justeco, kiam Li sendis diluvon sur la mondon de malpiuloj;
5wanneer Hij de oude wereld niet spaarde, maar de zondvloed bracht over de wereld der goddelozen, maar het achttal van Noë, den heraut der gerechtigheid, in het leven behield;
6kaj, cindriginte la urbojn Sodom kaj Gomora, kondamnis ilin per katastrofo, farinte ilin ekzemplo al estontaj malpiuloj;
6wanneer Hij de steden Sódoma en Gomorra in as legde, ze ten ondergang doemde en ze tot voorbeeld stelde voor goddelozen uit later tijd,
7kaj savis justan Loton, ĉagrenegatan de la senbrida konduto de la malvirtuloj
7maar Lot den rechtvaardige redde, die door het liederlijk gedrag van tuchteloze lieden gekweld werd,
8(ĉar tiu justulo, loĝante inter ili, en vidado kaj aŭdado, turmentis sian justan animon, tagon post tago, pro iliaj malvirtaj faroj):
8daar deze rechtschapen man in hun midden vertoefde, en, dag in, dag uit, zijn rechtvaardige ziel heeft gefolterd door de schandelijke daden die hij zien moest en horen;
9la Sinjoro do scias savi el tento la piulojn, kaj teni sub puno la maljustulojn ĝis la tago de juĝo;
9dan staat het wel vast: de Heer weet de vromen uit de beproeving te redden, maar de bozen afgezonderd te houden, om ze te straffen op de dag van het oordeel;
10sed precipe tiujn, kiuj iras laŭ la karno en volupto de malpuraĵo, kaj malestimas regadon. Arogantaj, obstinaj, ili ne timas insulti aŭtoritatojn;
10hen bovenal, die leven naar het vlees in onreine begeerten, en die de Heerschappij verachten. Vermetel en verwaand schromen ze niet, de Heerlijkheden te beschimpen.
11sed kontraŭe, anĝeloj, superante laŭ forto kaj potenco, ne faras insultan akuzon kontraŭ ili antaŭ la Sinjoro.
11En terwijl de Engelen, hun meerderen in kracht en in macht, tegen haar geen smalend oordeel uitspreken bij den Heer,
12Sed tiuj, kiel bestoj senprudentaj, naskitaj laŭ naturo por kaptado kaj pereo, blasfemante en aferoj, kiujn ili ne scias, en sia putreco pereos,
12smalen zij wat ze niet kennen, als redeloos vee, van nature tot grijpen en moorden bestemd. En aan hun eigen verderf zullen ze ten verderve gaan;
13en malbono ricevante pagon por malbono; homoj, kiuj opinias entagan diboĉon plezuro kaj estas makuloj kaj hontindaĵoj, diboĉante en sia uzado de la agapoj, dum ili kunfestenas kun vi;
13ze worden bedrogen als loon voor bedrog. Slempen des daags is hun een genot, dat vuil, die schandvlekken; en als ze met u de gemeenschappelijke maaltijd houden, brassen ze van hun bedriegerijen.
14havante okulojn plenajn de adulto kaj ne reteneblajn de pekado; forlogante malfirmajn animojn; havante koron lertan por avideco; estante filoj de malbeno;
14Hun ogen zijn vol overspel en rusteloos in de zonde; wankelende zielen verlokken ze er mee. Hun hart is in hebzucht volleerd; die kinderen der vervloeking!
15forlasinte la rektan vojon kaj erarvaginte, sekvinte la vojon de Bileam, filo de Beor, kiu amis la rekompencon de malbonfarado;
15Ze hebben de rechte weg verlaten, en zijn aan het dwalen geraakt; ze hebben de weg van Bálaäm gevolgd, van Beórs zoon, die het loon der ongerechtigheid liefhad,
16sed li estis riproĉita pro sia malobeo; muta azeno, parolante per homa voĉo, haltigis la frenezecon de la profeto.
16maar een berisping voor zijn overtreding ontving: het stomme lastdier, sprekend met menselijke stem, stuitte de waanzin van den profeet.
17Ili estas putoj senakvaj, kaj nebuletoj pelataj de ventego; por ili la nigreco de mallumo estas rezervita.
17Ze zijn bronnen zonder water, nevelwolken opgestuwd door de wind; de uiterste duisternis staat hen te wachten.
18Ĉar, elparolante fanfaronaĵojn de vanteco, ili forlogas en la karnovolupton per senbrideco tiujn, kiuj ĵus forsaviĝis de tiuj, kiuj vivadas en eraro;
18Want met hun ijdele grootspraak en losbandige vleselijke lusten verlokken ze hen, die zich ternauwernood van de dolende heidenen hebben afgewend.
19anoncante al ili liberecon, ili mem estas sklavoj de putreco; ĉar al kiu iu submetiĝas, al tiu ankaŭ li sklaviĝas.
19Vrijheid spiegelen ze hun voor, maar zelf zijn ze slaven van het bederf; want door wien men overwonnen is, van hem is men de slaaf.
20Ĉar se, forsaviĝinte el la malpuraĵoj de la mondo per la scio de la Sinjoro kaj Savanto Jesuo Kristo, ili estos denove tien implikitaj kaj venkitaj, ilia lasta stato fariĝos pli malbona, ol la unua.
20Wanneer men immers door de kennis van Jesus Christus, onzen Heer en Verlosser, de besmetting der wereld is ontvlucht, maar er weer in verstrikt raakt en het onderspit delft, dan is voor zo iemand het laatste erger nog dan het eerste.
21Ĉar estus por ili pli bone ne ekkoni la vojon de justeco, ol, ekkoninte ĝin, returni sin for de la sankta ordono al ili transdonita.
21Want beter was het voor hen, de weg der gerechtigheid niet te hebben gekend, dan het heilig gebod, dat ze kregen, wèl te kennen, maar het de rug toe te keren.
22Al ili okazis laŭ la vera proverbo: Hundo reveninta al sia vomitaĵo, kaj porkino lavita al ruliĝado en koto.
22Voor hen blijft gelden, wat het toepasselijke spreekwoord zegt: “Een hond keert terug naar zijn eigen braaksel,” en “een schoon-gewassen zwijn wentelt zich weer in de modder.”
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.