Mataio
Chapter 8
Meriam Mir Gospels

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Petrus Canisius Bi…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Old Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Mataio 8

Meriam Mir Gospels
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Iesu uatabu abele paerlam, epe abi irmili gaire le lakub.
1Toen Hij van de berg was afgedaald, volgden Hem talrijke scharen.
2Dasmerare, nerute lepera tabarki a etkobeilu abim, kega, Opole ae, ese ma lag ma umele kari idigiri.
2En zie, een melaatse trad op Hem toe, wierp zich voor Hem neer, en zeide: Heer, zo Gij wilt, kunt Gij me reinigen.
3Ege Iesu ra tagu itirimuriklu a itutilu abim, E kega, Kara lag mari idigir. Epe sobkak idigir abara leper.
3Jesus strekte de hand uit, raakte hem aan, en sprak: Ik wil; word gereinigd. En aanstonds was hij van zijn melaatsheid gereinigd.
4Ege Iesu abi detager, kega, Debele ma nole atomeret kak nerute le; a ma bakeamulu mabu, etomeret abele zogo le, a ma abi ikuar zeku lu mokakalam Mose ra gelar, atamelam uiabim.
4Jesus zeide tot hem: Let er op, dat ge dit aan niemand vertelt; maar ga heen, vertoon u aan den priester, en offer de gave, die Moses als een bewijs voor hen heeft voorgeschreven.
5Ege Iesu Kaperenauma tabarki, epe abele kerem le, abele netat handed le abara nosik, E tabaruk a abi damsare,
5Toen Hij nu binnen Kafárnaum kwam, trad een honderdman op Hem toe met de bede:
6Kega, Opole ae, kara memeg le eidi meta ge gimgim, abele kegar au asiasi.
6Heer, mijn knecht ligt thuis verlamd, en lijdt hevige pijnen.
7Ege Iesu abi detager, kega, Mena kaka bakeamulu a abi idigir
7Jesus zeide hem: Ik zal komen, en hem genezen.
8Kerem le, netat handed le abara nosik, abi detager, kega, Opole ae, nole abkoreb ma tabakeam bao muige kara meta; epe netat mara mer tabarki, a idigir kara memeg le.
8Maar de honderdman antwoordde: Heer, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt: maar spreek slechts één woord, en mijn knecht zal genezen.
9Abelelam kaka nerute le kari sirdam, a kaka sirdam abele gaire ares le; ese kaka abi detager nerute le, Ma bakeam, epe E bakeam; a nerute le, Ma tabakeam, a ko tabakeam; pako kara memeg le, Ma ikeli abele lu, epe E ikeli.
9Want ook ik ben een man, die zelf onder gezag ben gesteld, en die soldaten onder mij heb. En tot den een zeg ik: “Ga”, en hij gaat; en tot den ander: “Kom”, en hij komt; en tot mijn knecht: “Doe dit”, en hij doet het.
10Ege Iesu asoli, E au damared, E uiabim detagerare gaire le abi irmilare, kega, Ageakar kaka uabi detagerare, kaka nole erdali nerute Isaraela le nagri au oituli mokakalam.
10Toen Jesus dit hoorde, was Hij verwonderd, en sprak tot hen, die Hem volgden: Voorwaar, Ik zeg u: Zo’n groot geloof heb Ik zelfs in Israël niet gevonden.
11Kaka uabi detagerare kega, Gaire le tabakeuare naigerlam a siailam, ko kemem okakis eroare Aberahama, a Isaaka, a Iakobo, abele kotor baselaia ge:
11Ik zeg u, dat velen zullen komen van het oosten en het westen, en zullen aanzitten in het rijk der hemelen, met Abraham, Isaäk en Jakob;
12Epe ged kemle uerem giz uiaba imuare abele kupikup adige, a nagri au ebazuer a tereg ikukumared.
12maar dat de kinderen van het rijk zullen worden uitgeworpen naar buiten, de duisternis in; daar zal geween zijn en gekners der tanden.
13Ege Iesu abi detager abele kerem le, handed le abara nosik, Ma bakeam, mokakalam mara oituli, a ko ikeli marim abkoreb. Epe akaida abara memeg le abele haua ge.
13En tot den honderdman sprak Jesus: Ga, en zoals ge geloofd hebt, zo geschiede het u. En op hetzelfde uur genas de knecht.
14Epe Iesu balu abele Peteru ra meta ge, E abi erdali abele apu Peteru ra kosker eidi abele urueri gim.
14En toen Jesus in het huis van Petrus was gekomen, zag Hij, dat zijn schoonmoeder bedlegerig was en lijdend aan koorts.
15E itutilu abele kosker ra tag, epe akaida abara urueri gim; a E tekueilu abi memeg le uiabim.
15Hij nam haar bij de hand, en de koorts verliet haar; en ze stond op, en bediende Hem.
16Epe kikem, uiaba taraisare gaire le demoni barota; epe namuare adud lamar giz abele abara merlam, E idigiri uiaba gim le giz:
16Bij het vallen van de avond bracht men vele bezetenen naar Hem toe; en met één woord dreef Hij de geesten uit, en genas Hij alle zieken;
17Iaueakai bakedida abele Isaia ra mer, kega, E ais meriba gebegeb, a ko bakuar meriba gim.
17opdat vervuld zou worden, wat door den profeet Isaias was gezegd: “Hij draagt onze kwalen en torst onze smarten”.
18Ege Iesu dasmerare gaire le lakub abi derumeda, epe E uiabi detagerare, Ua bakeuare nerute apek.
18Toen Jesus eens een grote menigte rondom Zich zag, beval Hij, het meer over te steken.
19Epe nerute aotale tabarki, a abi detager, kega, Ereuer le, kaka mari irmili gaire uteb ma bakeam.
19Een schriftgeleerde kwam naar Hem toe, en zeide: Meester, ik zal U volgen, waarheen Gij ook gaat.
20Ege Iesu abi detager, kega, Arobe nagri abara kur, a ebur giz epereda nagri uteb uteidi; ege Le la Uerem E nole abara uteb uteidi.
20Doch Jesus sprak tot hem: De vossen hebben holen, en de vogels in de lucht hebben nesten; maar de Mensenzoon heeft niets, om er zijn hoofd op te leggen.
21Ege nerute abara kaimeg giz abi detager, Opole ae, ma kari namarid kaka kekiam bakeam etkobei kara aba.
21Een ander van zijn leerlingen zeide Hem: Heer, sta me toe, eerst mijn vader te gaan begraven.
22Ege Iesu abi detager, Kari narmili; a dikaer eud le giz uiaba etkobei eud le giz.
22Maar Jesus zei hem: Volg Mij, en laat de doden hun doden begraven.
23E atiem abele nar, epe abara kaimeg giz abi irmilare.
23Toen Hij nu de boot in ging, volgden Hem zijn leerlingen.
24Dasmerare, abele au uag tabarki abele gur ge, epe gaire zauber etatakoi abele nar; a E uteidi.
24En zie, een hevige storm brak los op het meer, zodat de golven over de boot heensloegen; Hij echter sliep.
25Epe abara kaimeg giz tabakeam, a abi itir, kega, Opole ae, ma uerkab keribim, a keriba maike nabaumer.
25Zijn leerlingen liepen naar Hem toe, wekten Hem, en zeiden: Heer, red ons, wij vergaan.
26Ege E uiabi detagerare, kega, Nalugelam uaba geum, uaba kebikebi oituli? Epe E tekueilu, a dasiumda abele uag pako abele gur, iaueakai au metalug.
26Jesus sprak tot hen: Wat zijt gij bevreesd, kleingelovigen? Toen stond Hij op, gebood de winden en het meer, en er ontstond een grote kalmte.
27Ege uiaba le giz abi damared, kega, Au kale abele Opole, abelelam uag a gur aserei.
27De mensen waren verbaasd en zeiden: Wie is Hij toch, dat zelfs de winden en het meer Hem gehoorzamen?
28Ege E bakeamulu nerute apek abele ged Geregese tabarki, ege obapitei neis le demoni badariei tabakeamlam aolam, uiaba au saserim, umer kak nerute le ekase abele gab ge.
28Toen Hij aan de overzijde van het meer was gekomen, in het land der Gerasenen, liepen twee bezetenen uit de grafspelonken Hem tegemoet, die zo woest waren, dat niemand langs die weg kon gaan.
29Darasmer, neis le ereretikri, kega, Nalu mara mer keribim, Iesu ae, Ade ra Uerem? Nako ma tabakeam ike keribim ikeli asiasi a nole bakedida abele niai kerker?
29En zie, ze schreeuwden: Wat hebt Gij met ons te maken, Jesus, zoon van God? Zijt Gij hier gekomen, om ons te kwellen vóór de tijd?
30Ege muriz ge abele gaire borom degemeli.
30Heel in de verte was een grote troep zwijnen aan het grazen.
31Uiaba demoni giz abi damsare, kega, Ese ma keribim imuare adige, ma keribim namarid gaire borom giz.
31De duivels vroegen Hem: Als Gij ons hier uitwerpt, zend ons dan in de troep zwijnen.
32Ege E abi detager uiabim, Ua bakeuare. Ui ge baos adem, a bakeuare abele gaire boromaem; darasmerare, abele borom au isir baupamarti abele au uak gur ge, a baum eseamulu abele gur ge.
32Hij zeide hun: Gaat. Ze gingen, en wierpen zich op de zwijnen; en zie, de hele troep plofte van de steilte in het meer, en kwam om in de golven.
33Ege gaire le asisiem a koreder bamer, a baos abele uteb ge, a natomertare gaire lu uridili, a pako gaire lu ikeli neis le demoni dedkoli.
33Toen vluchtten de drijvers heen, en in de stad gekomen, verhaalden ze alles, ook van hen, die bezeten waren geweest.
34Dasmerare, gaire le uridili tabarkare abele utebelam a obapitare Iesuim; uaiba abi erdarare, epe uiaba abi damsare, A ma bakeam adem keriba gedlam.
34En zie, de hele stad liep uit, Jesus tegemoet; maar zodra ze Hem zagen, verzochten ze Hem, heen te gaan uit hun gebied.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.