Hooglied 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Wat zijt ge verrukkelijk, mijn liefste: Uw ogen liggen als duiven achter uw sluier, Uw lokken zijn als een kudde geiten, Die neergolft van Gilads gebergte.
1הנך יפה רעיתי הנך יפה עיניך יונים מבעד לצמתך שערך כעדר העזים שגלשו מהר גלעד׃
2Uw tanden als een kudde, die pas is geschoren, En zo uit het bad; Die allen tweelingen hebben, Waarvan er geen enkel ontbreekt.
2שניך כעדר הקצובות שעלו מן הרחצה שכלם מתאימות ושכלה אין בהם׃
3Als een band van purper uw lippen, Aanminnig uw mond; Als granatenhelften blozen uw wangen Door uw sluier heen.
3כחוט השני שפתתיך ומדבריך נאוה כפלח הרמון רקתך מבעד לצמתך׃
4Uw hals als de toren van David, Gebouwd met kantélen: Duizend schilden hangen er aan, Louter rondassen van helden.
4כמגדל דויד צוארך בנוי לתלפיות אלף המגן תלוי עליו כל שלטי הגבורים׃
5Uw beide borsten twee welpen, Tweelingen van de gazel, die in de leliën weiden,
5שני שדיך כשני עפרים תאומי צביה הרועים בשושנים׃
6Totdat de dag is afgekoeld En de schaduwen vlieden. Ik wil naar de berg van mirre gaan En naar de heuvel van wierook;
6עד שיפוח היום ונסו הצללים אלך לי אל הר המור ואל גבעת הלבונה׃
7Want alles is schoon aan u, liefste, Geen vlek op u! …
7כלך יפה רעיתי ומום אין בך׃
8Van de Libanon, mijn bruid, Met mij zijt ge van de Libanon gekomen, Hebt ge Amana’s top verlaten, De top van Senir en de Hermon: De holen der leeuwen, De bergen der panters.
8אתי מלבנון כלה אתי מלבנון תבואי תשורי מראש אמנה מראש שניר וחרמון ממענות אריות מהררי נמרים׃
9Gij hebt mij betoverd, mijn zuster, bruid, Betoverd met één blik van uw ogen, Met één lijn van uw hals!.
9לבבתני אחתי כלה לבבתיני באחד מעיניך באחד ענק מצורניך׃
10Hoe schoon is uw liefde, mijn zuster, bruid, Hoe strelend uw minne meer dan de wijn, Hoe heerlijk uw geuren, lieflijker nog dan de balsem.
10מה יפו דדיך אחתי כלה מה טבו דדיך מיין וריח שמניך מכל בשמים׃
11Van honingzoet druipen Uw lippen, o bruid; Honing en melk Zijn onder uw tong; De geur uwer kleren Is als Libanon-geur.
11נפת תטפנה שפתותיך כלה דבש וחלב תחת לשונך וריח שלמתיך כריח לבנון׃
12Een gegrendelde hof is mijn zuster, bruid, Een gesloten wel, Een verzegelde bron:
12גן נעול אחתי כלה גל נעול מעין חתום׃
13Uw lusthof is een paradijs van granaten, Met allerlei kostelijke vruchten, Met hennabloemen en nardusplanten,
13שלחיך פרדס רמונים עם פרי מגדים כפרים עם נרדים׃
14Saffraan, kaneel en muskaat, Met wierookgewassen, mirre en aloë, En een keur van heerlijke balsem!
14נרד וכרכם קנה וקנמון עם כל עצי לבונה מר ואהלות עם כל ראשי בשמים׃
15Een bron in de tuinen Een wel van levend water, Dat van de Libanon stroomt.
15מעין גנים באר מים חיים ונזלים מן לבנון׃
16Waak op, noordenwind, Zuidenwind, kom! Waai door mijn hof, Laat zijn balsemgeur stromen: Opdat mijn beminde in zijn lusthof kome, Er zijn kostelijke vruchten mag smaken.
16עורי צפון ובואי תימן הפיחי גני יזלו בשמיו יבא דודי לגנו ויאכל פרי מגדיו׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.