Numeri
Chapter 3
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Berean Standard Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Berean Standard Bible
1Dit waren de nakomelingen van Aäron, toen Jahweh op de berg Sinaï tot Moses sprak.
1This is the account of Aaron and Moses at the time the LORD spoke with Moses on Mount Sinai.
2Dit zijn de namen van de zonen van Aäron: Nadab, de eerstgeborene, Abihoe, Elazar en Itamar;
2These are the names of the sons of Aaron: Nadab the firstborn, then Abihu, Eleazar, and Ithamar.
3het zijn de namen van Aärons zonen, die als gezalfde priesters werden aangesteld, om de priesterlijke bediening uit te oefenen.
3These were Aaron’s sons, the anointed priests, who were ordained to serve as priests.
4Nadab en Abihoe waren voor het aanschijn van Jahweh gestorven, toen zij in de woestijn van de Sinaï voor Jahweh’s aanschijn onwettig vuur offerden. En daar zij geen zonen hadden, oefenden slechts Elazar en Itamar, onder toezicht van hun vader Aäron, het priesterambt uit.
4Nadab and Abihu, however, died in the presence of the LORD when they offered unauthorized fire before the LORD in the Wilderness of Sinai. And since they had no sons, only Eleazar and Ithamar served as priests during the lifetime of their father Aaron.
5Jahweh sprak tot Moses:
5Then the LORD said to Moses,
6Roep de stam van Levi op, en stel die ter beschikking van den priester Aäron, om hem te dienen.
6“Bring the tribe of Levi and present them to Aaron the priest to assist him.
7Zij moeten zorgen voor wat hij en heel de gemeenschap bij de openbaringstent nodig hebben, om de dienst van de tabernakel te laten verrichten.
7They are to perform duties for him and for the whole congregation before the Tent of Meeting, attending to the service of the tabernacle.
8Zij moeten zorg dragen voor alle benodigdheden van de openbaringstent en voor wat de Israëlieten behoeven, om de dienst van de tabernakel te laten verrichten.
8They shall take care of all the furnishings of the Tent of Meeting and fulfill obligations for the Israelites by attending to the service of the tabernacle.
9Gij moet de Levieten onder Aäron en zijn zonen plaatsen, ze van de Israëlieten afzonderen, en ze volkomen te hunner beschikking stellen.
9Assign the Levites to Aaron and his sons; they have been given exclusively to him from among the Israelites.
10Aäron en zijn zonen moet ge aanstellen, om hun priesterambt uit te oefenen; zo een onbevoegde nadert, moet hij worden gedood.
10So you shall appoint Aaron and his sons to carry out the duties of the priesthood; but any outsider who approaches the tabernacle must be put to death.”
11Jahweh sprak tot Moses:
11Again the LORD spoke to Moses, saying,
12Zie, Ik heb de Levieten uit de kinderen Israëls uitverkoren, in plaats van alle eerstgeborenen der Israëlieten, die de moederschoot openen. De Levieten behoren aan Mij!
12“Behold, I have taken the Levites from among the children of Israel in place of every firstborn Israelite from the womb. The Levites belong to Me,
13Want Mij behoren de eerstgeborenen; op de dag dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland trof, heb Ik Mij alle eerstgeborenen in Israël toegewijd, van mens tot dier. Dus behoren ze Mij; Ik ben Jahweh!
13for all the firstborn are Mine. On the day I struck down every firstborn in the land of Egypt, I consecrated to Myself all the firstborn in Israel, both man and beast. They are Mine; I am the LORD.”
14Jahweh sprak tot Moses in de woestijn van de Sinaï:
14Then the LORD spoke to Moses in the Wilderness of Sinai, saying,
15Tel de zonen van Levi naar hun families en hun geslachten; alle personen van het mannelijk geslacht van één maand af moet ge inschrijven.
15“Number the Levites by their families and clans. You are to count every male a month old or more.”
16Moses schreef hen dus in, zoals het door Jahweh bevolen was.
16So Moses numbered them according to the word of the LORD, as he had been commanded.
17Dit zijn de namen van de zonen van Levi: Gersjon, Kehat en Merari.
17These were the sons of Levi by name: Gershon, Kohath, and Merari.
18Dit zijn de namen van de zonen van Gersjon naar hun geslachten: Libni en Sjimi;
18These were the names of the sons of Gershon by their clans: Libni and Shimei.
19van de zonen van Kehat naar hun geslachten: Amram en Jishar, Chebron en Oezziël;
19The sons of Kohath by their clans were Amram, Izhar, Hebron, and Uzziel.
20van de zonen van Merari naar hun geslachten: Machli en Moesji. Dit zijn de geslachten der Levieten naar hun families.
20And the sons of Merari by their clans were Mahli and Mushi. These were the clans of the Levites, according to their families.
21Tot Gersjon behoorde het geslacht der Libnieten en dat der Sjimieten; dit waren de geslachten der Gersjonieten.
21From Gershon came the Libnite clan and the Shimeite clan; these were the Gershonite clans.
22Het volledig aantal mannelijke personen van één maand af, die van hen werden ingeschreven, bedroeg vijf en zeventig honderd.
22The number of all the males a month old or more was 7,500.
23De geslachten der Gersjonieten waren achter de tabernakel, in het westen, gelegerd.
23The Gershonite clans were to camp on the west, behind the tabernacle,
24Het familiehoofd der Gersjonieten was Eljasaf, de zoon van Laël.
24and the leader of the families of the Gershonites was Eliasaph son of Lael.
25De zonen van Gersjon moesten voor de openbaringstent zorgen, voor de tabernakel, de tent, haar bedekking en het tapijt aan de ingang van de openbaringstent,
25The duties of the Gershonites at the Tent of Meeting were the tabernacle and tent, its covering, the curtain for the entrance to the Tent of Meeting,
26voor de gordijnen van de voorhof en het tapijt aan de ingang van de voorhof, die rond de tabernakel en het altaar ligt, en voor de touwen, met al wat daarbij te doen viel.
26the curtains of the courtyard, the curtain for the entrance to the courtyard that surrounds the tabernacle and altar, and the cords—all the service for these items.
27Tot Kehat behoorde het geslacht der Amramieten, Jisharieten, Chebronieten en Oezziëlieten; dit waren de geslachten der Kehatieten.
27From Kohath came the clans of the Amramites, the Izharites, the Hebronites, and the Uzzielites; these were the clans of the Kohathites.
28Het volledig aantal mannelijke personen van één maand af, bestemd voor de dienst van het heiligdom, bedroeg zes en tachtig honderd.
28The number of all the males a month old or more was 8,600. They were responsible for the duties of the sanctuary.
29De geslachten der Kehatieten waren aan de ene zijde van de tabernakel gelegerd, en wel in het zuiden.
29The clans of the Kohathites were to camp on the south side of the tabernacle,
30Het familiehoofd van de geslachten der Kehatieten was Elisafan, de zoon van Oezziël.
30and the leader of the families of the Kohathites was Elizaphan son of Uzziel.
31Zij moesten zorgen voor de ark, de tafel, de kandelaar, de altaren, voor alle gereedschappen van het heiligdom, nodig bij de dienst, voor het voorhangsel, en al wat daarbij te doen viel.
31Their duties were the ark, the table, the lampstand, the altars, the articles of the sanctuary used with them, and the curtain—all the service for these items.
32Het opperhoofd van de Levieten was Elazar, de zoon van den priester Aäron; hij had het toezicht over hen, die voor het heiligdom moesten zorgen.
32The chief of the leaders of the Levites was Eleazar son of Aaron the priest; he oversaw those responsible for the duties of the sanctuary.
33Tot Merari behoorde het geslacht der Machlieten en dat der Moesjieten; dit waren de geslachten van Merari.
33From Merari came the clans of the Mahlites and Mushites; these were the Merarite clans.
34Het volledig aantal mannelijke personen van één maand af, die van hen werden ingeschreven, bedroeg twee en zestig honderd.
34The number of all the males a month old or more was 6,200.
35Het familiehoofd van de geslachten van Merari was Soeriël, de zoon van Abicháil. Zij waren aan de andere zijde van de tabernakel gelegerd, en dus in het noorden.
35The leader of the families of the Merarites was Zuriel son of Abihail; they were to camp on the north side of the tabernacle.
36De taak der zonen van Merari was te zorgen voor de schotten, de bindlatten, de palen en voetstukken van de tabernakel, voor alle gereedschappen en voor al wat daarbij te doen viel,
36The duties assigned to the sons of Merari were the tabernacle’s frames, crossbars, posts, bases, and all its equipment—all the service for these items,
37voor de palen rond de voorhof met hun voetstukken, pinnen en touwen.
37as well as the posts of the surrounding courtyard with their bases, tent pegs, and ropes.
38Aan de oostkant van de tabernakel, dus vóór de openbaringstent, waren Moses en Aäron met zijn zonen gelegerd. Zij hadden de zorg voor de dienst in het heiligdom ten behoeve van de Israëlieten; en zo een onbevoegde naderde, werd hij gedood.
38Moses, Aaron, and Aaron’s sons were to camp to the east of the tabernacle, toward the sunrise, before the Tent of Meeting. They were to perform the duties of the sanctuary as a service on behalf of the Israelites; but any outsider who approached the sanctuary was to be put to death.
39Het hele getal van de Levieten, die Moses op bevel van Jahweh volgens hun geslachten had ingeschreven, dus van alle mannelijke personen van één maand af, bedroeg twee en twintig duizend.
39The total number of Levites that Moses and Aaron counted by their clans at the LORD’s command, including all the males a month old or more, was 22,000.
40En Jahweh sprak tot Moses: Tel nu ook al de mannelijke eerstgeborenen der Israëlieten van één maand af, en neem het getal der personen op.
40Then the LORD said to Moses, “Number every firstborn male of the Israelites a month old or more, and list their names.
41Ik ben Jahweh: Gij moet voor Mij de Levieten nemen in plaats van alle eerstgeborenen der Israëlieten, en het vee der Levieten in plaats van al het eerstgeborene onder het vee der Israëlieten.
41You are to take the Levites for Me—I am the LORD—in place of all the firstborn of Israel, and the livestock of the Levites in place of all the firstborn of the livestock of the Israelites.”
42Moses telde dus alle mannelijke eerstgeborenen der Israëlieten, zoals Jahweh hem bevolen had.
42So Moses numbered all the firstborn of the Israelites, as the LORD had commanded him.
43Het hele getal der mannelijke eerstgeborenen van één maand af, die geteld waren, bedroeg twee en twintig duizend tweehonderd drie en zeventig.
43The total number of the firstborn males a month old or more, listed by name, was 22,273.
44Jahweh sprak toen tot Moses:
44Again the LORD spoke to Moses, saying,
45Neem de Levieten in plaats van alle eerstgeborenen der Israëlieten, en het vee der Levieten in plaats van hun vee. De Levieten zullen Mij behoren. Ik ben Jahweh!
45“Take the Levites in place of all the firstborn of Israel, and the livestock of the Levites in place of their livestock. The Levites belong to Me; I am the LORD.
46Voor de lossing van de tweehonderd drie en zeventig eerstgeborenen der Israëlieten, die het getal der Levieten overschrijden,
46To redeem the 273 firstborn Israelites who outnumber the Levites,
47moet gij vijf sikkels per hoofd nemen, berekend naar het heilig gewicht, twintig gera de sikkel,
47you are to collect five shekels for each one, according to the sanctuary shekel of twenty gerahs.
48en het geld aan Aäron en zijn zonen geven als losprijs voor die boventalligen.
48Give the money to Aaron and his sons as the redemption price for the excess among the Israelites.”
49Moses hief dus het losgeld van hen, die er te veel waren, om door de Levieten te worden losgekocht.
49So Moses collected the redemption money from those in excess of the number redeemed by the Levites.
50Als losgeld van deze eerstgeborenen der Israëlieten hief Moses dertienhonderd vijf en zestig heilige sikkels,
50He collected the money from the firstborn of the Israelites: 1,365 shekels, according to the sanctuary shekel.
51en gaf het losgeld aan Aäron en zijn zonen, juist zoals Jahweh het Moses bevolen had.
51And Moses gave the redemption money to Aaron and his sons in obedience to the word of the LORD, just as the LORD had commanded him.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.