Genesis
Chapter 41
Douay-Rheims Bible, Amer…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1After two years Pharao had a dream. He thought he stood by the river,
1Twee jaren later had ook Farao een droom. Zie, hij stond aan de Nijl.
2Out of which came up seven kine, very beautiful and fat: and they fed in marshy places.
2Daar klommen uit de Nijl zeven koeien omhoog, prachtig en vet, die in het oevergras gingen weiden.
3Other seven also came up out of the river, ill favoured, and leanfleshed: and they fed on the very bank of the river, in green places:
3Maar zie, daarna klommen zeven andere koeien uit de Nijl omhoog, lelijk en mager, die naast de eerste gingen staan aan de oever van de Nijl.
4And they devoured them, whose bodies were very beautiful and well conditioned. So Pharao awoke.
4De lelijke en magere koeien slokten de zeven prachtige en vette koeien op. Toen ontwaakte Farao.
5He slept again, and dreamed another dream: Seven ears of corn came up upon one stalk full and fair:
5Hij sliep weer in, en droomde opnieuw. En zie, zeven aren schoten op uit één halm, zwaar en prachtig.
6Then seven other ears sprung up thin and blasted,
6Maar daarna schoten zeven andere aren op, spichtig en door de oostenwind verschroeid.
7And devoured all the beauty of the former. Pharao awaked after his rest:
7En de spichtige aren slokten de dikke en volle op. Toen ontwaakte Farao, en merkte dat het een droom was geweest.
8And when morning was come, being struck with fear, he sent to all the interpreters of Egypt, and to all the wise men: and they being called for, he told them his dream, and there was not any one that could interpret it.
8De volgende morgen was Farao erover verontrust. Hij ontbood alle geleerden en wijzen van Egypte, en verhaalde hun zijn droom. Maar er was niemand, die Farao uitleg kon geven.
9Then at length the chief butler remembering, said: I confess my sin:
9Toen sprak de opperschenker tot Farao: Nu moet ik eerlijk mijn schuld bekennen.
10The king being angry with his servants, commanded me and the chief baker to be cast into the prison of the captain of the soldiers:
10Toen Farao indertijd vertoornd was op zijn dienaren, had hij mij en den hofbakker gevangen gezet in het huis van den overste van de lijfwacht.
11Where in one night both of us dreamed a dream foreboding things to come.
11Daar hadden wij in dezelfde nacht een droom; ieder van ons had een droom met eigen betekenis.
12There was there a young man a Hebrew, servant to the same captain of the soldiers: to whom we told our dreams,
12Nu was daar bij ons een hebreeuwse jongeman, een slaaf van den overste van de lijfwacht. We vertelden hem onze dromen, en hij legde ze voor ons uit, iedere droom met zijn eigen zin.
13And we heard what afterwards the event of the thing proved to be so. For I was restored to my office: and he was hanged upon a gibbet.
13En zoals hij het ons had uitgelegd, is het gebeurd. Men heeft mij in mijn ambt hersteld, hem hing men op.
14Forthwith at the king’s command, Joseph was brought out of the prison, and they shaved him, and changing his apparel, brought him in to him.
14Toen liet Farao Josef roepen. Men haalde hem vlug uit de gevangenis; en nadat hij zich geschoren had en andere kleren had aangetrokken, begaf hij zich naar Farao.
15And he said to him: I have dreamed dreams, and there is no one that can expound them: Now I have heard that thou art very wise at interpreting them.
15En Farao sprak Josef toe: Ik heb een droom gehad, en er is niemand, die hem kan uitleggen. Nu heb ik over u horen zeggen, dat gij een droom kunt uitleggen, zodra ge hem hoort.
16Joseph answered: Without me, God shall give Pharao a prosperous answer.
16Josef gaf Farao ten antwoord: Ik zelf kan niets; maar God zal Farao openbaren, wat hem tot heil strekt.
17So Pharao told what he had dreamed: Methought I stood upon the bank of the river,
17Toen sprak Farao tot Josef: In mijn droom stond ik aan de oever van de Nijl.
18And seven kine came up out of the river exceeding beautiful and full of flesh: and they grazed on green places in a marshy pasture.
18En zie, uit de Nijl klommen zeven koeien omhoog, vet en prachtig, die in het oevergras gingen weiden.
19And behold, there followed these, other seven kine, so very ill favoured and lean, that I never saw the like in the land of Egypt:
19Maar zie, daarna klommen zeven andere koeien omhoog, schraal, erg lelijk en mager; zo lelijk, als ik ze in heel Egypte nog nooit heb gezien.
20And they devoured and consumed the former,
20De magere en lelijke koeien slokten de zeven eerste, de vette, op.
21And yet gave no mark of their being full: but were as lean and ill favoured as before. I awoke, and then fell asleep again,
21Ze kwamen in haar buik terecht, maar men merkte er niets van; ze bleven even lelijk als vroeger. Toen werd ik wakker.
22And dreamed a dream: Seven ears of corn grew upon one stalk, full and very fair.
22Opnieuw zag ik in mijn droom. Zie, zeven aren schoten op uit één halm, vol en prachtig.
23Other seven also thin and blasted, sprung of the stock:
23Maar daarna schoten zeven andere aren op, dor, spichtig en door de oostenwind verschroeid.
24And they devoured the beauty of the former: I told this dream to the conjecturers, and there is no man that can expound it.
24En de spichtige aren slokten de zeven prachtige op. Ik heb het aan de geleerden verhaald, maar niemand kon mij uitleg geven.
25Joseph answered: The king’s dream is one: God hath shewn to Pharao what he is about to do.
25Nu sprak Josef tot Farao: De dromen van Farao zijn één. God heeft Farao geopenbaard, wat Hij van plan is te doen.
26The seven beautiful kine, and the seven full ears, are seven years of plenty: and both contain the same meaning of the dream.
26De zeven vette koeien betekenen zeven jaren; de zeven vette aren eveneens zeven jaren. Het is maar één droom.
27And the seven lean and thin kine that came up after them, and the seven thin ears that were blasted with the burning wind, are seven years of famine to come:
27Ook de zeven magere en lelijke koeien, die na haar omhoog klommen, betekenen zeven jaren, en de zeven spichtige aren, door de oostenwind verschroeid, eveneens zeven jaren van hongersnood.
28Which shall be fulfilled in this order:
28Dit bedoelde ik, toen ik tot Farao zeide, dat God aan Farao heeft getoond, wat Hij van plan is te doen.
29Behold, there shall come seven years of great plenty in the whole land of Egypt:
29Zie, er gaan voor Egypte zeven jaren van grote overvloed komen.
30After which shall follow other seven years of so great scarcity, that all the abundance before shall be forgotten: for the famine shall consume all the land,
30Daarna zullen er zeven jaren van hongersnood aanbreken, waarin heel de overvloed van Egypte zal worden vergeten, en hongersnood het land zal teisteren.
31And the greatness of the scarcity shall destroy the greatness of the plenty.
31Dan zal men in het land niets meer van overvloed merken door de hongersnood, die er op volgt; want die zal zeer hevig zijn.
32And for that thou didst see the second time a dream pertaining to the same thing: it is a token of the certainty, and that the word of God cometh to pass, and is fulfilled speedily.
32En dat de droom zich voor Farao herhaald heeft, betekent, dat God het vast heeft besloten en het spoedig ten uitvoer zal brengen.
33Now therefore let the king provide a wise and industrious man, and make him ruler over the land of Egypt:
33Farao moge dus omzien naar een verstandig en kundig man, en dien over Egypteland aanstellen.
34That he may appoint overseers over all the countries: and gather into barns the fifth part of the fruits, during the seven fruitful years,
34Laat Farao aldus te werk gaan: hij stelle opzichters aan over het land, om in de zeven jaren van overvloed het vijfde deel te heffen van de opbrengst van Egypte.
35That shall now presently ensue: and let all the corn be laid up under Pharao’s hands and be reserved in the cities.
35Ze moeten in de goede jaren, die nu gaan komen, allerlei levensmiddelen verzamelen, en in de steden het koren opslaan en bewaren ter beschikking van Farao.
36And let it be in readiness, against the famine of seven years to come, which shall oppress Egypt, and the land shall not be consumed with scarcity.
36Dan zullen die levensmiddelen de voorraad vormen voor het land voor de zeven jaren van hongersnood, die over Egypte gaan komen, en zal het land niet van honger te gronde gaan.
37The counsel pleased Pharao and all his servants.
37Dit voorstel scheen Farao en heel zijn hof verstandig.
38And he said to them: Can we find such another man, that is full of the spirit of God?
38En Farao sprak tot zijn hovelingen: Zou er een man zijn te vinden, in wien Gods geest is als in hem?
39He said therefore to Joseph: Seeing God hath shewn thee all that thou hast said, can I find one wiser and one like unto thee?
39En Farao zeide tot Josef: Nu God u dat alles heeft geopenbaard, is er niemand zo verstandig en kundig als gij.
40Thou shalt be over my house, and at the commandment of thy mouth all the people shall obey: only in the kingly throne will I be above thee.
40Gij zult dus niet enkel mijn huis besturen, maar heel het volk zal aan uw bevel gehoorzamen, en alleen door mijn troon zal ik boven u staan.
41And again Pharao said to Joseph: Behold, I have appointed thee over the whole land of Egypt.
41En Farao vervolgde tot Josef: Hiermee stel ik u aan over heel het land van Egypte!
42And he took his ring from his own hand, and gave it into his hand: and he put upon him a robe of silk, and put a chain of gold about his neck.
42En Farao trok de zegelring van zijn vinger, stak die aan de hand van Josef, trok hem een kostbaar linnen gewaad aan, en hing hem een gouden keten om de hals.
43And he made him go up into his second chariot, the crier proclaiming that all should bow their knee before him, and that they should know he was made governor over the whole land of Egypt.
43Daarna liet hij hem zijn eigen wagen bestijgen, de beste op een na, en men riep voor hem uit: Op de knieën! Zo stelde Farao Josef aan over heel het land van Egypte.
44And the king said to Joseph: I am Pharao; without thy commandment no man shall move hand or foot in all the land of Egypt.
44En hij zeide tot hem: Ik blijf Farao; maar buiten uw wil zal niemand hand of voet verroeren in heel het land van Egypte.
45And he turned his name, and called him in the Egyptian tongue, The saviour of the world. And he gave him to wife Aseneth the daughter of Putiphare priest of Heliopolis. Then Joseph went out to the land of Egypt:
45Farao gaf Josef de naam Safenat-Panéach, en schonk hem Asenat, de dochter van Poti-Féra, den priester van On, tot vrouw.
46(Now he was thirty years old when he stood before king Pharao) and he went round all the countries of Egypt.
46Josef was dertig jaar oud, toen hij in dienst trad van Farao, den koning van Egypte. Nu ging Josef van Farao heen, en doorreisde heel het land van Egypte.
47And the fruitfulness of the seven years came: and the corn being bound up into sheaves was gathered together into the barns of Egypt.
47En terwijl het land in de zeven jaren van overvloed volop droeg,
48And all the abundance of grain was laid up in every city.
48verzamelde hij in die zeven jaren, dat er overvloed was in Egypte, allerlei levensmiddelen. Hij stapelde ze op in de steden; in iedere stad sloeg hij de oogst op van de velden rondom.
49And there was so great abundance of wheat, that it was equal to the sand of the sea, and the plenty exceeded measure.
49En Josef hoopte het koren op als het zand aan de zee; zo ontzaggelijk veel, dat men ophield met meten, omdat het niet meer te meten was.
50And before the famine came, Joseph had two sons born: whom Aseneth the daughter of Putiphare priest of Heliopolis bore unto him.
50Nog eer het jaar van de hongersnood kwam, kreeg Josef twee zonen, die Asenat, de dochter van Poti-Féra, den priester van On, hem baarde.
51And he called the name of the firstborn Manasses, saying: God hath made me to forget all my labours, and my father’s house.
51Josef noemde den oudste Manasse; want God heeft me al mijn ellende en heel mijn vaderlijk huis doen vergeten.
52And he named the second Ephraim, saying: God hath made me to grow in the land of my poverty.
52Den tweede noemde hij Efraïm; want God heeft mij vruchtbaar gemaakt in het land van mijn ongeluk.
53Now when the seven years of the plenty that had been in Egypt were past:
53Toen nu de zeven jaren van overvloed, die in Egypte heerste, ten einde waren,
54The seven years of scarcity, which Joseph had foretold, began to come: and the famine prevailed in the whole world, but there was bread in all the land of Egypt.
54braken de zeven jaren van hongersnood aan, zoals Josef voorspeld had. In alle landen was er gebrek, maar in heel het land van Egypte was brood.
55And when there also they began to be famished, the people cried to Pharao for food. And he said to them: Go to Joseph: and do all that he shall say to you.
55En toen ook heel Egypte honger begon te krijgen, en het volk tot Farao om brood riep, zeide Farao tot alle Egyptenaren: Gaat tot Josef, en doet wat hij u zegt.
56And the famine increased daily in all the land: and Joseph opened all the barns, and sold to the Egyptians: for the famine had oppressed them also.
56En toen er hongersnood heerste over het hele land, opende Josef de graanschuren, en verkocht het koren aan de Egyptenaren. En ofschoon er ook in Egypte hongersnood woedde,
57And all provinces came into Egypt, to buy food, and to seek some relief of their want.
57kwamen alle landen naar Egypte, om van Josef koren te kopen; want de hongersnood teisterde ook de hele wereld.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.