2 Corinthians 10
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)Translation
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Now I Paul myself beseech you, by the mildness and modesty of Christ, who in presence indeed am lowly among you, but being absent, am bold toward you.
1Ik, Paulus zelf, die dichtbij zo schuchter jegens u ben, maar op een afstand heel dapper, ik vermaan u bij Christus’ zachtmoedigheid en gematigdheid;
2But I beseech you, that I may not be bold when I am present, with that confidence wherewith I am thought to be bold, against some, who reckon us as if we walked according to the flesh.
2en ik bid u, bij mijn komst niet krachtdadig te moeten ingrijpen met die beslistheid, waarmee ik denk op te treden tegen dat slag van lieden, die menen, dat we wandelen naar het vlees.
3For though we walk in the flesh, we do not war according to the flesh.
3Want wel wandelen we in het vlees, maar we kampen niet naar het vlees.
4For the weapons of our warfare are not carnal, but mighty to God unto the pulling down of fortifications, destroying counsels,
4De wapens toch, waarmee we kampen, zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God, om er burchten mee neer te halen; diepzinnigheden werpen we er mee omver,
5And every height that exhalteth itself against the knowledge of God, and bringing into captivity every understanding unto the obedience of Christ;
5ook elke hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God; alle denken nemen we er mee gevangen, om het te brengen onder gehoorzaamheid van Christus;
6And having in readiness to revenge all disobedience, when your obedience shall be fulfilled.
6en we houden ze gereed, om iedere ongehoorzaamheid te straffen, zo gauw úw gehoorzaamheid maar volmaakt is.
7See the things that are according to outward appearance. If any man trust to himself, that he is Christ’s, let him think this again with himself, that as he is Christ’s, so are we also.
7Geeft acht op wat voor de hand ligt. Is iemand overtuigd, dat hij Christus toebehoort, dan mag hij toch wel bij zichzelf eens bedenken, dat ook wij Christus toebehoren, evengoed als hij.
8For if also I should boast somewhat more of our power, which the Lord hath given us unto edification, and not for your destruction, I should not be ashamed.
8Ja, al ging ik nog veel verder met roemen op de volmacht, die de Heer mij gaf, om u op te bouwen, maar niet om u te gronde te richten, ik zou er niet over te blozen hebben.
9But that I may not be thought as it were to terrify you by epistles,
9Maar ik wil de schijn niet hebben, dat ik u met mijn brieven vrees wil aanjagen.
10(For his epistles indeed, say they, are weighty and strong; but his bodily presence is weak, and his speech contemptible,)
10Want, zo heet het: de brieven zijn gewichtig en krachtig, maar zijn persoonlijk optreden is zwak, zijn spreken onbeduidend.
11Let such a one think this, that such as we are in word by epistles, when absent, such also we will be indeed when present.
11Laat hij, die zó spreekt, er wel aan denken, dat we van dichtbij zó zullen zijn met de daad, als we het uit de verte in onze brieven zijn met het woord.
12For we dare not match, or compare ourselves with some, that commend themselves; but we measure ourselves by ourselves, and compare ourselves with ourselves.
12Maar wat we niet durven: ons op één lijn stellen, of zelfs vergelijken met dat soort lieden, die zich zo gaarne laten gelden. Zij toch meten zich af naar zichzelf, en vergelijken zich met zichzelf, zonder het te bespeuren.
13But we will not glory beyond our measure; but according to the measure of the rule, which God hath measured to us, a measure to reach even unto you.
13Wij daarentegen zullen niet gaan roemen zonder maat te houden, maar slechts volgens het meetsnoer, dat God ons tot maat heeft gegeven: en dit is, dat we tot u zouden doordringen.
14For we stretch not ourselves beyond our measure, as if we reached not unto you. For we are come as far as to you in the gospel of Christ.
14We rekken ons dus niet buiten dit meetsnoer uit, als waart gij buiten ons bereik gebleven; want feitelijk zijn we tot u doorgedrongen met het Evangelie van Christus.
15Not glorying beyond measure in other men’s labours; but having hope of your increasing faith, to be magnified in you according to our rule abundantly;
15We beroemen ons dan ook niet buiten die maat, en op het werk van anderen. Maar wel koesteren we de hoop, dat we, bij het toenemen van het geloof in uw midden, met ons eigen meetsnoer ons nog aanmerkelijk zullen uitbreiden,
16Yea, unto those places that are beyond you, to preach the gospel, not to glory in another man’s rule, in those things that are made ready to our hand.
16en het Evangelie in verder liggende streken zullen verkondigen. Maar dan niet met het meetsnoer van anderen, om ons te roemen op wat reeds gedaan is!
17But he that glorieth, let him glory in the Lord.
17Bovendien, “wie roemt, roeme in den Heer.”
18For not he who commendeth himself, is approved, but he, whom God commendeth.
18Want niet die zichzelf prijst is goed bevonden, maar die geprezen wordt door den Heer.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.